Een kerk vol nachtegalen

1991-11-22
  • Jaargang 35
  • nummer 24
De vorige keer luisterden we naar één lied van de Wittenbergse nachtegaal (gezang 402). Op het eerste gehoor een heel persoonlijk lied, maar toch zo algemeen dat het moeiteloos door een koor van nachtegalen kan worden overgenomen.
Moeiteloos, als we eerst de moeite willen nemen ons de mooie melodie eigen te maken!
Hans Joachim Moser sprak van een "welgevormd klein meesterwerk der melodiekunst"; het is een melodie die de tekst in sterke mate ondersteunt. Bij Luthers liederen moeten we ons een heel ander tempo voorstellen dan bij het Geneefse Psalter. Wie een lied als dit in marstempo inzet, struikelt al gauw over de melismen ('riedeltjes') en is na twee coupletten buiten adem, terwijl hij er dan nog acht te gaan heeft. Deze liederen zijn bedoeld om langzaam en gedragen te worden gezongen.
Dat het zingen van zo'n gezang alleen een feest kan worden als we er een rijk gevarieerde beurtzang van maken (mannen, vrouwen, jongeren, linkerrij, rechterrij, koor, gemeente), zal duidelijk zijn. De cultuurarme dominee die probeert er enkele coupletjes uit te stelen als plaatjes bij zijn preek, merkt dat het niet meevalt een keus te maken. Want gezang 402 in het Liedboek vormt één verhaal: een verhaal dat wil worden uitverteld.

Hemelse reidans
Maarten Luther was een Meistersänger.
Dat wil zeggen dat hij niet alleen de tekst schreef, maar er op zijn luit een eenstemmige melodie, de cantus firmus, bij maakte (in het geval van 'Nun freut euch' hebben we overigens niet te maken met de oorspronkelijke wijs). Tekst en melodie gaf hij dan aan een man van het vak, die er een vierstemmige 'reidans' omheen componeerde.
In die tijd werd de cantus firmus, de eerste stem, gezongen door de tenoren, de sopranen zongen de derde stem (nu de tenorpartij). De muziek bracht Luther tot verrukking: "Hier kun je nu wel met verbijstering de volmaakte wijsheid van God in zijn wonderwerk, de muziek, ondergaan, zonder het te begrijpen. Eén stem die de melodie draagt, en de andere stemmen die daar wonderbaarlijk doorheen spelen, er omheen juichen en haar met de allerlieflijkste bewegingen versieren en om haar heen als het ware een goddelijke reidans opvoeren; wie daar ook maar iets van ondergaat, moet wel ontdekken dat er in de hele wereld niets wonderlijkers bestaat.”
Een ander citaat, een hymne bijna: "Ik heb de muziek lief, en mij bevallen de dwepers niet die de muziek verdoemen.
Omdat de muziek een geschenk is van God en niet van mensen, omdat zij de zielen vrolijk maakt, omdat zij de duivel verjaagt, omdat zij onschuldige vreugde verwekt.
Daardoor verdwijnen de aanvallen van toorn, de begeerten, de hoogmoed.
Ik geef aan de muziek na de theologie de eerste plaats.
Dat blijkt uit het voorbeeld van David en de profeten, omdat zij alles wat ze te zeggen hadden hebben overgeleverd in verzen en liederen.
Ik heb de muziek lief, omdat zij heerst in de tijd des vredes.
Volhardt daarom, en het zal deze kunst bij de mensen na ons beter gaan, omdat zij in vrede leven.
Ik prijs de vorsten van Beieren daarom, omdat ze muziek maken.
Bij ons in Saksen worden de wapenen en het geschut gepredikt."

