Rouwen duurt vijf jaar
2010-10-29
Hoe is het, als ziekte en dood in een familie toeslaan? Hoe leef je verder met verlies, met een lege plek? Wat beteken je als familieleden voor elkaar? Hoe reageren mensen uit de kerk? Wat merk je in zulke dagen en jaren van God?- Jaargang 54
- nummer 21
Daarover praten we met drie generaties van de familie Vrijmoeth/Lenstra uit Houten: Maria (75), Cary (52) en Saskia (26). De vierde generatie, Elise van acht maanden, komt er aan het eind ook even bij. Ze praat nog niet, maar ze lacht wel steeds. En dat is ook veel waard.
| Niets wees erop dat het zo snel zou gaan. Hans Vrijmoeth uit Zwolle was zeventig toen hij overleed, op 15 februari 1997. Hij had nooit wat. Die kerstvakantie was hij nog druk aan het verbouwen geweest bij zijn dochter. Maar hij hoestte en voelde zich moe; toch maar eens naar de dokter. Een penicillinekuur hielp niet. Begin januari volgde de diagnose: kanker had een nier, de lever en de longen aangetast. Niet meer te behandelen. Vijf weken later overleed hij. Zijn vrouw Maria bleef alleen achter. Alle zes kinderen waren de deur al uit. Datzelfde jaar nog werd zijn schoonzoon Henk Lenstra uit Houten – veertig jaar – ernstig ziek. Een tumor in de hersenen. Drie, hooguit vier jaar had hij nog te leven, zeiden de artsen. Het werden er tien – lange perioden waarin het goed ging, afgewisseld met bestralingen en chemokuren. In maart 2007 een operatie en daarna was er goed nieuws: het was gelukt de tumor bijna in z’n geheel weg te halen. Een week later sloeg de boodschap om: de overgebleven cellen waren zeer agressief. Op 21 juli van dat jaar overleed hij. Zijn vrouw Cary bleef achter met vier kinderen, de jongste zestien jaar. ‘Ze zeggen: rouwen duurt vijf jaar. Dat is geen onzin. Je kunt allerlei dingen niet meer. Eten koken, meer dan één ding tegelijk doen, je concentreren. Voordat ik weer een beetje plezier in dingen kreeg… dat heeft het zeker vijf jaar geduurd’, zegt Maria Vrijmoeth, die dertien jaar geleden haar man verloor. ‘Vóór de laatste operatie heeft Henk ziekenzalving ontvangen. Dat gaf hem zo’n diepe vrede. Hij moest daarna revalideren; dat was zwaar. Hij ging aftakelen, raakte functies kwijt, hij kon op het laatst niets meer. Maar hij heeft geen moment van opstandigheid meer gehad’, vertelt Cary Lenstra, die drie jaar geleden haar man verloor en dertien jaar geleden haar vader. ‘Ik ben na een jaar ingestort. Al die tien jaar had ik steeds weer hoop opgebouwd en dan kwam er weer een klap. Ik was boos op God en jaloers, dat papa bij Hem was en niet meer bij mij’, vertelt Saskia Smienk, die op haar twaalfde haar opa verloor en tien jaar later haar vader. Zij trouwde vlak voor haar vader overleed. Hij wilde die dag nog zó graag meemaken. En dat is gebeurd. Nog net. |
Maria: ‘Het was een overval. Mijn man was altijd zo gezond en actief. Toen zijn ziekte was vastgesteld was het binnen vijf weken afgelopen’.
Cary: ‘Het was een donderslag bij heldere hemel. Hij hijgde wel wat toen hij bij ons aan het verbouwen was; het was ook zwaar werk. Ik vroeg hem of het wel ging, maar hij buffelde door’.
Saskia: ‘Ik had nooit het gevoel dat opa oud was. Hij was altijd actief en stoeide met ons. Het sloeg enorm in, dat hij zo ziek was. We gingen naar hem toe en daar lag hij alleen nog maar op de bank. Een wereld van verschil’.
Cary: ‘Eind januari hebben we toen een familieweekend gehouden, met op zondagochtend een viering waar we met z’n allen afscheid hebben genomen. Dat was heel bijzonder. We zijn als kinderen heel verschillend; dat kwam daar ook naar voren. De een deed iets met muziek, de ander had een verhaal’.
Saskia: ‘Voor ons als kinderen was het heel heftig om stil te staan bij zijn afscheid. Verder heb ik dat weekend toch vooral genoten van de gezelligheid’.
Maria: ‘In de begrafenisdienst hebben alle zestien kleinkinderen een kaarsje aangestoken. En ze waren allemaal in het wit. Dat wilde mijn man graag, vanuit de tekst “Wie overwint, zal bekleed worden met witte kleren”, uit Openbaring’.
Drie jaar geleden
Anders dan bij Hans Vrijmoeth, ging bij zijn schoonzoon Henk Lenstra een lange ziekteperiode aan zijn overlijden vooraf.
Cary: ‘In 1987 had hij een zware epileptische aanval gehad. Bij onderzoek bleek toen dat er “iets” in de hersenen zat. Hij bleef onder controle en het ging goed; eigenlijk waren we het vergeten. Maar na het overlijden van mijn vader kreeg hij last van uitvalsverschijnselen, trillingen, verlies van gevoel in z’n benen. Er werd een scan van zijn hoofd gemaakt. We kregen niet het woord “tumor” te horen, maar wat er zat was groter geworden, zeiden ze, en moest worden weggehaald. “De operatie is riskant, het kan je dood worden”, zei de neuroloog niet erg tactisch.
Kapot waren we ervan. Uit het ziekenhuis zijn we ergens gaan zitten langs de Lek en hebben we het bij God gebracht. ’s Avonds hebben we vrienden gevraagd te komen en hebben we met elkaar gebeden. De volgende dag hoorden we dat de operatie al binnen een week gedaan kon worden, terwijl ze het eerst hadden gehad over een wachtlijst van een paar maanden. Dat zagen we als een bemoediging.
Bij die operatie werd zestig procent van de tumor verwijderd. Maar er bleven cellen achter: drie, hooguit vier jaar had hij nog te leven, was de prognose. Het werden er tien. Er waren wel steeds behandelingen nodig. Bestralingen na twee jaar, in 2006 chemotherapie, toen die operatie in maart 2007. Daarna zijn we nog naar Leuven geweest voor immuuntherapie wat toen in de experimentele fase was. Het hielp niet meer. Toen moesten we het echt opgeven.
En toen was er nog maar één ding belangrijk: de bruiloft van Saskia op 16 mei. Daar wilde hij nog zo graag bij zijn’.
Saskia: ‘Hij wilde me graag de kerk in leiden. We hebben veel geoefend, stapje voor stapje. Maar dat ging niet. Uiteindelijk kwam hij in z’n rolstoel de kerk in en ik liep naast hem’.
Cary: ‘Hij was zó ziek. Het stortregende ’s ochtends vroeg op de trouwdag. Maar daarna brak de zon door; hij knapte op en hij is er de hele dag gewoon bij geweest. Het toespraakje dat we samen hadden voorbereid, heeft hij helemaal zelf kunnen houden. Het was een wonder!’
Saskia: ‘En het werd een geweldige dag, een uitbundig feest. Ik voelde me heel erg dankbaar. En ik heb heerlijk gedanst op het feest ’s avonds, al kon hij daar niet meer bij zijn’.
Cary: ‘Twee weken later hebben we met de hele familie rondom zijn bed afscheid genomen. “Laten we een toost uitbrengen op het nieuwe leven”, zei ik – het leven na de dood. Hij zou het beter krijgen. En hij dronk wat bier, met een rietje’.
Saskia: ‘Eigenlijk was het te moeilijk om te doen. Maar ook zo mooi’.
Cary: ‘Daarna heeft hij toch nog zes weken geleefd. Hij had een ziek hoofd op een kerngezond lijf; dat gaf het niet op. Maar praten ging op het laatst niet meer. Dat vond ik moeilijk. Wat gaat er nu in je om, dacht ik dan’.
Ziekenzalving
Allebei, Hans en Henk, vroegen ze tegen het eind van hun ziekteperiode om ziekenzalving. Cary: ‘Omdat we geloofden dat God een wonder kon doen. En dat Hij, wanneer je bidt, gaat geven, hoe dan ook. En we deden het ook gewoon omdat het in de Bijbel staat, in Jacobus’.
En allebei, Maria en Cary, vertellen ze over een bijzonder beeld dat ze kregen bij de ziekenzalving. Cary: ‘Henk zag een toneel, waar het doek opging voor een nieuw bedrijf. Onze hoop was natuurlijk dat dat in dit leven, op aarde zou zijn. Maar het betekende dus zijn nieuwe leven bij God. Precies drie jaar na die ziekenzalving is Elise, mijn kleindochter, geboren. En daarmee is ook weer een nieuw bedrijf begonnen. Toch een stukje van Henk dat weer doorgaat’.
Bij Maria was het een droom in de nacht na de ziekenzalving. ‘Eigenlijk wachtte ik op een wonder. Maar ik droomde dat ik aan een rivier stond, en aan de overkant stonden onze ouders, van mijn man en van mij. Ze zwaaiden en wenkten: “Kom over, Hans, je hoort nu bij ons!” Dat was voor mij een teken om hem los te laten. Dat gaf toch rust: God had me gehoord, al ging het anders dan ik wilde’.
Na het overlijden
Cary: ‘Je stapt het duister in. Ik had het gevoel dat ik een groot stuk van mezelf was kwijtgeraakt. Ik wist soms niet meer waar ik was, ik vergat van alles. Na driekwart jaar vond ik mezelf weer wat terug. De zomer kwam eraan en ik kon weer nadenken over de vakantie. Dat moest ook wel voor de kinderen. En eind vorig jaar begon er weer een nieuwe fase. De kinderen zijn inmiddels alle vier de deur uit. Nu leef ik dus echt alleen in huis. Dat ben ik nog steeds aan het leren’.
Saskia: ‘Ik zat in de brugklas toen papa ziek werd. Ik had een sterk zorggevoel, ik heb altijd veel geholpen thuis. Toen hij overleed, had ik niemand meer om voor te zorgen. Ja, mezelf, maar dat vond ik moeilijk. Na een tijdje heeft God mijn boosheid toch weggenomen en me rust en vrede gegeven; dat kwam echt niet van mezelf. Hij hielp me papa los te laten. Wat mij heeft geholpen was de ontdekking dat verdriet en vreugde naast elkaar mogen bestaan. Het hele leven hoeft niet grijs te worden; er mag zwart en wit zijn. Dat was voor mij echt een ommekeer. Ik kreeg weer zin in dingen; ik kreeg ruimte voor mezelf om aan zwanger worden te denken; dat had ik eerst helemaal niet. En als het verdriet toch weer opkwam, was het ook goed’.
Maria: ‘De rouwmomenten komen onverwacht. Je hebt echt een leuke dag gehad, je komt thuis en dan is het weer helemaal mis. Of bij een bepaald lied in de kerk ben je ineens in tranen’.
Cary: ‘O ja, dat heb ik ook nog’.
Maria: ‘Het duurt lang voor dat wegblijft, voor je ertegen kunt. Maar na een poos is het net of je weer een stukje jonger wordt’.
Saskia: ‘Het was de eerste zaterdag van de zomervakantie toen mijn vader overleed. Dat weekend voel ik elk jaar weer. Het is alsof je lichaam heeft opgeslagen wat er toen is gebeurd’.
Cary: ‘Het is heel zintuiglijk inderdaad. In een bepaalde tijd van het jaar valt het licht op een bepaalde manier in de kamer. En dan zie ik weer het bed van Henk in de kamer, in dat licht’.
De omgeving
Maria: ‘Je krijgt veel meer behoefte aan contacten met anderen. Want het wezenlijke contact met je man mis je’.
Cary: ‘Mensen kunnen wel eens onbeholpen reageren. Na anderhalve maand vragen: “Gaat het alweer een beetje?” Maar ik neem het niemand kwalijk. Ik heb gelukkig wel vrienden en vriendinnen die trouw zijn. Die niet op jou wachten (“Je mag altijd komen hoor, als je behoefte hebt”), maar die zelf jou bellen.
Want als je rouwt kun je geen initiatief nemen.
Er was een vriend die voorstelde als afleiding een keer een avondje naar het theater te gaan. Leuk idee! Maar de dag ervoor kreeg ik het spaans benauwd: “Ik wil dit helemaal niet! Ik wil met Henk!” En ik heb hem afgebeld. Gelukkig begreep hij het. Als je rouwt ben je ook een moeilijk mens om mee om te gaan’.
Saskia: ‘Wat ook lastig is voor mensen, is dat rouw in fasen verloopt. Het is niet zo dat het na een tijd weer beter gaat, en dat het dan steeds beter wordt. Je zakt soms ook weer helemaal terug’.
Maria: ‘Het is moeilijk voor een ander om verdriet te zien, erbij te zijn, zonder iets te willen oplossen.
Mensen denken al gauw dat ze iets opbeurends moeten zeggen. Dat kan niet iedereen en dat hoeft ook niet. Als ze er maar zijn en willen luisteren’.
De generaties
Ze vertellen alle drie hoe ze elkaar, door de generaties heen, hebben kunnen steunen. Op verschillende momenten kon de een er voor de ander zijn.
Cary: ‘Het overlijden van mijn vader ging zo snel. Het accepteren duurde daarna nog lang. Ik vond het zó oneerlijk. Het was mooi om de rust bij mijn moeder te zien, hoe zij het wel accepteerde. Dat hielp’.
Saskia: ‘En mama heeft mij weer geholpen. De eerste tijd was ik veel bij haar en toen ik het later moeilijk kreeg, was zij weer sterker’.
Maria: ‘Henk heeft in zijn ziekteperiode wel eens gezegd dat hij zoveel aan mijn man had gehad: hoe die ermee omging toen hij met ziekte en dood werd geconfronteerd. “Dat is mijn voorbeeld”, zei hij’.
Saskia: ‘Zo is papa voor ons als kinderen ook een enorm voorbeeld: zijn immense vertrouwen op God’.
Maria: ‘Toen mijn man was overleden en thuis opgebaard lag, zei mijn kleindochter van vijf jaar: ik wil opa een kusje geven! Ik zei: dat mag wel, maar het is niet fijn hoor, opa voelt koud en stijf aan. Nou, dat gaf niet. Even later kwam ze terug: ik heb opa drie kusjes gegeven! Maar haar broer van negen wilde opa niet eens zien. Dat was ook goed’.
Wim Houtman is lid van de NGK Ede en redacteur bij het Nederlands Dagblad.