Als de dood dichtbij komt

2010-10-29
  • Jaargang 54
  • nummer 21
Dit jaar vierden Hans en Karin de Noord uit Drachten samen met familie en vrienden hun 25-jarig huwelijksfeest. Ondanks het grote aantal gasten was het duidelijk merkbaar dat hun zoon Roel er niet bij was. Of was hij op een bepaalde manier wel nadrukkelijk aanwezig?

Voor Hans en Karin stond het vast dat zo’n dag niet zonder Roel kon. Karin: ‘Het feest was niet compleet zonder de bewoners, hun ouders en het personeel van ’t Skûtsje, het huis waar Roel zijn laatste jaren heeft gewoond’. Hans: ‘Onze dag begon ook met Roel. ’s Morgens zijn wij eerst samen naar het graf geweest’.

Roel is op 22-jarige leeftijd overleden. Wisten jullie dat hij niet oud zou worden?
‘Daar heeft geen enkele arts iets over gezegd. Wel wisten wij altijd dat hij kwetsbaar was. Hij is geboren na een zwangerschap van 29 weken. Waarschijnlijk heeft hij bij de geboorte een hersenbloeding gehad. De eerste dagen van zijn leven was hij heel ziek en kreeg hij meerdere hersenbloedingen.
Ook is hij een aantal malen gereanimeerd vanwege hartstilstanden. Na vijf dagen vroeg de arts: “Zal ik bij een volgende hartstilstand maar niet meer reanimeren of wilt u een zwaar gehandicapt kind?” Onze uitdrukkelijke wens was om te blijven vechten voor zijn leven. Vanaf dat moment ging het beter, hoewel Roel zwak bleef. Lopen bleek onmogelijk. Praten lukte evenmin, hij kon alleen maar met veel moeite ja en nee zeggen en communiceren met behulp van zijn spraakcomputer. Natuurlijk hielden we er altijd rekening mee dat hij niet oud zou worden. Daarom hebben we elke minuut intens met hem geleefd. We hebben hem bijvoorbeeld meegenomen naar voetbal, naar het schaatsen in Thialf, naar Euro Disney en zelfs een rit in een Ferrari voor hem geregeld. Roel genoot daarvan, net als van de kampen van Dit Koningskind’.

Weten jullie hoe Roel zijn handicap zelf heeft ervaren?
‘Roel was een rasoptimist, altijd opgewekt. Als je hem vroeg of hij gehandicapt was, was het antwoord “Nee!”. Het deed ons wel eens zeer als we zagen wat andere jongens van zijn leeftijd deden, maar we weten niet of Roel die pijn ook voelde. Zijn begrip is waarschijnlijk niet verder gekomen dan dat van een kind van zes jaar. Toch begreep hij veel. Al heel vroeg kwamen er mensen – vaak juffen – bij ons thuis die uit de Bijbel vertelden en met hem zongen. Dat vond hij geweldig. Ook van de aangepaste catechisaties en kerkdiensten genoot hij. Hij begreep wie zijn Vader in de hemel was en op Hem vertrouwde hij volledig. Hij wilde dan ook graag belijdenis doen, samen met zijn zus Mirjam. Heel bijzonder was dat hij na de vragen veel duidelijker “ja!” zei dan op welk ander moment ook’.

Waren jullie in staat om Roel alle verzorging te bieden die hij nodig had?
‘Dat werd steeds moeilijker. Daarom is op een bepaald moment met behulp van een Persoonsgebonden Budget de lichamelijke verzorging overgenomen door drie zusters uit onze kerk. In 2003 kon hij in ‘t Skûtsje gaan wonen. Dat was een hele stap, maar zowel wij als Roel waren eraan toe. Uiteraard gingen wij heel vaak naar hem toe en het eerste jaar kwam hij elk weekend nog thuis. In ‘t Skûtsje heeft hij een mooie tijd gehad, alleen het laatste jaar was zwaar voor hem. Als je hem vroeg of hij naar de Here Jezus wilde, was er weer zijn duidelijke “ja!”. Op 15 april 2008 ging die wens in vervulling. In zijn slaap is hij heel rustig naar zijn Heiland gegaan’.

Hoe gingen jullie om met dit verlies?
‘De eerste week was heel bijzonder. In ‘t Skûtsje was voelbaar dat Roel een belangrijke plaats had ingenomen. De ontroerende reacties van de andere bewoners waren voor ons heel troostvol.
Op zijn kamer ontdekten we een tegeltje, dat hij van zijn zus had gekregen. Daarop stond de tekst uit 1 Samuël 16:7, over God die niet – zoals mensen – naar het uiterlijk, maar naar het hart kijkt. Daar heeft de dominee toen over gepreekt. In die samenkomst hebben de bewoners van ‘t Skûtsje Roels lied ”Samen in de naam van Jezus” gezongen. Dat was indrukwekkend’.

En na die eerste week?
‘Dan blijft het verdriet, maar dat wordt getemperd doordat we weten dat Roel nu verlost is van al zijn beperkingen. Wel staan we anders in het leven. Waar je schat is, is ook je hart. Dat levert soms tegenstrijdige gevoelens op. Aan de ene kant hang je minder aan het leven hier, omdat je graag naar hem toe wilt. Aan de andere kant zijn er de momenten dat je hem zo graag weer bij je wilt hebben. Nog steeds zijn wij intensief betrokken bij ’t Skûtsje, wat van beide kanten goed voelt. Wat we jammer vinden is dat veel mensen het moeilijk vinden met ons het gesprek aan te gaan over Roel’.

Wat zouden jullie die mensen willen adviseren?
‘Ga gewoon naar mensen toe die getroffen worden door een groot verdriet. Stel je vragen en luister. Je krijgt dan vaak geen verdrietig verhaal te horen, want het gaat over het leven van de overledene.
Het vertellen van dat verhaal geeft iedere keer weer een opluchting. En vooral als je leeft op basis van het geloof is het brengen van zo ’n bezoek zo gemakkelijk. Neem je Bijbel mee, lees een stukje en bid. Dat doet erg goed, ook al gebeurt het stamelend’.

Als de dood dichtbij komt, maakt dat diepe indruk. Naast Hans en Karin waren ook anderen bereid hun ervaringen te verwoorden.

‘ … wat voor meisje zou Emma geworden zijn?’
Margé Buitinga-Ploegman uit Enschede:
‘Als ik het telefoonnummer herken, die zaterdagavond in februari 2003, slaat mijn hart een slag over. Het is het nummer van onze oudste zoon en schoondochter.
Hun zwangerschap is bijna voldragen. De klank van de stem van onze zoon smoort gejuich in de kiem. De baby is nog niet geboren en al wel gestorven. Na een lange nacht hoor ik dat Emma is geboren. Die zondagmorgen zijn we bij onze verdrietige, moegestreden kinderen, met naast hen het wiegje met de mooiste baby van de wereld, zo koud, zo dood.
Dan komt de begrafenisdienst. Die dienst, waaraan door veel mensen met zoveel liefde inhoud wordt gegeven, is een nieuwe ervaring. Als ik daaraan terugdenk, zie ik nog het beeld van onze kinderen die het kistje met Emma droegen. Ik hoor het lied dat onze tweede zoon zong, de muziek die vrienden maakten. Ik denk aan het zingen van het lied “Heer U bent altijd bij mij”, een lied dat ik nu pas, na zoveel jaar, zonder tranen kan zingen.
Ik herinner me de preek over Psalm 139, een preek vol troost over God die er is en er zal zijn. Die troost is er steeds geweest in de afgelopen jaren. Na Emma zijn drie gezonde zonen geboren. En toch, het blijft, het verlangen, het zo graag willen weten: wat voor meisje zou Emma geworden zijn?’

‘Vanaf het begin zijn onze kinderen betrokken geweest bij het afscheid.’
Jill van der Mark-Idzinga uit Wageningen:
‘Op 16 augustus overleed mijn lieve vader, tien maanden nadat we hoorden dat hij slokdarm-maagkanker had, met uitzaaiingen naar de kleine hersenen. In die periode was onze zoon Boaz drie jaar en werd onze dochter Mirjam geboren. Vanaf het begin zijn onze kinderen betrokken geweest bij het afscheid. Daar kreeg ik vragen over: “Neem je hen dan gewoon mee…?”
Wat me op is gevallen, is hoe “kinderlijk ontspannen” Boaz met de situatie omging. Zeker ook omdat mijn vader zo optimistisch bleef. Toen mijn vader niet meer kon lopen en een scootmobiel kreeg, was daar zijn enthousiasme om samen met “pake” (opa in het Fries) een ritje te maken.
Zelfs toen mijn vader bedlegerig was geworden, was er geen schroom bij Boaz om nog even lekker tegen pake aan te kruipen. Omdat we wisten dat mijn vader zou sterven, sprak ik er regelmatig met Boaz over. Het boek Jong verlies van Riet Fiddelaers-Jaspers heeft me geholpen hem ook te betrekken in de afscheidsdienst en de crematieplechtigheid. Boaz vond het prachtig om de bloemen en knuffels op de kist in de lijkwagen te leggen en daarna zelf in een “deftige auto” te mogen rijden. Hij heeft naast mij gelopen bij het binnenbrengen van de kist en samen met mijn man één van de drie kaarsen aangestoken. Mirjam lag rustig in haar kinderwagen. Het was goed dat ze er tot het allerlaatste afscheid bij waren.’

