Jezus over de Farizeeën en schriftgeleerden (2)
1991-11-08
Lasten- Jaargang 35
- nummer 23
Een ander kenmerk van de schriftgeleerden en Farizeeën noemt Jezus in Matth. 23:4. Ze binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders van de mensen. Bij die lasten moet u denken aan gebod op gebod en regel op regel. Daar waren de schriftgeleerden experts in. De ene regel na de andere werd door hen opgesteld en opgelegd. Alles met elkaar werd dat een loden last waar de mensen onder gebukt gingen.
Dat is kenmerkend voor een wettische godsdienst. Daar worden de mensen moe van de last die ze te dragen krijgen.
En wie er het minst hinder van hebben, zijn de regelgevers zelf. Want zij zijn goed thuis in heel die doolhof van regels en bepalingen. Zij kennen dus ook de ontsnappingsroutes waardoor ze die last voor zichzelf kunnen verlichten.
Ik denk dat we in de kerkelijke wereld daar nog veel van tegenkomen en dat mensen nog maar al te vaak opgezadeld zijn met karrevrachten theologische constructies en kerkelijke bepalingen.
Zelf hebben we dat vaak helemaal niet in de gaten. Maar soms, als er iemand van buiten de kerk tot geloof komt, wordt het heel navrant zichtbaar.
Zo iemand kan er grote moeite mee hebben, dat er van hem verwacht wordt dat hij zich ook houdt aan allerlei regels en tradities die onder ons gelden. Aan het Woord van God wil hij zich graag onderwerpen. Maar hij deinst terug voor al die, vaak ongeschreven, menselijke regels. Dan wordt het je ineens duidelijk dat ook wij lasten kunnen opleggen, die Christus niet oplegt.
Christus wil niet dat mensen gebukt gaan onder zulke lasten. Hij wil niet dat ze er krom van gaan lopen en erdoor afgepeigerd raken. Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt.
Neemt mijn juk op u, want mijn juk is zacht en mijn last is licht (Matth. 11:28-30). Christus is wars van kerkelijke wetten en theologische constructies die de mensen opgelegd worden met het gewicht van Gods Woord.
Verleiding van de macht
Hoe komt het nu dat dit soort ontwikkelingen telkens weer plaatsvinden?
Jezus zegt: daar zit de verleiding van de macht achter, de verleiding van het in aanzien willen staan. Dat signaleert Hij bij de Farizeeën en schriftgeleerden (Matth. 23:5-12). Ze willen opvallen.
Ze showen met hun vroomheid om bij de mensen in aanzien te komen. Ze zorgen ervoor dat ze overal met hun neus vooraanstaan, zodat de mensen hen telkens weer zien en onder de indruk raken van hun belangrijkheid.
Tegenwoordig zouden we zeggen: ze hebben een bijzonder goed ontwikkeld gevoel voor pubtic relations. Ze weten zichzelf goed te verkopen.
Pas op voor zulke figuren, zegt Jezus.
Ze zijn uit op macht en invloed. Ze willen aan de touwtjes trekken, het voor het zeggen hebben. Ze willen mensen dirigeren en manipuleren. Ze willen rabbi genoemd worden en vader en leider. Daar is het hun om te doen. Maar dat hoort niet in de kerk.
Daar behoort maar één ,rabbi te zijn: Jezus, en maar één Vader: God, en maar één leider: de Christus. Theologen en ambtsdragers die zich laten voorstaan' op hun positie en erop uit zijn de mensen naar hun hand te zetten en naar hun pijpen te laten dansen, duwen God en Christus van de plaats die hun in de gemeente toekomt.
Natuurlijk is er binnen de gemeente verschil in positie. Er zijn groten en minder groten. Jezus erkent dat volmondig in vs. 11. Natuurlijk is de verleiding van de macht het grootst voor de grootste. Hoewel - ook de minder groten kunnen een gemeente soms tyranniseren met hun opvattingen.
Maar dat hóórt niet. Binnen de gemeente ben je allemaal, welke positie je ook bekleedt, broeders en zusters.
In de kerkelijke wereld ontbreekt daar nog veel aan. Wat een machtsstrijd is daar nog, soms openlijk tot in de kranten toe, maar ook achter de schermen.
Wat een zoeken van aanzien en invloed.
Wat een manipuleren en dirigeren van anderen. De Here Jezus zal straks als Hij komt, nog heel wat hoogten moeten afbreken en nog heel wat kerkelijke managers die zichzelf verhoogd hebben, moeten vernederen.
Goede bedoelingen
In Matth. 23:13 zegt Jezus dat de Farizeeën en schriftgeleerden het koninkrijk der hemelen toesluiten voor de mensen. Natuurlijk bedoelt Hij niet te zeggen, dat ze die toegang opzettelijk blokkeren. Zulke schriftgeleerden waren er niet. Er is nooit één schriftgeleerde geweest die erop uit was de mensen buiten het koninkrijk der hemelen te houden. Integendeel. Het was juist hun opzet de mensen dat koninkrijk binnen te krijgen. Daar waren ze helemaal op gespitst. Dat blijkt wel uit vs. 15. Er was bij hen sprake van een grote inzet om de mensen het koninkrijk der hemelen binnen te krijgen. Ze hadden een sterk missionair elan.
Zelfs voor één enkele bekeerling hadden ze grote inspanningen over. Geen enkele Farizeeër of schriftgeleerde heeft ooit de deuren van het koninkrijk der hemelen dichtgegooid en gezegd: niemand mag erin.
Maar dat zegt Jezus ook niet. Hij beschuldigt hen er niet van, dat ze de mensen opzettelijk buitensluiten en rijp maken voor de hel. Hij heeft het niet over hun bedoeling - aan die bedoeling mankeerde niets - maar over wat ze daadwerkelijk doen.
In het gewone dagelijkse leven is het heel belangrijk iemands goede bedoelingen in rekening te brengen. Als iemand eens een keer iets zegt of doet dat verkeerd bij je valt, doe je er goed aan te bedenken dat hij het niet verkeerd bedóelt. Als we dat allemaal wat meer bedachten, zouden er heel wat minder wrijvingen en conflicten bestaan.
Uitgaan van elkaars goede bedoelingen is in de onderlinge omgang bijzonder belangrijk.
Maar er zijn ook situaties waarin mensen met al hun goede bedoelingen heel kwalijke dingen doen, fatale dingen soms. Dat was het geval bij de Farizeeën en de schriftgeleerden. Met al hun goede bedoelingen en in de volle overtuiging dat ze God dienden, blokkeerden ze de toegang tot het koninkrijk voor de mensen en maakten ze hen rijp voor de hel. In zo'n situatie doen goede bedoelingen niet meer ter zake. Dan is het nodig de vinger te leggen bij wat er gedaan wordt en dat aan de kaak te stellen. Dat doet Jezus hier. Hij zegt: al jullie bekeringsijver ten spijt gaan jullie zelf het koninkrijk niet binnen en versperren jullie de toegang voor de anderen.
Funest
Waarom was dat het geval? Omdat heel hun leer en onderricht doortrokken was van zelfrechtvaardiging. Ze meenden dat ze door hun leven naar de wet rechtvaardig waren. Maar wie denkt dat hij door zijn eigen vroomheid het koninkrijk moet binnengaan, gaat er juist niet binnen. En wie de mensen voorhoudt en leert, dat ze de toegang tot het koninkrijk door hun wetswerken moeten verwerven, belemmert hen binnen te gaan en sluit de ingang van het koninkrijk toe. Dat was er aan de hand en dat moest ontmaskerd worden.
Zo ingrijpend en funest is een leer die tegen het hart van het evangelie ingaat.
Zo'n leer functioneert als een stalen rolgordijn dat de toegang tot een juwelierszaak afsluit.
Dat is ook vandaag nog zo. Een leer die het hart uit het evangelie wegsnijdt, door b.v. de realiteit van de opstanding van Christus eruit weg te redeneren, verhindert de mensen het koninkrijk binnen te gaan. Wie zo'n leer brengt, heeft niet de bedoeling om de toegang tot het koninkrijk af te sluiten.
Juist niet. Het is juist de bedoeling de mensen niet bij het evangelie weg te jagen. De bedoeling is echt wel goed. Maar in werkelijkheid breken ze het geloof af, zoals Paulus zegt van Hymenaeus en Philetus, die beweerden dat de opstanding al had plaatsgevonden (2 Tim. 2:18).
Natuurlijk was het ook hun bedoeling niet het geloof van de mensen af te breken. Het geloof in de opstanding paste niet in het griekse denken. Hymenaeus en Philetus wilden het geloof voor Grieken aanvaardbaar en mogelijk maken door een spirituele betekenis aan de opstanding te geven. Er zal natuurlijk geen echte, lichamelijke opstanding plaatsvinden, zeiden ze.
Maar het evangelie van de opstanding is wel waar, want we zijn immers in geestelijke zin opgestaan. Op zo'n manier kan men, met de bedoeling het geloof aanvaardbaar te maken, dat geloof juist afbreken en de toegang tot het koninkrijk voor de mensen afsluiten.
En wat te zeggen van de leer dat we door onze inspanningen het koninkrijk van God hier op aarde moeten realiseren?
Die leer is de moderne variant van de leer van de Farizeeën, dat een mens door zijn eigen wetswerken het koninkrijk der hemelen moet binnengaan.
Jezus zegt: met zo'n leer plavei je niet de weg naar het koninkrijk maar naar de gehenna, de hel.
Gehenna
Dat klinkt heel cru en niet erg tolerant.
Maar als Jezus zoiets zegt, doen we er verstandig aan dat niet naast ons neer te leggen.
Het is opvallend dat het woord gehenna (hel) behalve één maal bij Jacobus uitsluitend in de evangeliën voorkomt en dan nog uit de mond van Jezus.
De gehenna is typisch iets waar Jézus over gesproken heeft. Wat wil Hij er mee zeggen?
Het woord is afgeleid van het hebreeuwse gehinnom, d.w.z. het dal van Hinnom ten Zuiden van Jeruzalem.
Indertijd werden daar afgoden vereerd en zelfs kinderoffers gebracht.
Koning Josia had daar een eind aan gemaakt en het dal tot de vuilnisbelt, de mestvaalt, van Jeruzalem gemaakt, waar ook de kadavers terecht kwamen.
Op zo'n vuilnisbelt vindt doorlopend vuilverbranding plaats. Er brandt altijd wel ergens vuur. Het krioelt er ook van de maden en wormen. Het is echt een plaats waar de worm niet sterft en waar het vuur niet wordt uitgedoofd.
Die vuilstortplaats werd het beeld, het symbool, van de hel. Waarom? Omdat zo'n plaats onrein was. Alles sprak er van dood en ontbinding. Wie ermee in aanraking kwam, werd daardoor onrein.
En wie onrein was, mocht niet in de tempel komen. Hij kon niet deelnemen aan de offers en aan de gemeenschapsoefening met God.
Bij de hel moeten we dus niet denken aan een plaats waar echt vuur brandt en waar het letterlijk wemelt van wormen.
Dat vuur en die wormen horen bij het beeld. Ze zijn beeldspraak. Waar het om gaat is dit, dat de hel de situatie is waarin de gemeenschapsoefening met God absoluut en voor altijd onmogelijk is, waar de mens in volstrekte zin aan zichzelf overgeleverd is. Dat wil Jezus zeggen. De leer van de Farizeeën en schriftgeleerden leidt de mensen daarheen. Wie die leer volgt, komt tenslotte in een situatie terecht, waarin geen enkel contact met God meer mogelijk is en waarin men volledig op zichzelf teruggeworpen is.
Kermende meeuwen
Daar draait het op uit met de mens die het van zichzelf verwacht. Die houdt uiteindelijk alleen maar zichzelf over.
En precies zoals het eeuwige leven hier en nu al beginnen kan, zo kan er vandaag ook al een begin van de hel ervaren worden. Helemaal op jezelf teruggeworpen zijn en in een absoluut vacuum verkeren, is in de letterlijke zin een helse ervaring. De dichter Marsman heeft dat gevoeld en op een indrukwekkende manier onder woorden gebracht:
Ik sta alleen, geen God maatschappij
die mijn bestaan betrekt in een bezield verband.
Niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter slaan
en kermen als een meeuw tussen het zwarte wier.
Dat te pletter slaan gebeurt vandaag aan de lopende band. Onze westerse wereld ligt bezaaid met meeuwen die liggen te kermen tussen het zwarte wier van hun eenzaamheid en wanhoop.
Want eenzaamheid en wanhoop liggen in elkaars verlengde.
De middeleeuwse mens had een panische angst voor de 'hel als een brandende vuuroven. Zijn voorstelling van de hel was ireëel, omdat hij de beeldspraak letterlijk nam. De werkelijke hel is veel subtieler en heeft ook veel meer raakvlakken met het leven hier.
Het is de uiterste consequentie van het zélf je leven willen maken en daardoor aan jezelf overgelaten worden. Het is het opgesloten worden in een definitieve isoleercel, binnen de gecapitonneerde, geluiddichte wanden van je eigen bestaan, waar al je roepen en schreeuwen alleen maar door jezelf gehoord wordt en geen enkele respons meer kan krijgen.
Het koninkrijk der hemelen is daar het volstrekte tegendeel van. Jezus gebruikt daarvoor het beeld van een bruiloftsmaal, een feestmaal. En een maaltijd is in de Schrift het symbool van gemeenschapsoefening. Vandaar dat er in het Oude Testament sprake is van offermaaltijden en in het Nieuwe Testament van het avondmaal om de gemeenschapsoefening met God en Christus gestalte te geven. In het koninkrijk der hemelen zijn geen isoleercellen.
Daar liggen geen kermende meeuwen meer tussen het wier. Daar is sprake van een gemeenschap met God en met elkaar, die door niets meer verstoord kan worden. Dat koninkrijk is er voor wie zijn heil niet van zichzelf verwacht maar van Christus.
(wordt vervolgd)