De macht van het gebed (2)
1991-11-22
Licht en duister- Jaargang 35
- nummer 24
In Mark. 8, 27 lezen we van een hoogtepunt in het evangelie. Voor het eerst klinkt de belijdenis dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. Maar tegelijk wordt duidelijk, dat Petrus en de anderen niet weten wat ze zeggen. Ze zien alleen Jezus' grootheid. Ze hebben geen oog voor de noodzaak van zijn lijden. Onthutsend klinken hun de woorden in de oren over kruisdragen, zelfverloochening en levensverlies op de weg achter de Meester. Goede Vrijdag werpt zijn schaduw vooruit.
Onmiddellijk daarna is er dan het gebeuren op de berg, met drie van de twaalf discipelen als getuigen. De verheerlijking op de berg is a.h.w. een vooruitgrijpen op Pasen. Het is als een blik in Gods toekomst. Maar de weg daarheen zal moeten worden volbracht door de diepten heen. Het zal gaan met vallen en opstaan. Dat is voor Jezus zelf: kruis en opstanding.
Dat is voor zijn discipelen: Hem volgen op dat spoor!
En uit dat hemels licht gaat het dan ook weer de duisternis van deze wereld in. Aan de voet van de berg staat Jezus plotseling weer temidden van de werkelijkheid, die staat in het teken van de alles verlammende menselijke onmacht, het niet-kunnen.
Kunnen of niet-kunnen, dat is het sleutelwoord in deze geschiedenis. We komen het tegen in vs 18 over de discipelen, die de demon niet hebben kunnen uitdrijven. We horen het in vs 22 en 23 in het gesprek tussen de vader van de bezeten jongen en Jezus. En het keert tenslotte terug in de vraag van de discipelen in vs 28: Waarom hebben wij het niet gekund? Een verlammende onmacht, waardoor demonische, duistere krachten de overhand behouden.
De onmacht van kerk en wereld
Wat is er precies gebeurd? Terwijl Jezus met drie van zijn volgelingen op de berg vertoeft, zijn de negen achtergebleven discipelen in een netelige situatie verzeild geraakt. Een radeloze vader heeft hun hulp ingeroepen voor zijn wel uiterst meelijwekkende zoon.
Maar wat de discipelen ook proberen, het heeft geen enkel resultaat. De kracht van Jezus' Naam, waarin ze ziekten genazen en demonen uitdreven (Mk 6, 13), lijkt niet meer te werken.
En kennelijk is dit voor een aantal Schriftgeleerden aanleiding om hiervoor met de discipelen in dispuut te gaan. De negen worden bestormd met vragen en kritiek.
Wat zullen ze zich beroerd hebben gevoeld, dat ze zo afgaan voor het front van een grote menigte. Maar wat is er dan aan de hand? Jezus had hun toch volmacht gegeven om demonen uit te drijven in zijn Naam? Vanwaar hun onmacht?
Eén ding is duidelijk: hun volmacht om demonen uit te drijven en zieken te genezen was niet een tovermiddel. Het was niet een bepaalde techniek, die je onder de knie kunt krijgen en dan kunt toepassen wanneer je maar wilt.
Zou het kunnen zijn dat hun onmacht samenhangt met wat we lezen aan het slot van Mk 8, wat Jezus hun vertelde over zijn lijden en over de kruisweg, waarop zij Hem moeten volgen? Zullen ze daardoor niet behoorlijk zijn geschokt in het vertrouwen op de kracht van zijn Naam? En in die situatie van innerlijke onzekerheid wordt hun plotseling gevraagd een zieke en bezetene te genezen. Daarbij ook nog op de vingers gekeken door wantrouwige rabbijnen,die hun mislukking natuurlijk rechtstreeks op de Meester verhalen.
In die netelige situatie verschijnt Jezus zelf. Wat moet voor Jezus het kontrast enorm groot geweest zijn tussen die uren van hemelse harmonie in onmiddellijk kontakt met de Vader en aan de voet van de berg die konfliktsituatie.
Op de berg waren de hemelse geesten Hem zo heerlijk nabij. Hier kwellen weer de geesten van de afgrond.
Als Jezus hoort wat er aan de hand is, is zijn eerste reaktie een verzuchting: o ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Maar dat woord, daar en toen in een heel bijzondere situatie gesproken, reikt veel verder dan alleen die verzameling van mensen, de paniekerige discipelen, de vitterige Schriftgeleerden, de radeloze vader en zijn hulpeloze zoon. Het typeert de hele mensheid, gevangen in ongeloof en onmacht. Het typeert de wereld, die zichzelf geen vrede geven kan.
En in die wereld leeft de gemeente van Christus. Maar hoe? Wat stralen we uit in die wereld? Is er niet een ontstellend gebrek aan kracht en aan gezag?
Is er niet een schrijnend gebrek aan geloof om Jezus te verkondigen en de ban van de duisternis te breken en in zijn Naam tekenen op te richten van het Rijk dat Hij gevestigd heeft? Is onze prediking niet gebroken door onze kerkelijke verdeeldheid? Onze schuldige verscheurdheid? En blijft het niet bij praten en confereren en delibereren over wat er mis is en hoe het anders zou moeten?
En ondertussen raken steeds meer mensen vervreemd 'van het evangelie, raken op drift, komen in de greep van het materialisme of drijven mee met allerlei geestelijke stromingen die veel beloven, maar weinig bieden. En ook daarover kunnen we eindeloos praten en we schrijven weekbladen en boeken vol over het probleem van kerkverlating en secularisatie. Maar we ontplooien nauwelijks enige kracht om aan de afkalving van het kerkelijk leven weerstand te bieden. Met de wereld blijken ook wij onmachtig.
De macht van Christus
... hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Ja, dat is ook tegen ons gericht. Wij doen onze Heiland zuchten. Hij klaagt over de weerbarstigheid van kerk en wereld. Dat zuchten is de uitdrukking van het heimwee waarmee de Zoon verlangt naar het Vaderhuis, dat kort daarvoor voor zijn ogen even weer was opengegaan.
Maar desondanks is er bij de Heiland geen moment de gedachte om deze ongelovige mensheid en zijn kleingelovige discipelen de rug toe te keren.
Onmiddellijk daarna klinkt het bevel.
Brengt hem bij Mij! Jezus gaat zijn macht tonen. Ja, nog voordat Hij ook maar iets gedaan heeft, laat zijn invloed zich al blijken. Zodra de jongen bij Hem is gekomen, krijgt hij een vreselijke aanval. Tussen de discipelen en hun tegenstanders was Christus' macht een onderwerp van discussie.
Maar voor de demon, die deze jongen in z'n greep hield, is het een werkelijkheid. Hij voelt zich bedreigd en gaat in machteloze woede tekeer.
Hij wéét dat hij het verliezen gaat.
Midden in die spanning opeens zoiets als een doktersvraag: Hoe lang heeft hij dit al? AI jarenlang blijkt de jongen konstant in levensgevaar te verkeren.
Is het dus geen hopeloos geval? En dat moet je dan allemaal maar vertellen.
Terwijl ondertussen je kind met het schuim op de lippen over de grond kronkelt. De vader houdt het niet langer.
Als u iets kunt doen, help ons dan.
Het is een wanhoopskreet. Zijn vertrouwen in Jezus heeft door de onmacht van zijn discipelen een geduchte knauw gekregen. Gaat dit niet alle mensen-mogelijkheden te boven?
Zal ook de rabbi uit Nazareth hier niet machteloos staan? De man borduurt eigenlijk verder op het twistgesprek tussen de Schriftgeleerden en de discipelen.
In zijn vraag wordt de macht van Jezus ter discussie gesteld.
Jézus' macht wordt ter discussie gesteld.
Wat een intens trieste situatie eigenlijk. Demonen hoeven Jezus maar te zien of ze sidderen voor zijn macht. Maar de mensen vragen zich af wat Jezus eigenlijk kan. Staat Jézus' kunnen ter discussie? Zit het dáár op vast, dat vastgelopen situaties niet worden opengebroken? Man, roept Jezus uit, dát is het punt niet! Het zit vast op jou, op je geloof.
Onmacht is ongeloof
Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft. Dit woord is de kern van het verhaal. Hier komt het op aan. Hier wordt de onmacht van mensen aan de kaak gesteld als ongeloof, als gebrek aan vertrouwen, als blindheid voor de macht van God in Jezus Christus. Hier ligt de kern van het probleem van de nood van onze wereld. Hier wordt de zwakheid van de kerk ontmaskerd. Dat men niet beseft wat men aan Christus heeft. Dat men voor de uitkomst uit allerlei noodsituaties toch altijd maar weer begint met zoeken bij zichzelf of andere menselijke mogelijkl:leden.
Hoe breekt een mens hieruit? Let op de vader van die bezeten jongen. Hij geeft zich gewonnen aan Jezus. Wat heeft de vader zover gebracht? Het is het machtswoord van Jezus. Het is Jezus' belofte, die hem in beweging brengt. Zijn koninklijke machtswoord overweldigt hem. Het grijpt hem aan in zijn binnenste. Het trekt hem plotseling over de streep. Daardoor is hij bekeerd.
Hij belijdt zijn geloof. Maar het is een geloofsbelijdenis, die een innerlijke spanning kent. Een ondubbelzinnig ik geloof kan hij niet uitspreken. Hij wordt getrokken door Jezus' belofte en door de macht die Hij uitstraalt. Maar hij voelt tegelijk de duisternis van deze wereld aan hem trekken. De weerbarstige werkelijkheid, die Jezus' macht schijnt te logenstraffen en die verleidt tot ongeloof.
Wat is ongeloof? Geen vertrouwen hebben. Twijfelen aan de waarheid van Gods beloften. Ongeloof is Christus voor een praatjesmaker houden.
Ongeloof is schuld. Ongeloof is, ondanks alle woorden van God, denken dat we er in wezen toch alleen voor staan en het zelf moeten doen.
De vader uit het verhaal voelt zich te zwak aan dit ongeloof weerstand te bieden. En daarom kan hij zijn geloof alleen maar belijden in de vorm van een gebed: Ik geloof, maar kom mij te hulp in mijn ongeloof. Geloven, beseft hij, kun je alleen maar biddend doen.
En Christus laat geen bidder staan. Hij toont ogenblikkelijk zijn macht. Een laatste worsteling volgt, zo hevig, dat de dood van de jongen gevreesd wordt. Maar de demon moet zijn prooi loslaten. Jezus blijft overwinnaar.
Want Hij heeft de macht. En Hij houdt de macht. Die draagt Hij niet over aan zijn kerk. Hij houdt die zelf.
Geloof uit zich in gebed
Maar wel laat Hij zijn kerk daarin delen.
Daarin geven de slotverzen nog een verhelderend inzicht. Bij thuiskomst vragen de discipelen toch nog een nadere toelichting, waar het bij hen misgelopen was dat zij niet in staat waren de ban van de demon te breken. Het is opnieuw een vraag naar het kunnen. Waarom konden zij de werkelijkheid niet aan? Waarom konden zij de macht van de duisternis niet overwinnen? Waarom ging hun die kunst zo slecht af?
Deze vraag, ná wat er is gebeurd, getuigt van hardleersheid. En Jezus' antwoord spaart de discipelen niet. Dit geslacht, dit soort kan alleen verjaagd worden met gebed. Het is geen truc die je kunt aanleren. Het gaat erom dat je voortdurend biddend terugvalt op Christus en je beroept op zijn macht; dat je in een ononderbroken geloofsrelatie staat met Hem.
Het gebed - dat is het geheim van leven uit de overwinning. Ook vandaag!
Waar niet gebeden wordt, staat de kerk schuldig aan haar eigen onmacht.
Waar niet de Heer gesmeekt wordt Heer, zie ons aan in onze onmacht om onze kinderen bij U te houden.
Heer van de kerk, zie ons aan in onze onmacht om de eenheid van uw kerk terug te vinden! Zie ons aan in onze onmacht om de afkalving van het kerkelijk leven tegen te houden! Zie ons aan in onze onmacht om de wereld te ontrukken aan de demonische machten van chaos en ontreddering!
Waar niet gebeden wordt: Heer, wij kunnen niet! Maar U bent machtig! Dat geloven wij, Heer! Maar help ons in ons ongeloof! Help ons de vijand in onszelf te overwinnen, die ons er toe verleidt de werkelijkheid die we zien reëler te achten, dan de werkelijkheid die ons door U met gezag wordt voorgehouden.
Waar zo niet gebeden wordt, smékend gebeden wordt, individueel en door ons samen met elkaar, daar bevestigen we onszelf in onze onmacht. Er zijn geen trucs te leren om die te overwinnen.
Praten, schrijven, confereren, debatteren, organiseren - het helpt op zichzelf geen steek verder. Het bevestigt ons slechts in onze machteloosheid.
Maar Jezus, Hij is de Machtige. Geloof Hem! Acht Hem betrouwbaar. Ja, roep Hem aan om uw geloof te versterken.
Daartoe roept Hij ons in deze geschiedenis op. Want om dit geloof te leren is Jezus weer afgedaald van de berg tot een schare, die door haar ongeloof Hem doet lijden. En tot leerlingen die het geloven nog beter moeten leren.
En daartoe is Hij opgestaan uit de dood als de grote Overwinnaar om ons te laten delen in zijn kracht. Om tekenen op te richten van het Rijk dat is en dat komt! Hij kan dat doen. Ook vandaag!
Ook in uw leven! Ook in deze wereld! Als er maar een kerk is die bidt en die veel van Hem verwacht. Als we maar bidden: We geloven, Heer!
Kom ons te hulp in ons ongeloof.