‘Het heeft ons als gezin heel hecht gemaakt.’
Een andere reactie:
‘Vijf jaar geleden stierf mijn man plotseling aan een hartstilstand. We waren erbij, maar konden niks doen. Daar stond ik op ons vakantieadres, samen met drie kinderen. De wereld stond stil ….
Vanaf het eerste moment wist ik instinctief: voor de kinderen moet dit goed afgesloten worden, deze traumatische ervaring moet vanaf het begin een plek krijgen. We hebben veel samen gedaan, bijvoorbeeld de kist uitgezocht, de kleren gekozen die papa aan moest, samen een bloemenhart gemaakt, maar vooral samen gehuild, gepraat, gebeden en boos en verdrietig geweest. Wel wisten we zeker: voor papa is het goed. Hij was een kind van God, dat liet hij zien en horen.
Vijf jaar later kijken we terug op moeilijke jaren. We missen hem nog iedere dag. Hij was een geweldige man en papa. We praten er nog vaak over. Het heeft ons als gezin heel hecht gemaakt. De tijd rond het overlijden van mijn man was een heel bijzondere. Een tijd om nooit te vergeten.’

‘Thuis afscheid nemen in een warme en informele sfeer’
Marian Kaldewaij uit Rotterdam:
‘Vorig jaar augustus overleed onze zoon Bart, totaal onverwachts en op tragische wijze. Mijn zus en broer raadden mij aan om hem thuis op te baren. Het leek hun niet goed om hem alleen in een kil mortuarium te kunnen zien. Toen mijn vader in 1993 overleed, heeft mijn moeder hem ook thuis opgebaard. Ik vond dat heel moedig van haar, maar mij leek het geen fijne gedachte een lijk in huis te hebben. Een van mijn dochtertjes had er ook moeite mee.
Ik probeerde voor mezelf na te gaan wat ik wilde en het bleek dat ik Bart nog graag zolang en zoveel mogelijk wilde kunnen zien. Ik ben blij dat ik de beslissing heb genomen de raad van mijn broer en zus op te volgen. Het was fijn dat we hem zo vredig konden zien liggen. Heel veel mensen hebben thuis afscheid van Bart kunnen nemen in een warme en informele sfeer.
Ik kan het iedereen aanraden om op die manier afscheid van een geliefde te nemen.’

‘ … elke dag bereid zijn de Here te ontmoeten …’
J.H. Alberts uit Utrecht:
‘Als je 88 jaar bent, weet je dat je in de voorste gelederen staat en dat de Here je zo kan wegnemen. Alleen wist ik dat op m’n achttiende ook al. Dat was in 1940. Mede omdat ik net als ons hele gezin betrokken was bij het verzet, was het leven wel erg broos geworden.
Nu had ik een gelovige tante, tante Anna, en ik was haar jochie. Tante wist wel waar ik me mee bezig hield en elke keer als ik bij haar kwam, kon ze niet nalaten me toe te voegen: “Jochie, pas toch op, wees toch voorzichtig”. Toen heb ik een keer tegen haar gezegd:
“Tante Anna, nu bent u zo’n gelovige vrouw en toch maakt u zich elke keer weer zoveel zorgen. Wat kan mij nu overkomen? Ze kunnen me hoogstens pakken en doodschieten. Nu, wat dan nog?” Daar had tante niet van terug.
Ik wil maar zeggen: als je je in geloof aan de Here hebt overgegeven, dan mag dat geen theoretische aangelegenheid zijn. Je mag genieten van elke dag die de Here je geeft, maar je moet ook elke dag bereid zijn de Here te ontmoeten wanneer Hij je tot Zich roept.’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief