De Wittenbergse Nachtegaal (1)
1991-10-25
Ze vonden hem bewusteloos op de vloer van zijn cel. Hij had zijn vlees weer eens duchtig onder handen genomen. De monnik Maarten Luther, die worstelde met de vraag: "Hoe krijg ik een genadig God? Wanneer zal God voor mij genade voor recht laten gelden?"- Jaargang 35
- nummer 22
Hij wist het niet. Toch werd hij hoogleraar in de godgeleerdheid aan de universiteit van Wittenberg. Zo moest hij aan zijn studenten' onderwijs geven over zaken die hij zelf niet begreep.
Bij het voorbereiden van een college stuitte hij op Romeinen 1:16,17: "Want ik schaam mij het evangelie niet, want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. Want gerechtigheid Gods wordt daarin (nl. in het evangelie) geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven."
Bij de uitdrukking 'gerechtigheid Gods' begon Luther weer te sidderen.
Overal in de Bijbel waar hij die uitdrukking tegenkwam, dacht hij aan Gods straffende, Gods wrekende gerechtigheid.
Wij kennen dat ook: "God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig" - een tegenstelling dus.
Luthers reaktie op deze woorden van Paulus was er dan ook een van verslagenheid en woede. "Here God," zei hij, "is het nog niet erg genoeg dat U ons in het oude testament al zo bedreigt met uw gerechtigheid, met uw eeuwige straf, dat U ons ook nog in het evangelie daarmee lastig komt vallen?"
Want dat stond er toch: "Gerechtigheid Gods wordt in het evangelie geopenbaard". Hij haatte deze God.
Tot hij uit het verband begon te begrijpen dat Paulus hier niet spreekt over Gods wrekende gerechtigheid, maar over zijn vergevende gerechtigheid in Jezus Christus. Of liever: over de gerechtigheid die Christus voor ons volbracht heeft tijdens zijn leven hier op aarde en aan het kruis, en die ons, die in Hem geloven, om zijnentwil wordt toegerekend. Want de rechtvaardige zal uit geloof leven. Dat moment van Luthers bekering staat aan de wieg van de Kerkhervorming.
Opnieuw geboren
Luther zelf beschrijft het zo: "Hoewel ik als een monnik-zander-blaam geleefd had, voelde ik dat ik een zondaar voor God was met een uiterst ontrust geweten. Ik kon niet geloven dat ik verzoend was door de voor mij gegeven genoegdoening. Ik had Hem niet lief, ja, ik haatte de rechtvaardige God die zondaren straft, en heimelijk - zo niet lasterlijk, dan toch in grote opstand - was ik toornig op God en zei: "Alsof het inderdaad niet genoeg is dat ellendige zondaren, voor eeuwig verloren door de erfzonde, verbrijzeld worden door allerlei ellende, aangekondigd in de wet der tien geboden, voegt God er ook nog de ene pijn na de andere aan toe door het evangelie en bedreigt ons ook in dat evangelie met zijn gerechtigheid en toorn". Op deze wijze raasde ik met een onstuimig en verontrust geweten. Ik hield echter niet op Paulus lastig te vallen ten aanzien van die ene tekst (Rom. 1:17), omdat ik vurig wenste te weten wat hij bedoelde.
Tenslotte, door Gods barmhartigheid, toen ik dag en nacht mediteerde, gaf ik acht op het verband van de woorden, namelijk: "Gerechtigheid Gods wordt in het evangelie geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: de rechtvaardige zal uit geloof leven".
Toen begon ik te begrijpen dat de gerechtigheid Gods datgene is waardoor de rechtvaardige leeft als een gave Gods, namelijk door het geloof.
En dit is de betekenis: de rechtvaardigheid van God is geopenbaard door het evangelie, namelijk de passieve rechtvaardigheid, waardoor de barmhartige God ons rechtvaardig maakt door het geloof, zoals geschreven is: "De rechtvaardige zal uit geloof leven."
Toen voelde ik dat ik helemaal opnieuw geboren was en het paradijs zelf was binnengetreden door open poorten. Op dat ogenblik kreeg ik een ander zicht op de hele Schrift. Daarna doorkruiste ik in mijn geheugen de Schriften. Ik vond in andere uitdrukkingen een overeenkomst, zoals: het werk van God (dat is wat God in ons doet), de kracht van God (waarmee Hij ons sterk maakt), de wijsheid van God (waarmee Hij ons wijs maakt), de sterkte van God, de zaligheid van God, de eer van God. En mijn innigste woorden stegen op met een liefde zo groot als de haat waarmee ik tevoren de uitdrukking 'gerechtigheid Gods' gehaat had."
