De betrouwbaarheid van de historische gegevens in de bijbel (2)

1991-10-25
  • Jaargang 35
  • nummer 22
De heer Keizer besteedt in zijn artikelen veel aandacht aan de periode van Ezra en Nehemia.
Met zijn conclusies komt hij voortdurend in strijd met gegevens die te vinden zijn in de Bijbel en in historische bronnen. Hij verschuift niet alleen alle dateringen van de koningen met ca. 110jaar, maar dateert Ezra en Nehemia tijdens koningen die ruim 100 jaar eerder leefden!
De heer Keizer stelt dat de Perzische koning Cyrus een zoon was van de Medische koning Astyages. De laatste stelt hij zowel gelijk met Darius de Meder (genoemd in Daniël 6, 9 en 11), als met de Ahasveros uit het boek Esther, als met Arthahsasta uit het boek Nehemia.
Op basis van gegevens uit historische bronnen is zonder enige twijfel duidelijk te maken dat hier vier personen, die voor een deel in een andere tijd leefden, tot één en dezelfde persoon gemaakt worden. Een zeldzaam staaltje van chaotisering van de geschiedenis/

Cyrus en Esther
De heer Keizer stelt: "Cyrus die ongetwijfeld koningin Esther als moeder heeft." Cyrus' vader zou Astyages zijn.
Cyrus was echter geen zoon, maar een kleinzoon van Astyages. Dat is te lezen in Herodotus' Historiën en in Xenophons Cyropedie, de levensbeschrijving van Cyrus. Bovendien verklaart Cyrus zelf, in de inscriptie op de beroemde Cyrus-cilinder, in zijn opdracht vervaardigd in 536 v.C. in Babylon: "Ik ben Cyrus ..... zoon van Cambyses, groot koning, koning van Anschan (landschap waar de Perzen toen woonden), kleinzoon van Cyrus "
De genoemde Cambyses, de vader van Cyrus, was getrouwd met Mandane, de dochter van Astyages. Cyrus was dus een kleinzoon van Astyages.
Hij kwam in 550 v.C. in opstand tegen zijn grootvader van wie hij een vazal was en veroverde het Medische rijk.
Vandaar dat sindsdien gesproken wordt van het rijk van Meden en Perzen.
Cyrus' moeder heette dus Mandane.
Esther was gemalin van een Perzische vorst, Ahasveros, die in zijn derde jaar zetelde in Susa (Esther 1:2), Astyages zetelde in Ekbatana, honderden kilometers noordelijker. De kleinzoon van Astyages, Cyrus, zou pas ca. 40 jaar later Susa veroveren. Tijdens de regering van Astyages behoorde Susa nog tot het Nieuwbabylonische rijk, ook nog in de tijd van koning Belsazar, zoals blijkt uit Daniël 8. De bouw van het Perzische paleis in Susa begon tijdens Darius I en is voltooid tijdens Xerxes I, de Ahasveros, genoemd in Esther 1:1, die in Susa zetelde. De regering van Xerxes I begon in 486 v.C., bijna 100 jaar na het derde jaar van Astyages! Astyages had geen paleis in Susa. Bovendien was er pas in de tijd van het Perzische rijk sprake van 127 gewesten in een rijk van Meden en Perzen Esther 9:30).
Volgens Esther 1:1 regeerde Ahasveros in zijn derde jaar over een gebied "van Indië tot Ethiopië". Met het laatste land wordt Nubië bedoeld, ten zuiden van Egypte. Het rijk van Ahasveros (Xerxes I) strekte zich dus uit tot en met Egypte. Het is ook daarom onmogelijk Ahasveros, de gemaal van Esther, gelijk te stellen met koning Astyages van het Medische rijk. Immers ten tijde van Astyages strekte het Medische rijk zich slechts uit vanaf het noorden van Mesopotamië tot in Klein-
Azië, terwijl het grootste deel van Mesopotamië, Syrië en Palestina behoorden tot het Nieuwbabylonische rijk van Nebukadnezar.
Egypte was tijdens de gehele periode van het Nieuwbabylonische rijk een zelfstandige staat die nooit door de Babyloniërs veroverd is, al heeft Nebukadnezar diverse invallen in Egypte gedaan. Egypte maakte pas deel uit van het latere Perzische rijk nadat het in 525 v.C. door Cambyses, de zoon van Cyrus, veroverd was. Het Medische rijk heeft zich dus niet tot Ethiopië uitgestrekt.

