Kerkverband en kerkorde (2)
1991-10-25
We beëindigden het vorige artikel met een verwijzing naar de opvatting van Calvijn over de betekenis van de kerkorde (c.q. kerkrecht). Ik geef het betreffende citaat nog een keer weer. 'Het kerkrecht en de kerkorde bedoelen de voortgang van de prediking in de meest brede zin van het woord te bevorderen en zelfs te waarborgen. Omgekeerd is de prediking in deze ruime zin ook het middel, waardoor recht en orde gevitaliseerd worden en hun waarde ontvangen'.- Jaargang 35
- nummer 22
De Ned. Herv. Kerk
Hoe funktioneert de kerkorde in de praktijk in verband met de doelstelling, die door Calvijn is geformuleerd?
Kijken we naar de grootste kerk van gereformeerde origine, de Ned. Herv. Kerk, dan zien we dat deze kerk in een geweldig groot spanningsveld leeft.
Aan de ene kant een sterke moderne stroming, die de Schriftkritiek tot uitgangspunt van de Woordverkondiging heeft verheven, aan de andere kant een massieve orthodoxe stroming, geschoold binnen de Gereformeerde Bond.
Kerkordelijk(c.q. kerkrechtelijk) komt ervan de door Calvijn geformuleerde doelstelling weinig terecht. De Ned.
Herv. Kerk is niet in staat met de haar geëigende middelen de Schriftkritiek buiten de deur te houden. Een typerend voorbeeld van deze machteloosheid inzake de kerkregering is de 'Paasbrief' over de opstanding van onze Here Jezus Christus. De discussie, die was aangezwengeld door de, inmiddels overleden, leidse hoogleraar F.O. van Gennip mondde op synodaal niveau uit in een 'Paasbrief' , die kool en geit spaarde, die vlees noch vis was, maar waarvan alle richtingen beweerden, dat hun visie er tenvolle in verwerkt was. Zelfs de Gereformeerde Bond, die aanvankelik aandrong op een kerkelijke procedure, om van Gennip uit zijn baan als kerkelijk hoogleraar te zetten, kon zich hierin vinden.
De Vrijgemaakt Gerefonneeme Kerken
Hoe funktioneert de kerkorde bij onze vrijgemaakte broeders en zusters?
Zwerend bij de DKO wijzen ze ons keer op keer terecht. Kerkordelijk is het bij hen in ieder geval geen kommer en kwel, en als het moet, durven ze de kerkelijke tucht onverkort te handhaven, zoals dat een aantal jaren geleden gebeurde in de 'zaak ds Hoorn'. Deze dominee van Grootegast werd om zijn opvattingen m.b.t. de leer van de kerk uit zijn ambt en buiten het verband gezet. Of in deze zaak de voortgang van de prediking ook echt in geding was, kan ik niet beoordelen. Op dat punt wil ik mijn vrijgemaakte broeders ook niet bekapittelen. Mijn moeite is deze! Is wat ds Hoorn leerde over kerk, - er kan plaatselijk maar één kerk van de Here Jezus zijn - , in zekere zin niet de konsekwentie van wat in de vrijgemaakte kerken de gebruikelijke toon is?
Misschien niet altijd kerkelijk geijkt (= synodaal geijkt), maar wel een opvatting, die je in brede lagen van het vrijgemaakte kerkvolk tegenkomt. Als een Ned. Geref. jongen verkering heeft met een vrijgemaakt meisje, dan worden alle kerkelijke registers weer eens fors opengetrokken.
Het vrijgemaakte ware kerkbegrip blijkt dan nog volop te leven. Eigenlijk is een echte diskussie over de kerk, in de meeste gevallen uitgesloten. En vergeet ook Reformanda niet. Een groep vrijgemaakten, die het ware pand willen behouden.
Maar waar heeft ds Hoorn zijn opvattingen vandaan? Toch niet helemaal van zichzelf. Ik zeg niet, dat het hem precies zó op de Theologische Hogeschool geleerd is. Maar in de uitspraken van de synoden, die in deze zaak moesten oordelen, mis je elke vorm van zelfkritiek. Terwijl zelfkritiek wellicht de deur naar ds Hoorn had kunnen openzetten. Kerkordelijk zal er wel korrekt gehandeld zijn, maar stond het gelijk van het kerkverband tegenover een predikant c.s eigenlijk van te voren al niet vast, omdat het kerkverband zichzelf spaarde door gebrek aan zelfkritiek? Het enige wat de kerken naar zichzelf toe gedaan hebben in de zaak Hoorn, is het kerkbegrip wat oprekken".
Er is wat meer ruimte gekomen om, over de kerkmuren heen, de Heilige Geest kerkvergaderend aan het werk te zien. Het is te hopen, voor de vrijgemaakte kerken en dus ook voor ons, dat dit geluid aan kracht zal winnen.
Maar daarvoor zullen onze vrijgemaakte broeders en zusters in kerkverbandelijk opzicht meer kritisch naar zichzelf moeten durven kijken.
Zelfkritiek, die je tot nu toe daar nog maar spaarzamelijk tegenkomt (3).
Kritisch, ook naar jezelf toe
Waar gaat het mij om? Ik pleit er voor dat degenen, die ons na staan, de christl. geref. en vrijg .geret. kerken, ons niet blijven bekritiseren op onze kerkordening. Laten zij allereerst kritisch zijn op zichzelf. Lukt het hun om met behulp van een goede kerkorde een godzalig kerkverbandelijk leven te leiden? Onze christelijke gereformeerde broeders en zusters weten uit ervaring, dat dat geen geringe opgave is, ondanks een dijk van een kerkorde.
Wij hebben een Akkoord van Kerkelijk Samenleven, dat ons wat ruimte geeft voor gezonde experimenten m.b.t. de eredienst. Het plaatselijk eigene kan zodoende gehonoreerd Worden. Dat geeft over en weer best wel irritaties, dat hoeven we niet te verhullen, maar als de geest goed is, dan weet je elkaar op die punten echt wel te vinden.
Voorwaarde is echter, dat het Woord centraal staat. Als je in de prediking (of dat nu ter rechter- of linkerzijde is) een verschillende taal gaat spreken, helpt zelfs de beste kerkorde niet meer.
Een stukje geschiedenis
Tot slot iets uit de geschiedenis van de Afscheiding. Prof. C. Veenhof beschrijft in 'Kerkgemeenschap en kerkorde:"
de moeiten in de jonge afgescheiden kerken op het punt van de kerkorde. Moeiten die het kerkverband op de rand van de afgrond brengen.
Aanvankelijk hadden de afgescheiden kerken de Dordtse kerkorde aanvaard, waar verschillende afgescheidenen sceptisch tegenover stonden. Met name ds H.P. Scholte, die van kerkverband en kerkorde niet veel moest hebben.
In 1837werd op de synode van Utrecht de DKO ingrijpend bewerkt en kregen de kerken een nieuwe kerkorde.
Maar de kerken in het noorden en oosten hadden weer grote bezwaren tegen deze nieuwe kerkorde. Op de synode van Amsterdam (1840) werd deze kerkorde weer vervangen door de DKO. Wie het naadje van de kous wil weten, moet dit boekje van prof.
Veenhof maar eens lezen of het dikke boek van prof.dr. M. te Velde (zie noot 4).
Het gaat me nu m.n. om de houdng van één van de tegenstemmers tegen de herinvoering van de DKO, ds A.
Brummelkamp uit Hattem. Brummelkamp was niet tegen de DKO, maar vond, dat de kerken haar eigen besluiten (invoering van de nieuwe kerkorde) serieus moesten nemen en niet uit nostalgie moesten terug verlangen naar het oude. Meende de synode, dat deze kerkorde niet goed was, dan had ze die moeten veranderen, zoals ook alle vroegere synoden hadden gedaan.
Volgens Brummelkamp moesten de broeders algemeen erkennen, dat de kerkorde van 1837 beter was dan de onveranderde DKO. Maar de gemeente verlangde uit conservatisme en traditionalisme zonder meer de terugkeer tot het oude! Zo vroeg de gemeente een schijnbare, maar geen wezenlijke verandering. En aan dat verlangë'ri voldeed nu de synode!".
DKO of AKS?
Je moet altijd voorzichtig zijn met het trekken van lessen uit de geschiedenis.
Hoewel Brummelkamp tegen de herinvoering van de DKO was, heeft hij zich aan dit besluit van de synode loyaal gekonformeerd. Daarin was hij, meer dan Scholte, echt gereformeerd.
Maar de houding van Brummelkamp laat ons zien, dat je voor je eigen besluiten moet durven staan, en dat je niet direkt voor allerlei kritiek aan de kant moet gaan.
Een DKO ot een AKS wordt een struikelblok als de geest niet goed is, ot als ze niet meer dienstbaar is aan de prediking van het evangelie. Bovendien, al dat gepraat over kerkverband en kerkorde kan onze aandacht z6 naar binnen toe keren, dat het ons athoudt van de roeping, die we hebben om het Woord van God te verkondigen.
In het gesprek met de christ!. geret. en de vrijg. geret. kerken moet de kerkorde niet een sjibboleth worden. Zij onderhouden de DKO, wij hebben gekozen voor een eenvoudige bewerking ervan.
Als Ned. Geref. kerken moeten we het AKS serieus nemen, in deze zin, dat we goed luisteren naar elkaars argumenten, bij alle verschillen in de praktijk.
Zijn er dingen niet goed geregeld, dan moet je die durven veranderen.
Dat geldt voor het AKS, dat geldt ook voor de DKO, maar evenzeer voor de praktijk van het kerkelijk samenleven.
1 Van Gennip valt in een art. in 'In de Waagschaal' (jrg 18 nr 8,24 jan. 1989) de anglikaanse bisschop Jenkins bij, die verklaarde niet te kunnen geloven in de 'lichamelijke opstanding' van Jezus Christus. Na felle kritiek uit de Geref. Bond heeft van Gennip in een diskussie met anderen z'n standpunt nog eens samengevat in drie stellingen: I De prediking, dat Jezus 'lichamelijk' zou zijn opgestaan, acht ik in exegetisch opzicht onjuist. 11 Ik acht haar in hermeneutisch opzicht onoverdraagbaar en 111 in theologisch opzicht aanvechtbaar.
In: Waarlijk opgestaan! Een diskussie over de opstanding van Jezus Christus. Baarn 1989.
2 Zie de Reformatie van 17 augustus 1991, waar Ph. Roorda een analyse geeft van de uitspraken van de Generale Synoden van Heemse en Spakenburg in de zaak ds Hoorn.
3 Een gunstige uitzondering is het boekje van ds E.A. de Boer, Absalom. mijn zoon, mijn zoon! Goes 1990.
4 C. Veen hof, Kergemeenschap en kerkorde.
Amsterdam 1974.
Zie ook, M. te velde, Anthony Brummelkamp Barneveld 1988 blz 90-106 en 120-130.
5 C. Veenhof a.w. blz 60 en 61.