Liederen
Als Luther het evangelie van rechtvaardiging van zondaars door het geloof in de Rechtvaardige heeft herontdekt, gaat hij op zoek naar dichters die dit evangelie in de Duitse landstaal voor de gemeente kunnen vertolken.
"Het plan bestaat", schrijft hij bij de jaarwisseling 1523/24aan de hoftheoloog en woordkunstenaar Spalatinus, "om naar het voorbeeld van de profeten en de oudste kerkvaders psalmen in de volkstaal te schrijven, opdat Gods Woord door het te zingen onder het volk bekend blijft. Wij zoeken derhalve overal naar dichters."
Luther dacht daarbij niet aan zichzelf, hij had geen hoge dunk van zijn eigen schrijfstijl, en wie zijn verhaal hierboven gelezen heeft kan daar wel een beetje inkomen. Maar als de dichters hem teleurstellen, grijpt Luther zelf naar de pen en de vedel. En dan gebeurt het wonder: de ekster ontpopt zich tot een nachtegaal!
De taal van Luther blijft weerbarstig, maar zijn verzen vertonen dichterlijke spankracht en hij weet het nieuw ontdekte evangelie zó te verwoorden dat iedere Duitser het kan begrijpen en het de mensen aanspreekt. AI in 1524 verschijnt de eerste bundel: Geistliche Lieder. In het voorwoord schrijft Luther: "Ik heb samen met enkele anderen - met de bedoeHng hen die het beter kunnen aan te sporen - enige geestelijke liederen bij elkaar gebracht om het heilig evangelie, zoals het door Gods genade weer is opengegaan, in zwang te brengen en er in te pompen, opdat ook wij kunnen roemen als Mozes aan de overkant van de Schelfzee in Exodus 15. Laat Christus onze lof en ons lied zijn, zodat we van niets anders weten te zingen en te spreken dan van Jezus Christus onze Heiland, zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 2". .
De ene liederenbundel na de andere verschijnt. Luther blijft als 'Wittenbergse nachtegaal' (de uitdrukking is van Hans Sachs) niet alleen: andere vogels voegen hun gezang aan het zijne toe. Maar het zijn vooral Luthers liederen die in de kerken van de Reformatie bekend en geliefd zijn geworden.
'Paulinische Psalmen'
Van Luthers hand zijn 37 liederen bekend. Men kan daarin drie genre's onderscheiden. Allereerst zijn er de Psalmbewerkingen. Net als Augustinus lééfde Luther met de Psalmen.
Toen men hem eens vroeg: "Van welke Psalmen houdt u het meest?", antwoordde hij: "De paulinische." Hij noemde er vier: Ps. 32, 51, 130, 143.
Meteen in de eerste bundel treffen we van zijn hand een bewerking van Psalm 130 aan, de Psalm met die bekende regel: "Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt". Een bewerking, geen tekstgetrouwe 'berijming', want Luther heeft de Psalm 'paulinisiert' (de uitdrukking is van Fr. Spitta). toegespitst op het evangelie van Gods vrije genade, dat hij had herontdekt. Het lied heet: Aus tiefer Not schrei ich zu dir. Een vertaling vindt u in Uit aller mond (gezang 132), een zeer vrije nadichting in het Liedboek (gezang 19).
Een andere Psalmbewerking van Luther is Ein feste Burg is unser Gatt (Liedboek 401). Als in Psalm 46 gezegd wordt: "De HEREder heerscharen is met ons", past Luther dit toe op onze Heiland, de enige die het voor ons tegen de legioenen van Satan kon opnemen. Een tweede genre wordt gevormd door vertalingen in het Duits van oude Latijnse hymnen. Een mooi voorbeeld hiervan vinden we in het Liedboek (gezang 203): Christ lag in Todesbanden.
In dit lied beschrijft Luther hoe Christus het dodenrijk is binnengegaan om het van binnenuit voor ons open te breken. Het roept herinneringen op aan een oude hymne van omstreeks het jaar 1000: Victimae Paschali Laudes. Maar eigenlijk zijn we met dit lied al bij het derde genre aangekomen: dat van de 'vrije liederen'.
Een merkwaardige uitdrukking eigenlijk: vrije liederen, alsof de andere liederen onvrij zouden zijn. Bedoeld worden liederen waarin de dichter zich niet bindt aan een oude tekst of een Schriftgedeelte. Veel van Luthers 'vrije' liederen zijn overigens gedrenkt in de Schriften.
In het prachtige gezang Nun treut euch liebe Christen qrrtein herkennen we Luthers worsteling om een genadig God en zijn ontdekking van Gods vreemde gerechtigheid. In het Liedboek treffen we een mooie vertaling aan: gezang 402. Over twee weken neem ik u graag mee op een voettocht door dit lied.