Arthahsasta
Ook de Arthahsasta van Nehemia 2:1 zetelde in Susa (Neh. 1:1) en kan dus onmogelijk Astyages geweest zijn.
Tijdens deze koning, Artaxerxes I, (465-424 v.C.) bekleedde Nehemia een hoge positie aan het Perzische hof.
Het gelijkstellen in de artikelenserie van vier vorsten die duidelijk vier onderscheiden personen waren, leidde tot vreemde conclusies en grote verwarring van de samenhang van de historische feiten.
In het vierde artikel dateert de heer Keizer de toestemming die Artaxerxes I Nehemia gaf om naar Jeruzalem te gaan 28 jaar voor het eerste jaar van Cyrus en dus lang voordat Cyrus zijn edict uitgaf waarin hij de Joodse ballingen toestemming gaf om terug te keren naar Juda en de tempel in Jeruzalem te herbouwen.
Dat dit onhoudbaar is, blijkt zowel uit gegevens in de Bijbel als uit historische bronnen. In de eerste periode waarin Nehemia, namens koning Artaxerxes I (465-424 v.C.) gouverneur was van Juda (444-432 v.C.), was Eljasib hogepriester (Neh. 3:1, 13:4,7 en 28).
Eljasib was een kleinzoon van de hogepriester Jozua (Neh. 12:10), die behoorde tot de leiders van de Joden die na het edict van Cyrus (539 v.C.) terugkeerden naar Juda (Ezra 1:2, 3:8).
De vader van Jozua was Jozadak (Ezra 3:8) die na de verwoesting van Jeruzalem, in opdracht van Nebukadnezar (587 v.C.), naar Babel was gevoerd (1 Kron. 6:15). In Nehemia's dagen was de tempel al lang weer hersteld (Neh. 13:4). In het zesde jaar van Darius I werd de tempel al ingewijd (Ezra 6:15) in 515 v.C., 15 jaar na de dood van Cyrus. In het vierde artikel wordt de toestemming aan Nehemia om naar Jeruzalem te gaan geruime tijd gedateerd voor het edict van Cyrus, waarin toestemming gegeven wordt om de tempel te herbouwen (2 Kron. 36:22-23).
Ook hier blijkt weer dat in de artikelenserie de volgorde der gebeurtenissen onjuist wordt weergegeven.

De Elefantine papyri
Nehemia wordt in het vierde artikel opgevoerd als tijdgenoot van Nebukadnezar (605-562 v.C.), terwijl hij drie generaties (ruim 100 jaar) later leefde.
Dat blijkt niet alleen uit de Bijbel, maar ook uit de Elefantine papyri. Deze brieven, geschreven in het Aramees, werden vanaf 1893 gevonden op het in de Nijl tegenover Assoean, in Zuid-
Egypte, gelegen eiland Elefantine'. Op dat eiland bestond in de vijfde eeuw v.C., de tijd van Nehemia, een Joodse kolonie van soldaten, die vroeger in dienst stonden van de farao's en later van de Perzische koningen. In het fort hadden de militairen ook een Joodse tempel.
Eén van de brieven dateert uit 410 v.C., het 14e jaar van Darius 11(423-404 v.C.). In de brief melden de leiders van de Joodse kolonie aan Bagoas (Bagohi), de Perzische gouverneur van Juda, dat Egyptenaren onder leiding van priesters van de god Chnoem hun tempel verwoest hadden, tijdens de afwezigheid uit Egypte van de Perzische gouverneur. Bagoas was vermoedelijk de opvolger van Nehernia".
In een latere brief, uit het 17e jaar van Darius II (407 v.C.), vroegen ze Bagoas om toestemming voor de herbouw van hun tempel. Ze schreven dat ze ook brieven gestuurd hadden aan de zonen van Sanballat, de Perzische gouverneur van Samaria, een tijdgenoot van Nehemia (Neh. 2:10 en 19,4:1 en 7,6:1 en 14). Verder lieten ze weten dat ze ook geschreven hadden aan de hogepriester Johanan, de kleinzoon van Eljasib. Johanan wordt genoemd in Nehemia 12:22 en 233.
Het is dus zeker dat Sanballat en Nehemia leefden in de tijd van Artaxerxes I (465-424 v.C.) en Darius 11(423- 404 v.C.), ruim 100 jaar na de dood van Cyrus. De eerste brief uit Elefantine, is geschreven ca. 130 jaar na de tijd van Darius de Meder, die volgens de heer Keizer de vorst was die Nehemia opdracht gaf naar Jeruzalem te gaan.
Ook daaruit blijkt weer dat zijn verschuiving van de dateringen met 110 jaar volledig onjuist is.

Condusie
Op diverse andere onhoudbare beweringen en dateringen in de artikelen zou nog ingegaan kunnen worden. In het voorgaande is echter voldoende duidelijk gemaakt dat op deze wijze de betrouwbaarheid van de bijbelse gegevens niet verdedigd dient te worden.
Zo doet men schade aan het vertrouwen in de betrouwbaarheid van de historische en chronologische gegevens in de Bijbel.
Deze dienen met kennis van zaken, met aandacht voor de details en in verband met de historische achtergrond bestudeerd te worden.

Noten:
1. K.R. Veenhof: Balans der Elefantine papyri I, in: Phoenix, jaargang 16, 1970, nr. 1, pag. 310.
2. idem, pag. 317.
3. J.B. Pritchard: Ancient Near East Texts relating to the Old Testament, Princeton 1969, pag. 490-491.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief