Bijbel en wetenschap

1991-09-13
  • Jaargang 35
  • nummer 19
Inleiding
Dit artikel is een reactie op een gedeelte van het eerste artikel van A. Keizer over 'De betrouwbare dateringen van de Bijbel' zoals dat te lezen was in Opbouw nr. 13 van 21 juni 1991.
Het onderwerp dat Keizer aansnijdt heeft mijn belangstelling en ik ben zeer benieuwd naar de uitkomsten van zijn onderzoekingen. Echter hetgeen de schrijver beweert onder punt 1.3 'De dwaling van Copernicus' heeft mij verbaasd en ook droevig gestemd.
Volgens eigen zeggen was dit een uitstapje, maar dit uitstapje bestaat dan wel uit een reeks min of meer losstaande beweringen over grote natuurkundige en sterrenkundige feiten; sommige beweringen zijn onjuist en andere worden op een vreemde manier met elkaar verbonden.
Graag zou ik op elk van die uitspraken willen ingaan, maar dat zou samen met de nodige explicaties te lang en misschien te specialistisch worden.
Daarom volsta ik met het reageren op de uitspraak over Copernlcus. Hierbij stel ik me voor dat ik eerst aandacht ga besteden aan verschillende wereldbeelden, waarna de invloed van de Griekse filosofie op het christendom ter sprake komt en de reactie van de Kerk op de wetenschap in de dagen van Copernicus; vervolgens sta ik wat uitvoeriger stil bij de plaats van de Bijbel en wil ik afsluiten met te wijzen op het gevaar van dit soort uitspraken.

Wereldbeelden
Hoewel er veel te zeggen is over de voorstelling van de wereld (heelal) bij de verschillende Griekse wijsgeren, zal ik alleen enkele hoofdpunten schetsen.

Plato (427-347 v. Chr.) en Aristoteles (384-322 v. Chr.) stelden zich de wereld als volgt voor: In het centrum van het heelal bevindt zich de aarde onbeweeglijk en daaromheen een aantal concentrische bollen (sferen) waaraan de andere hemellichamen (zon, maan, planeten en sterren) zijn bevestigd.
Deze bollen draaien elk met hun eigen snelheid, de buitenste bol met de sterren had een omwentelingstijd van 24 uur. Aristoteles liet zich bij het verstaan van de kosmos leiden door metafysische argumenten, waarnemingen stonden in de kinderschoenen.

Ptolemaeus (rond 150 n. Chr.), een Griek die woonde en werkte in het Egyptische Alexandrië, heeft in zijn Almagest (13 boeken) de sterrenkundige inzichten van zijn voorgangers, aangevuld met eigen voorstellingen gebaseerd op waarnemingen, voor het nageslacht toegankelijk gemaakt.
Het wereldbeeld van Aristoteles kon b.v. twee verschijnselen niet verklaren: De grillige bewegingen van de planeten tussen de sterren, en het feit dat de planeten Venus (de morgenster uit het Oude Testament) en Mercurius zich altijd in de buurt van de zon bevonden.
Het stelsel van Ptolemaeus was nog steeds een geo-centrisch stelsel: De aarde staat in het middelpunt van het heelal en de maan, de planeten, de zon en de sterren draaien er in bollen omheen, zij het dat de maan en de planeten op eigen cirkeltjes (epicykels) draaien waarvan het middelpunt zich op bovengenoemde bollen bevinden; bovendien blijven de middelpunten van de epicykels van Venus en Mercurius op de lijn aarde-zon liggen.
Dit epicykelstelsel van Ptolemaeus moest zo gecompliceerd zijn om de grillige bewegingen van de hemellichamen te verklaren.
Overigens publiceerde Ptolemaeus ook de Tetrabiblos een groot standaardwerk over astrologie. Dit toont de verwevenheid van de astrologie en sterrenverering met de sterrenkunde (= astronomie) in die dagen. Veel vroeger in de Babylonische tijd was de astrologie vrijwel de enige motivatie voor alle sterrenkundige activiteiten.

Copernicus (1473-1543) sloot zich aanvankelijk geheel aan bij de Griekse sterrenkunde, de Almagest van Ptolemaeus stond zelfs model voor zijn beroemde boek De Revolutionibus Orbium Coelestium, waarin hij de resultaten van zijn studie neerschreef.
Hoewel het manuscript al voor 1532 was voltooid, ontving Copernicus het eerste gedrukte exemplaar pas op zijn sterfdag in 1543.
Tijdens zijn onderzoekingen kreeg Copernicus oog voor de tekortkomingen van de Griekse voorstelling. Met name de vreemde plaats die Venus en Mercurius in de epicykeltheorie van Ptolemaeus innamen, bracht hem tot de gedachte dat de hele voorstelling vereenvoudigd kon worden door te stellen dat alle planeten inclusief de aarde zich in een baan om de zon bewegen en de maan in een baan om de aarde; het firmament oftewel de sfeer met de vaste sterren bevindt zich op immens grote afstand.
Met name de ingewikkelde slingerachtige bewegingen van de planeten tegen de sterrenachtergrond, zoals we die vanaf de aarde waarnemen, kon met dit stelsel voortreffelijk verklaard worden.
Het stelsel van Copernicus is een helio-centrisch stelsel, omdat de zon (helios) in het centrum staat.
In een paar hoofdlijnen wil ik het grote belang van dit stelsel schetsen.

Kepler (1571-1630), een overtuigd aanhanger van het stelsel van Copernicus, heeft zijn eigen waarnemingen en die van zijn leermeester Tycho Brahe gebruikt om te komen tot zijn beroemde 3 wetten die de bewegingen van de planeten in het zonnestelsel en hun afstand tot de zon beschrijven.
Kepler heeft voor het eerst het begrip 'ziel' vervangen door' kracht', als het gaat om de oorzaak van de beweging van de planeten; de natuur moest niet langer worden gezien als een goddelijk bezield wezen, maar als een soort uurwerk.

De grote Engelse natuurkundige Newton (1642-1727) heeft het zonnestelsel van Kepler gebruikt om te komen tot zijn algemene gravitatietheorie. Dit algemene gravitatiebeginsel maakt duidelijk dat zowel de valbeweging op aarde als de beweging van planeten om de zon en van manen rond een planeet alle het gevolg zijn van één kracht, de gravitatiekracht.
Elke kracht en de daaruit resulterende beweging van een object wordt beschreven door zijn zeer bekende en beroemde wet 'kracht = massa x versnelling', dit is de meest fundamentele wet van de mechanica en zelfs van de hele natuurkunde.
Newton heeft zijn resultaten neergelegd in het boek Philosophiae Naturalis Principia Mathematica. En passant heeft het werk van Newton ook een enorme vooruitgang voor de wiskunde betekend. Hij ontwikkelde de differentiaal- en de integraalrekening, wiskundige werktuigen zonder welke de moderne natuurkunde ondenkbaar is en de huidige samenleving er heel anders zou uitzien. Laat ik een voorbeeld geven. Zonder kennis van de mechanica (nodig voor o.a. de voortstuwing van raketten) en van de bouw van ons zonnestelsel (nodig voor een nauwkeurige plaatsbepaling van de maan en de planeten) zou ruimtevaart ondenkbaar zijn.

Met het bovenstaande hoop ik duidelijk te hebben gemaakt dat onze moderne natuurkunde volledig geworteld is in het heliocentrisch wereldbeeld.

Christendom en filosofie
Het christendom ontwikkelde zich binnen de Grieks-Romeinse cultuur.
Om de tegenstanders van repliek te kunnen dienen presenteerde het christendom zich vaak als een wijsbegeerte, geheel op het niveau van de opponenten. Een gevolg hiervan is dat opvattingen, begrippen en methoden van het Griekse denken in het christendom doordrongen. Vooral het neoplatonisme werkte diep in op het christendom.
Deze filosofie was ontstaan door versmelting van de opvattingen van Plato, Aristoteles, de Stoïcijnen, de Pythagoreeërs en anderen met oosterse en christelijke mystiek.
In het neoplatonisme, met zijn mystiek-intuïtieve aandacht voor het bovenverstandelijke en de verlossing van het stoffelijke, bestond er een afkeer voor het onderzoek naar de geheimen der natuur.
De theologie van die tijd zag overeenkomsten tussen de beschrijving in Plato's Timaeus over het ontstaan van de wereld en het scheppingsverhaal uit Genesis. Ook Plato's voorsteling van de Idee vertoonden trekken van de Godsvoorstelling die men toen had. En ook de onderscheiding Idee/Geest!
Vorm versus materie/stof van Aristoteles kreeg een christelijke pendant boven natuur versus natuur.
Dit neoplatonisme, enigszins aangepast aan de christelijke opvattingen, was eeuwenlang (ook in de Middeleeuwse scholastiek) de filosofische richting die in de christelijke wereld invloed had.
Het merkwaardige doet zich voor dat het christendom zich verzette tegen de heidense religie, maar de heidense wijsbegeerte als een grote schat ging waarderen.

Kerk en wetenschap
De Kerk in de dagen van Copernicus had het geocentrisch wereldbeeld 'geheiligd'; bovendien kreeg het een theologische onderbouwing doordat Gods handelen in Jezus Christus plaats had op de aarde, de aarde speelde een centrale rol. Copernicus en ook Galileï huldigden het denkbeeld van een aarde in beweging (rond de zon), zodat van een centrale rol in sterrenkundige zin geen sprake meer was. Zij hebben nooit een vraagteken gezet bij, als ik het zo mag noemen, de theologische positie van de aarde.
Dat onderscheid kon de Kerk destijds kennelijk niet maken. De Kerk eigende zich de bevoegdheid toe een astronomische stelling te beoordelen in naam van een religieuze waarheid: zij was draagster van een goddelijke traditie en vertegenwoordigster van de bovennatuur op aarde.
De kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders vertikten het een blik te werpen door de telescopen van Galileï, maar voerden wel bijbelteksten aan, die oppervlakkig gezien de aarde in het centrum plaatsten.

Het probleem was niet het geloof tegenover de wetenschap, maar de binnen de Kerk gesacraliseerde theologische leerstellingen tegenover de vakwetenschap.

Plaats van de Bijbel
De Bijbel is geschreven in nietwetenschappelijke taal en is geen encyclopedie voor vakwetenschappen.
Het is toch alleszins begrijpelijk'dat de Bijbel in zijn taal en wereldbeeld aansluit bij de mens (mens-centraal, aarde-centraal) en dan met name bij de mens die aanvankelijk niets weet van een bolvormige aarde (de vier hoeken der aarde, Openb. 7:1 en 20:8), over het onderscheid tussen planeet en ster en het feit dat onze zon een gewone ster is (Genesis spreekt in het scheppingsverhaal alleen over: zon, maan en sterren).
Daarom moeten die astronomische mededelingen in de Bijbel geplaatst worden tegen die achtergrond en is de Bijbel ongeschikt om licht te werpen op b.v. moderne astronomische vraagstukken, waarin sprake is van quasars en zwarte gaten, objecten die op duizelingwekkende afstand van ons verwijderd staan. Want het sterrenkundig onderzoek heeft niet stilgestaan sinds Copernicus. De aarde bevindt zich in ons zonnestelsel en draait net als de andere planeten om de zon (eigenlijk om hun gemeenschappelijk zwaartepunt, maar dat zou ons te ver voeren).
Deze zon is één van de 100 miljard sterren die samen ons Melkwegstelsel vormen. Deze sterren draaien allemaal om het centrum van dat Melkwegstelsel.
Dit Melkwegstelsel is niet het enige sterrenstelsel, er blijken miljoenen van deze sterrenstelsels in het heelal voor te komen. Het grappige is dat deze sterrenstelsels zich allemaal van elkaar verwijderen zodat ieder stelsel het recht van 'centrum van het heelal' voor zich kan opeisen, dus dat centrum bestaat niet.

Wij zien zo dat onze grote God, Schepper van dat ontzagwekkende heelal, de mens wel een heel klein plaatsje in Zijn universum gegeven heeft. En toch heeft Hij zich op een enorme manier met ons beziggehouden; zelfs ondanks onze opstandigheid heeft Hij steeds weer toenadering gezocht culminerend in het verzoeningswerk van onze Here Jezus Christus.
Hoe weten we dat? Uit Zijn Woord, onze Bijbel. Niet uit de natuur. De natuur vertelt ons hoe groot en machtig Hij is, de Bijbel leert ons hoe lief Hij ons heeft.
En dat is precies de bedoeling van de Bijbel, de openbaring van de heilsgeschiedenis, en niet een vakboek voor welke wetenschap dan ook (misschien uitgezonderd de theologische wetenschap).

Gevaar
In de tijd van Copernicus, Galileï en Pascal heeft de Kerk haar vingers gebrand. Het blijkt moeilijk te zijn om hieruit een les te leren.
De uitspraak van Keizer, "de Boze die Copernicus deed schrijven ... dat de zon in het centrum van de schepping staat en niet de aarde", plaatst hem op één lijn met de kerkelijke leiders destijds voor wat betreft hun opvattingen.
Ook Ds. Blokhuis heeft zich onlangs op een soortgelijke manier over Copernicus uitgelaten. En kwamen de problemen bij de Evangelische Hogeschool ook niet voort uit dit soort opvattingen?
We worden weer teruggeworpen in de filosofische denkwereld van de Middeleeuwen, maar maken als mensen dankbaar gebruik van de verworvenheven van de moderne wetenschap die wortelt in een ander wereldbeeld.

Het pleiten voor een geocentrisch wereldbeeld in onze dagen is niet van gevaar ontbloot. Het brengt mensen onnodig in verwarring en kan een struikelblok zijn voor anderen om de Bijbel te accepteren zoals hij bedoeld is, nl. als het boek van Gods heilsopenbaring.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief