Tweede verkenning in Roemenië
1991-10-11
We moeten er nu naar streven elkaar te helpen en ons geweten te bevrijden van elke vorm van egoïsme, intolerantie en chauvinisme.- Jaargang 35
- nummer 21
We moeten elke extremistische manifestatie, uit welke bron dan ook, verwerpen en ertegen strijden. Onze visie op het toekomstige gemeenschappelijke Europese huis omhelst de eliminatie van al de oude strukturen en denkwijzen die haat, wantrouwen voortbrengen. We aanvaarden de huidige grenzen tussen onze landen. Wij wensen een vrij verkeer van mensen over grenzen die ons verbinden, niet scheiden.
verklaring van hongaarse en roemeense kerkleiders Novi Sad, november 19901
Heel gewoon
Op het eerste gezicht lijkt het een heel gewoon huis, gebouwd rond een binnenplaats, met een aantal verdiepingen, waar verschillende gezinnen wonen. AI snel vallen bij dit huis echter de twee gedenkplaquettes op. Op de ene, die we het beste begrijpen, staat:
"Innen indult a diktaturat megdöntö forradalom.
1989. XI1.15
Hier begann die Revolution die der Diktatur ein Ende setzte."
Een tweede plaquette zegt hetzelfde in het Roemeens en het Servo-Kroatisch.
De vier talen van Roemenië zijn dus vertegenwoordigd. Ze zeggen hetzelfde: hier begon het.
Dit is namelijk het complex waar de Hongaarse kerk van Timisoara, in hun taal 'Temesvar', is gevestigd. Hier woonde ds. Laszlo Tökes, de predikant, die zonder het te beseffen de opstand tegen Nicolae Ceausescu en zijn boosaardige vrouw Elena op gang bracht.
(Naast de twee borden valt alleen nog een kleine poster op, met de aankondiging van een yoga-cursus. De 'concurrentie' zit kennelijk niet stil, als het om het reiken naar het hart van de mensen gaat...)
Via een paar brede en vrij steile trappen gaan we de kerk binnen. Het eerste dat bij binnenkomst opvalt is de hoge kansel, in een soort gotische stijl; een rand van kant hangt van de kansel naar beneden. Op.een bord op de preekstoel staat: "Az en Beszedem Sohrel nen Mulnak."
"Maar mijn woord zal nimmer voorbijgaan."
Twee grote keramieken kachels moeten de ruimte verwarmen. Nu, in juli, is dat natuurlijk niet nodig. Een vijftal hoge ramen laten veel licht in de ruimte toe. Helemaal achterin kunnen we de predikant in toga, een rijzige vijftiger met mooi grijs haar, goed horen en zien, maar uiteraard in het geheel niet verstaan.
We zijn met zo'n driehonderd mensen, . schat ik. De meesten zitten in banken die qua model ons heel vertrouwd voorkomen. Het orgel, boven ons hoofd, is redelijk van kwaliteit. Van geen enkel Lied of Psalm blijkt de wijs ons bekend, tot mijn spijt. Ik had eigenlijk wel wat ons bekende 'geneefse melodieën' verwacht, maar dat is er dus niet bij. De melodieën worden slepend gezongen, want men zingt op' hele noten, of in een tempo dat daar dichtbij in de buurt komt. Het geluid is sonoor en krachtig. Toch is met alle bekendheid met zo'n verschijnsel dit geen gemeente op Urk of op de Veluwe.
We hebben aan geen enkel woord enig houvast, behalve het woord 'Amen' waarmee het gebed wordt besloten. (De opmerking van een Amerikaanse predikant die ik hoorde komt me in gedachten: "Er zijn in de hele wereld maar drie echt internationale woorden: Amen, Halleluja en Coca Cola!" 't Slaat natuurlijk nergens op, maar ik moet er toch aan denken.) Om me heen kijkend zie ik veel vrouwen, maar gelukkig toch ook heel wat mannen. Bovendien blijken ze lang niet allemaal oud. Het valt me niet zo mee om op de gezichten af te lezen wat de mensen denken.
Dat krijg je na jaren van onderdrukking, denk ik. Toch, deze gewone mensen hebben een revolutie ontketend ...
We kunnen niet meer zitten en besluiten daarom naar de dichtbijzijnde Baptistengemeente van ds. Petre Dugulescu uit te wijken. Daar zullen we in elk geval kunnen zitten en bijna zeker ook iets meer verstaan van het Roemeens dan van het ons zo 'vreemde' en ons onbekende Hongaars. Maar eerst moeten we ons nog ontdoen van een grote tas met christelijke boeken in het Hongaars, die we hebben meegenomen en vrijelijk door de douane konden brengen. Daarbij ontspint zich een langdurig gesprek met een paar jongeren die de boeken in ontvangst nemen.
Een andere plek
Het is maar een paar straten van de hongaarse naar de roemeense kerk.
Een groter en ook een veel moderner kerkgebouw. Toch ziet het geheel er op het eerste gezicht wat traditioneel uit. Vrouwen en mannen zitten apart; bovendien hebben de vrouwen bijna allemaal een hoofdbedekking, veelal een brede haarband. Maar het is er vol! Er wordt door diverse predikanten gepreekt, vol vuur. Er wordt lang gebeden.
Hier valt inderdaad meer te verstaan, al missen we toch het overgrote deel. Het Roemeens lijkt wel wat op het Italiaans. Ook worden er liederen gezongen waarvan we de melodie kennen. Er is hier daarom feitelijk meer herkenning dan bij de 'Hongaren'; dat .is onverwacht. Er zitten zeker zo'n vierhonderd mensen in de kerk, schat ik, waaronder zeer veel jonge mensen. Na afloop worden we door velen gegroet met 'Pace', 'Vrede'! (Het doet heel nieuwtestamentisch aan).
Vele handen worden geschud. Er is geen bedachtzaamheid naar buitenlanders toe, maar spontane openheid.
In de kerk voelt men zich kennelijk veilig. Die openheid blijkt ook, als ik' de komende woensdagavond op de bidstond mag preken. Dan zitten er zo'n 250 mensen wel tweeënhalf uur bij elkaar; zeker vijftig mensen bidden hardop en er wordt tussendoor gepreekt door twee mensen, en er wordt gezongen! Dat alles in een sfeer van.
bewogenheid en gedrevenheid voor de zaak van Christus.
Hoe het was
Toch, men is niet naief! Men weet ook hier van vervolging. Als ik later die avond door wat mensen naar huis wordt gebracht, wijzen ze ons de .plaatsen waar anderhalf jaar tevoren tientallen. mensen zijn omgekomen. be jonge man vertelt van de spanning en de uitgelatenheid van de menigte, en de komst van militairen, politie en Securisti. Er werd een drievoudig cordon rond het plein gelegd: de militairen voorop, de politie erachter en de lui van de Securitate in de achterste rij. Zo had ook iedere 'belegeraar' te denken aan degene pal achter hem ...
Hij was erbij, heeft met militairen gepraat, gezegd dat ze niet moesten schieten. Dat gebeurde toch, maar toen was hij er niet bij; het was de hele tijd een komen en gaan naar het plein. Zijn jonge vrouw zit er wat ineengedoken bij, naast mij in de auto.
Het verhaal, dat de stellig al zo vaak heeft gehoord, pakt haar duidelijk opnieuw aan. Ze balanceert op de grens van tranen. Ik vraag haar of ze persoonlijk slachtoffers gekend heeft.
"Niet zoveel", zegt ze, "maar vijf. Drie meisjes uit de kerk, tieners. En verder twee mensen uit de straat." Ze kende er dus "maar vijf" ... Feitelijk brengt die opmerking de pijn nog het meest aan het licht. Op een grote plein tussen Kathedraal en Operagebouw, met zijn beeld van Romulus en Remus, die door de wolvin gezoogd worden (een geschenk dat Mussolini vele jaren geleden aan zijn 'mede-Romeinen' in het toen fascistische Roemenië heeft geschonken) hebben zich dus cnvoorstelbaar tragische taferelen afgespeeld.
Er zijn ook grootse dingen gebeurd, dingen die ook iedereen je kan vertellen.
Ds. Dugulescu heeft, toen de revolutie naar andere steden oversloeg, de menigte op het plein gevraagd samen het 'Onze Vader' te bidden. Dat heeft -rnen toen gedaan; duizenden mensen die spontaan neerknielden om voor zichzelf en hun volk te bidden. De beelden ervan, die ook op onze televisie te zien zijn geweest, horen tot de meest indrukwekkende van de laatste jaren.
Onopvallende moed
Hoeveel moed er aan de (volstrekt onverwacht ontstane) opstand voorafgegaan is blijkt met name uit de autobiografie van Laszlo Tökes, die onder redaktie van de Engelsman David Porter is verschenen. Onlangs kwam dat boek ook in het Nederlands uit; 178 bladzijden lang wordt - zeer overtuigend - gesproken over de zo verschrikkelijke situatie in de jaren van Ceausescu's bewind. Wat me in het boek uiteindelijk met meest aansprak zijn niet zozeer de 'heldendaden' van Tökes en zijn medestanders, maar hun moed om vol te houden in de kleine zaken waarin men wist in zijn recht te staan. De moed om ondanks het zo uitzichtsloze leven - economisch en geestelijk, onder de volstrekt geestloze 'leiding' van Bisschop Laszlo Papp - de 'morele erosie' tegen te gaan. Na een paar bezoeken aan Roemenië en het aanhoren van tientallen verhalen kan ik me bij Tökes' verhaal iets voorstellen; het komt over als absoluut betrouwbaar en authentiek.
Het is het verhaal hoe je de woorden van onze Willem de Zwijger tot uitvoer kan brengen: "Men hoeft niet te hopen om iets te ondernemen, of te slagen om ermee door te gaan."2 Want het is volstrekt duidelijk dat de 'hoofdrolspelers' nooit hebben verwacht dat hun protest in een onheilspellend escalerend conflict enig positief effect kon hebben.
Tökes' verhaal is het zitten in een.
nagenoeg onverwarmde kamer in de winter, met een hoogzwangere vrouw, in een door de Securitate aangebracht isolement van bijna ieder die je steun kan geven. En het feit dat je die situatie na een poos niet meer neemt.
Bij tijd en wijle is het 't hartbrekend verhaal van een fatsoenlijk en integer man, die wordt dwarsgezeten en onderuitgehaald door mensen die hem horen te steunen, met name degenen in leidinggevende posities in zijn eigen hongaarse kerk. Onvoorstelbare kleinzieligheid en lafheid komen voor naast een 'anoniem soort moed', van mensen die op een bepaald moment de angst voor pijn en verdere vernedering voorbij zijn en bemoedigd worden door hun eigen aantallen en de plotselinge aarzeling bij hun onderdrukkers.
Eenheid tussen bevolkingsgroepen
Na dat lange en, zoals gezegd, indringende persoonlijke relaas over zijn eigen 'vervolging' komt Tökes op het thema: wat nu? Vanaf p. 147 van het boek vertelt hij over zijn lotgevallen als gevierd man, zijn reizen en spreekbeurten in binnen- en buitenland. Dan duikt het woord 'verzoening' geregeld op. Zo meldt hij President lliescu dat hij "al onze mensen" wil vertegenwoordigen.
"Ik ga niet als Hongaar, maar als Roemeen. (147) We lezen ook over de spanningen tussen (etnische) Hongaren en Roemenen in Tirgu Mures, de aanwezigheid van ultranationalistische roemeense organisaties als Vatra Romanescea. Indringend vind ik ook Tökes' verslag van zijn redevoering in het roemeense parlement: "Ik besprak de gebeurtenissen in Tirgu Mures. Ik zei dat de Hongaren klaar waren voor verzoening en dat de béweringen, dat wij ons wilden afscheiden en anti-Roemeens waren, alleen maar propaganda waren. Ik liet hen duidelijk zien dat verzoening een probleem was, dat op weg naar democratisering niet kon worden omzeild.
"Dit is niet alleen een probleem voor . twee miljoen Hongaren', zei ik. "Het is een probleem dat de hele Roemeense bevolking aangaat. Degenen die zich inzetten tegen verzoening vechten tegen de democratie." Het bleef angstwekkend stil. Niemand applaudisseerde of gaf enig ander teken dat het geaccepteerd werd. Normaal was het parlement een rumoerige plaats. De stilte was onbehaaglijk en dreigend.
Terwijl zij verder gingen met hun bezigheden en de herrie weer toenam, besefte ik, dat het kleine politieke prestige dat ik ontleende aan mijn rol in december, snel aan het verdwijnen was."(152)
Aan het einde van zijn verslag (p. 156) zegt Tökes nog dit: "Misschien komt het wat naief of veel te optimistisch over om voor verzoening te vechten ...
Maar ik kan geen ander perspectief zien waarin er gevochten kan worden.
Zelfs als we geen succes hebben, bestaat er geen zaak die het meer waard is om voor te vechten.
Daarom is het zo nodig dat er geestelijke waarden aan onze nieuwe samenleving ten grondslag liggen. Als er een macht of kracht is die verzoening kan bewerken, dan is dat het christelijk geloof... Diegenen onder ons die gelovig zijn, moeten leren dat ons samenleven, onze toekomst, ons overleven en onze vreugde als natie, liggen in het vertrouwen in God, door de kracht die het geloof verleent."
Waarvoor te bidden?
Als we "op een goede manier" voor het roemeense volk en de roemeense Kerk willen bidden, moet dit thema van Tökes onze leidraad zijn, is mijn overtuiging.
We moeten niet alleen bidden voor de Hongaren, of voor de (etnisch) Roemenen, maar voor allen! De weinige ervaring die ik zelf met beide groeperingen heb laat zien hoezeer in beide gemeenschappen er velen zijn die je van harte steunen kan!
We moeten bidden dat zij van Godswege de gelegenheid krijgen te tonen dat geloof in Christus mensen met elkaar verzoenen kan. De naijver en spanning tussen 'nationaliteiten' in Oost-Europa leren nu al de urgentie van dat alles. Wat zal er gebeuren met Tsjechen en Slowaken, Kroaten, Slovenen, Serviërs, Armeniërs, Azerbaidjanen, als men de verzoening niet leert...?
Daarom nog eenmaal een citaat uit de verklaring van roemeense kerkelijke leiders in het Joegoslavische Novi Sad: "Wij als kerken, volgelingen van Jezus Christus en broeders en zusters, willen onze stem verheffen om iedereen op te roepen in broederschap te leven en zich te verzetten tegen alle vormen van nationale verdeeldheid en strijd.
Onze Heiland heeft gezegd: "Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander." (Joh. 13:35) Als wij ons christelijk geloof getrouw willen zijn, moet deze liefde zich kenbaar maken ..."
1 red. David Porter. Laszlo Tökes. De Vonk In de Roemeense Revolutie. Een Autobiografie.
Uitgeverij Groen. Leiden, 1991. p. 173. De prijs van dit voortreffelijke boek is f 29,95.
Zeer aanbevolen! De vertaling had m.i. soms beter gekund, maar dat terzijde.
2 geciteerd uit P. Benoit. Calvijn als Zielzorger.
Callenbach. Nijkerk. z.j. p. 71.