Jeugd
In zijn voorrede op de bundel Geistlichte Lieder (1524) schrijft de onstuimige kerkvader: "De melodieën zijn vierstemmig gezet, en wel om geen andere reden dan dat ik graag zou willen dat de jeugd, die toch in de muziek en andere ware kunsten absoluut behoort te worden opgevoed, iets heeft om van de minneliederen en vleselijke zangen (hardrock en heavy metal, JHK) af te komen en in plaats daarvan iets heilzaams leert, en zo met vreugde - die jonge mensen toekomt!- het góede ingang vinde.
Ook omdat ik niet van mening ben dat door het Evangelie alle kunsten moeten vernietigd worden en moeten vergaan, zoals enige overgeestelijken beweren. Ik zou juist alle kunst, in het bijzonder de muziek, graag in dienst willen zien van Hem die ze gegeven en geschapen heeft. Ik smeek daarom iedere vrome christen dat hij hierin behagen mag hebben en, als God hem zulke gaven verleent, dit zal helpen bevorderen. Overigens is gewoonlijk iedereen veel te traag en te vergeetachtig om de arme jeugd te trekken en om te ontdekken dat men niet tot traagheid aanleiding mag geven. God schenke ons zijn genade.
Amen."
Wat zou Luther er een plezier in hebben gehad, als hij de jeugd van vandaag bij de gitaar had horen zingen uit de Youth-for-Christbundel, Uit aller mond of Opwekking! AI zou deze en gene melodie afgeketst zijn op zijn muzikale trommelvliezen, en al zou deze of gene tekst zijn gewoonlijk ove.r de Schriften gebogen wenkbrauwen hebben doen fronsen.

Zingende gemeente
Luther had met zijn liederenbundels een didactisch oogmerk. Vier weken geleden citeerde ik al uit zijn brief aan de hoftheoloog Spalatinus (jaarwisseling 1523/24), ik geef nu een vollediger citaat: "Het plan bestaat om naar het voorbeeld van de profeten en de oudste kerkvaders psalmen in de volkstaal te schrijven, opdat Gods Woord door het te zingen onder het volk bekend blijft.
Wij zoeken derhalve overal naar dichters.
Daar gij zonder twijfel het vermogen hebt om u sierlijk in het Duits uit te drukken, hetgeen gij door veelvuldige oefening nog verfijnd. hebt, smeek ik u hierin met ons samen te werken en te beproeven de een of andere Psalm om te zetten in een lied. Ik zou echter willen dat nieuwe en hoofse woorden worden weggelaten, opdatnaar de bevatting van het volk - ailereenvoudigste en heel gewone, doch tegelijk zuivere en passende woorden zullen worden gezongen en de betekenis duidelijk en zo dicht mogelijk bij de Psalmen worde weergegeven. Hier moet derhalve vrijheid zijn om, wanneer de betekenis van de Psalm begrepen is, woorden los te laten en door andere, gemakkelijke, te vertalen."
Het ideaal dat de reformator voor ogen stond was: de zingende gemeente. De eeuwen waarin het verzamelde volk had moeten luisteren naar het latijnse gezeurzang van priester en priesterkoren en zelf bij hoge uitzondering eens een sequentie, een trope of een leis mocht zingen, hadden lang genoeg geduurd. Als het waar was dat de toegang tot Gods troon voor iedereen vrij was door het bloed van zijn lieve Zoon - en het wás waar - dan werd het de hoogste tijd dat de gemeente rechtstreeks haar hart tot God ging verheffen.
In een voorrede op het gezangboek van Valentin Babst in 1545 schrijft de enthousiaste reformator: "De dichter van Psalm 98 spoort ons aan tot het zingen van een nieuw lied.
Daar is ook alle reden toe. Want God heeft ons hart vrolijk gemaakt door zijn lieve Zoon, die Hij voor ons gegeven heeft tot verlossing van zonde, dood en duivel. Wie dat in ernst gelooft, kan het niet laten vrolijk te zijn en met blijdschap daarvan te zingen en te spreken, zodat ook anderen het horen en er op afkomen.
Wie daar echter niet van zingen en spreken wil, laat duidelijk zien dat hij niet gelooft en dus niet onder het nieuwe, vreugdevolle verbond thuishoort, maar onder het oude, dat zijn waarde verloren heeft en daarom slechts onbehagen wekt. Daarom doen drukkers er verstandig aan goede liederen met ijver en sierlijkheid te drukken, opdat de mensen het mooi vinden en hun geloofsvreugde wordt geprikkeld, zodat men graag zingt."

Vrouwenstemmen
Tot degenen "die daar niet van willen zingen" en door Luther naar het oude testament worden verbannen, rekende de lang niet altijd verdraagzame reformator ook Zwingli, de Zwitserse kerkhervormer.
Zwingli, de zeer muzikale Zwingli, die echter meende dat gezang in de kerk niet thuishoorde, daarvoor te frivool was. Hij heeft zijn gemeente daarmee ongetwijfeld ernstig te kort gedaan. Maar of hij daarom thuishoorde in het oude verbond, zoals Luther meende? In de tempel van Salomo zou Zingnie zonder twijfel een veel vreemdere eend in de bijt zijn geweest dan in het sobere Zwitserland.
Voorzag Zwingli wat later in de Lutherse kerken zou gebeuren: dat een te sterke nadruk op kunstige zang en muziek tenslotte leidt tot een maximum aan koorzang en een minimum aan gemeentezang - een stapje terug in de richting van Rome? Maar als koren zich in dienst willen stellen van de gemeente (b.v. zoals Calvijn de kinderen gebruikte om de volwassenen de psalmmelodieën te leren), bestaat dat gevaar niet.
Wij kunnen ons er geen voorstelling van maken hoe een diepe indruk het zingen van de gemeente maakt op oren die daar niet aan gewend waren.
Alleen al het feit dat onder de priesters - hoe verwijfd sommigen ook waren - nooit een vrouwenstem had geklonken, maakte het luisteren naar het 'gemengde' gezang van het volk tot een lust voor het oor.
Gérard Roussel, de latere bisschop van OIoron, schrijft in 1525 uit Straatsburg een brief aan bisschop Briçonnet van Meaux, waarin hij vertelt dat de inwoners van Straatsburg, na bijeenkomsten in de vroegte van vijf tot zes uur en daarna weer om zeven uur, om ongeveer acht uur samenkwamen in een grotere kerk, "hetgeen gepaard gaat met liederen die uit het Hebreeuwse Psalmboek in de volkstaal zijn overgezet, waarbij de stemmen van de vrouwen zich zo wonderlijk schoon vermengen met die der mannen, dat het een vreugde is er naar te luisteren. In dezelfde kerk is om vier . uur, na de maaltijd, weer een dienst, waarbij het wederom vóór en na de preek niet ontbreekt aan liederen, alsof zij daarin de genade vragen bekwaam te mogen zijn om het zaad van het evangelie te ontvangen (gezang 326:5! JHK) en na dit ontvangen te hebben daarvoor dankzeggen."
Een andere getuigenis hebben we van de Nijmeegse humanist Gerardus Geldenhauer, die dienstreizen maakte naar Duitsland om de aard van de Hervorming te onderzoeken. In februari 1529 schrijft hij uit Straatsburg: "In de kerken is onder het zingen de ingetogenheid en harmonie zó groot, dat daarmee vergeleken alle zangen van nonnen en monniken terecht gebrom, lawaai en gejank kunnen worden genoemd."
In de drie jaren die Johannes Calvijn in Straatsburg doorbracht als predikant van de Franssprekende gemeente, maakte hij kennis met deze wijze van zingen in de Duitssprekende kerken. Het was daar dat hij het plan opvatte van een berijming van de 150 Psalmen in het Frans.

Uitbouwen
Wat zijn we rijk. Een rijkdom om uit te bouwen en op woekerrente te zetten.
In de kerkdiensten, op gemeenteavonden, in kringen en verenigingen, in de huiskamer.
In de huiskamer? In de keuken mag ook. Want God heeft ons hart vrolijk gemaakt door zijn lieve Zoon! Halleluja!

Literatuur (o.a.:)
H. Hasper: Calvijns beginsel voor de zang in de eredienst (De Vuurbaak, Groningen).
C.P. van Andel: Tussen de regels, de samenhang van kerkgeschiedenis en kerklied (Boekencentrum, 's-Gravenhage).
J.T. Bakker: Luther in de spiegel van zijn liederen (Kok, Kamper Cahiers).

Rectificatie
In het arikel 'De Wittenbergse Nachtegaal (1)' staat vlak boven het kopje 'Paulinische Psalmen' de volgende zin: "Maar het zijn vooral Luthers liederen die in de kerken van de Reformatie bekend en geliefd zijn geworden."
(Opbouw, blz. 394).

'In de kerken van de Reformatie' moet zijn: 'in de begintijd van de Reformatie'.
In 'De Wittenbergse Nachtegaal (2)' (Opbouw, blz. 413) staat vlak boven het kopje 'Vruchtbaar': "Door de Heilige Geest wil Hij onze Meester zijn en door die Geest zet Hij zijn werk met onze handen voort." Hieraan moet de volgende zin worden toegevoegd: "Onze handen in de zijne kunnen veel grotere dingen doen dan waartoe ze van zichzelf in staat waren."

Overigens mijn fouten, niet die van de drukker.

JHK

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief