Boekbespreking

1991-11-22
  • Jaargang 35
  • nummer 24
De Eeuw in ons hart
A. Th. van Deursen. De Eeuw in ons Hart. Negenentwintig opstellen over geschiedenis, geschiedschrijving en geschiedbeleving. Uitgeverij van Wijnen.
Franeker. 1991.272 pp. prijs' 45,-

Prof. Dr. Van Deursen zal voor regelmatige lezers van "Opbouw" geen onbekende zijn. Hij is als historicus aan de V.U. verbonden, maar heeft op vele plaatsen lezingen gehouden en in heel uiteenlopende bladen gepubliceerd, waaronder ons blad. Een aantal van zijn boeken, zoals 'Kopergeld in de zeventiende Eeuw', heeft van vele kanten hoge lof ontvangen.
'De Eeuw in ons Hart' is een verzameling korte en langere 'opstellen', die met zijn vak van geschied-beoefening te maken hebben. Ze werden gebundeld en uitgegeven ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag, afgelopen juni. Behalve de tweede bijdrage in het boek, 'De Vrije Universiteit en de Geschiedwetenschappen' , die ik ook in de bundel 'Wetenschap en Rekenschap.
Een Eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit', Kok, Kampen, 1980, heb staan, was de inhoud van de bundel me onbekend. Dat is dus het eerste om op te merken: van de inhoud zal maar een deel aan de gemiddelde lezer bekend zijn.
In de tweede plaats valt op dat er een wijde keus aan thema's aan de orde komt. Ik noem er een paar: 'Het belang van de kerkelijke archieven', 'De Zaak Goeree: over geschiedenis valt te twisten', 'De Republiek in buitenlandse handboeken', 'Nadere Reformatie en geschiedbeoefening', 'Wat heeft de geschiedenis aan de gereformeerden te zeggen?', 'De pretenties van de micro-geschiedenis', 'De uitgave van de correspondentie van Groen van Prinsterer' en 'De grenzen van de vrijheid'. Oplettende lezers weten nu dat ik twintig artikelen niet bij naam en toenaam heb vermeld.
Is deze opsomming dus al onvolledig, moeilijker wordt het nog om de inhoud van het gebodene te bespreken. "Een recensie moet in de eerste plaats kort weergeven, wat een auteur te zeggen heeft. Maar wat doe je dan, als die auteur zijn thema's zo kiest, dat noch de materie, noch wijze van behandeling zich voor een beknopte samenvatting leent?" Die opmerking van Van Deursen bij het werk van een eminente collega (p.76) is ook wel enigszins van toepassing op zijn eigen bundel met zijn·zo diverse onderwerpen.
Hoe doe ik die verscheidenheid aan noties en notities voldoende recht? De negenentwintig bijdragen richten zich niet steeds op dezelfde doelgroep; sommige zijn bedoeld voor vakhistorici, andere voor een "algemeen geïnteresseerd publiek".
Bijna zeker zal de gemiddelde lezerdus niet de "beroepshistoricus" - zijn of haar keuze bij het lezen laten bepalen door persoonlijke voorkeur, aktualiteit, of mogelijk zelfs, de lengte. Het valt op dat er nog wat korte stukken in de bundel staan, niet zelden de inhoud van een 'ingezonden brief' aan een krant, meestal NRC-Handelsblad. (Dat geldt voor een bijdrage over de "Oranjeherdenking"
in 1984; eveneens een . reaktie op de zaak Goeree in 1985; ook een aardige, en vinnige, reaktie op de rechterlijke uitspraak over de film ‘ The Last Temptation of Christ", onder de titel "Theologie op de Bioscoopstoei"
en, curieus, een door NRC/ Handelsblad geweigerd 'ingezonden' over de rechtzaak tegen de Chr. Geref. ds. Van Amstel: "Terug naar de regentenheerschappij".) Er zijn echter ook bijdragen aan de kolommen van Trouwen de Volkskrant te vinden.
Steeds opnieuw betoont Van Deursen zich een principieel en geharnast strijder, met name tegen het trekken van verkeerde konklusies uit historisch onderzoek en tegen 'grensoverschrijdingen' in de rechtspraak, als een rechter oordeelt over iets dat principieel niet tot zijn competentie behoort.
We treffen ook (niet-polemische) columns aan die in het Nederlands Dagblad zijn gepubliceerd. Daarmee heb ik, meen ik, alle artikelen uit dagbladen genoemd.
In dit alles heb ik nog niet gemeld dat de eerste bijdrage in de bundel een drietal artikelen bevat, die Van Deursen voor 'Opbouw' heeft geschreven, al in 1975. Ik verheugde me daarover!
Daarnaast zijn er ook redevoeringen, bijdragen aan vakbladen en enkele 'huldigingen' van verdienstelijke vakbroeders of -zusters. De stijl is steeds helder en aangenaam leesbaar.

Bijna iedere bijdrage bevat behartenswaardige zaken of eenvoudigweg informatie die de gemiddelde niethistoricus (en ook de gemiddelde welhistoricus!) gewoon niet weet. Een greep uit het gebodene:
• Gangbare ideeën over de motieven waarom arme mensen in de zeventiende eeuw zich vaak tot de Gereformeerde Kerk bekenden, worden ontrafeld.
Vermeld wordt onderzoek van Franse historici naar zeventiende eeuwse tuchtprocedures in de Languedoc en de Palts en de konklusies, die men daaruit kan trekken. (111. Het belang van kerkelijke archieven.)
• De dominante motieven in de geschiedenis van onze Gouden Eeuw.
naar de mening van twintigsteeeuwse buitenlandse historici, in Franstalige, Duitstalige en Engelstalige handboeken. Plus vermelding van bepaalde zakelijke onjuistheden in hun weergave. (X. De Republiek in buitenlandse handboeken.)
• De redenen waarom we Simon Schama's bekend geworden boeken, zoals Overvloed en Onbehagen, toch wel kritisch op hun vooronderstellingen en methodiek moeten bekijken. (bijdrage XX)
• De wens van Groen van Prinsterer, dat zijn correspondentie bewaard en uitgegeven zou worden, omdat hij door zijn tijdgenoten werd doodgezwegen.
"Daarom wilde hij in beroep gaan bij het nageslacht." (p. 238) We lezen ook de reaktie van Groens vriend Mackay op het verschijnen van Ongeloof en Revolutie. (opstel XXVII)
• Er wordt gesproken over de openingszinnen in boeken van de Engelse romanschrijver Wilkie Collins (waarbij een aantal van de minder bekende romans van zijn hand ook wordt geciteerd) en de implicaties ervan. (opstel VII. Dode of levende medemensen.)
• We lezen over de redenen waarom aan de VU pas in 1918 leerstoelen in de geschiedeniswetenschap werden gesticht. En over het karakter en werk van hoogleraren in die geschiedwetenschap sinds 1918. (opstel 11.)
• De bedoeling van werkelijke geschiedenis: "deel hebben aan de ervaring van vorige generaties; weten hoe ze geleefd hebben en waarvoor ze leefden; hun recht doen in hun bedoelingen ... De gestorvenen mogen we evenmin belasteren als de levenden.
Je moet de waarheid over hen spreken." (p.87)

Tot slot. Leest u dit boek vooral niet, als u helemaal niet in de geschiedenis geïnteresseerd bent! U dient u dan op dit punt wel te bekeren, maar wellicht gaan de eerste stappen op de 'bekeringsweg' beter met een eenvoudiger boek dan deze bundel op uw schoot.
Bent u wel in "geschiedenis, geschiedschrijving en geschiedbeleving" geïnteresseerd, dan is dit een erg aardige bundel voor u. Waarbij moet worden opgemerkt dat een zekere kennis van de (vaderlandse) historie en bekendheid met historici wel helpt! Verkeert u niet in die positie, dan is het zeer wel denkbaar dat Van Deursen u "over de streep trekt" en u door deze bundel een diepere motivatie voor de studie van de geschiedenis bijbrengt.
Tenslotte, het boek is keurig uitgegeven.
De prijs is aan de forse kant, maar de lezer krijgt waar voor zijn geld.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief