Ook mensen

1991-10-25
  • Jaargang 35
  • nummer 22
Dit moest als wijsheid van de Here Worden doorgegeven. Kennelijk was dat nodig. Meerdere spreuken uit het boek betreffen dit thema. Om Israël er van generatie op generatie aan te herinneren.
Dit is wijsheid van God, om de wereld leefbaar te houden en dat niet alleen voor jezelf.
Zo gemakkelijk is dat niet.
Dat was het evenmin voor Israël, dat het beloofde land mocht binnengaan.
Het was niet de bedoeling dat er zulke grote verschillen zouden ontstaan tussen rijk en arm.
En voor zover ze ontstonden moesten de sabbatsjaren en het jubeljaar, de armen de kans geven om opnieuw te beginnen.
Dat is genade en wel in een heel praktische maatschappelijke formule. Misschien was het eigen schuld dat iemand verarmde, misschien ook niet.
En toch éénmaal in de zeven jaar een nieuwe kans.
Helaas is het er niet van gekomen, zegt de schrijver van de Kronieken, wanneer Israël in ballingschap wordt gevoerd.
Nu het land braak ligt en de inwoners grotendeels zijn verdwenen krijgt ook het land zijn sabbatsjaren vergoed, "en heeft het gerust om zeventig jaren vol te maken".
Het sabbatsjaar had niet alleen voor de arme een boodschap. Ook de rijke had het wat te zeggen.
Het zet een vraagteken bij het woord 'recht' in verband met rijkdom. Zo gauw heb je dat gevoel dat je terecht alle rijkdom hebt, die je hebt. Je hebt er immers hard voor gewerkt.
Niemand kan je dan ook het recht op je rijkdom betwisten.
Juist het sabbatsjaar zette in Israël de woorden 'recht op' tussen haakjes.

Dan lees je in het Spreukenboek de woorden over de rijken en de armen.
Hun aller maker is de Here, zegt de spreuk.
Dat wordt niet gezegd, om aan te geven dat de een terecht rijk is en de ander arm.
Als de wil van de Here.
Maar om de ontmoeting uit te tillen boven dat verschil.
Om de hoogheid van de arme te tonen.
En de nederigheid van de rijke.
Of de hoogheid van beiden.
Het recht om er te zijn, de genade dat je er bent, dank je niet aan jezelf, maar gaat terug op de Here, die de aarde gaf aan de mensen om die te bewonen.
Hun aller maker is de Here.
In dat licht heeft de rijke niet meer recht om er te zijn dan de arme.
Hier moest ik aan denken bij de onrusten in Duitsland, in de vroegere oostelijke landen van de bondsrepubliek.
"Het zijn ook mensen", zei bondspresident Von Weizsäcker.
Hij doelde daarmee op de mensen uit de etnische groeperingen, die nu steeds vaker het doelwit zijn van ultrarechtse acties.
Een cliché, zou je zeggen.
Voor sommigen misschien toch ook een eyeopener.
De president staat nu eenmaal niet bekend als iemand die met clichés opereert.
Dan is het temeer ongelofelijk dat dit gezegd moet worden van mensen met een andere huidskleur, of met een andere cultuur.
De situatie in Duitsland is inderdaad zorgwekkend.
Aan de andere kant ook begrijpelijk.
De banen liggen in de oostlanden niet voor het opscheppen.
Het is er steeds meer armoe troef. Een schril contrast met de vroegere westlanden.
De mensen zijn daar elkaars concurrenten op de weg naar welvaart. Misschien zelfs in de mogelijkheid om te kunnen bestaan.
Maar ook in Nederland vinden ultrarechtse ideeën de meeste sympathie bij hen die het zwakst staan in onze samenleving.
Bij hen die in de strijd om het bestaan de slag geheel of gedeeltelijk hebben verloren.
Die overbodig werden bij een reorganisatie, of ziek en niet meer in staat om te werken.
Hoe meer uitkeringen, des te meer de hoogte ervan op de tocht komt te staan. Dan is het moeilijk te verteren dat mensen, die door hun huidskleur of kleding kennelijk uit een ander land komen, evenveel rechten hebben en daarmee de spoeling dun maken.
Of voor hen die als de laatst overgeblevenen nog in een straat wonen met mensen uit de zogenoemde etnische groeperingen.
Wat is het dan moeilijk om te accepteren dat die anderen evenveel rechten hebben om er te wonen, terwijl je je intussen zelf vreemdeling voelt in eigen land.

Hun aller maker is de Here, zegt het Spreukenboek van de mensen aan weerszijden van de kloof.
Dat zegt meer dan dat het ook mensen zijn.
Hoewel je soms niet méér kunt zeggen, omdat er geen antenne is om dat signaal op te vangen.
Het recht om er te zijn ontleen je niet aan je zelf maar aan de Here. Wie je ook bent, ongeacht je rijkdom, je huidskleur, de mate waarin je kon leren of je maatschappelijke positie.
Hij plaatste je op het toneel, dat aarde heet.
Om er te zijn, samen met anderen, die soms zo anders zijn, dan jezelf.
Om er te spelen op het toneel van de geschiedenis.
Om samen te leven voor Gods aangezicht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief