‘Ik maak mijn reispapieren klaar’
2010-10-29
Op 13 september 2010 werd Willem van Twillert begraven, 62 jaar oud. In de twee-en-een-half jaar van zijn ziek-zijn heeft hij voor zijn begrafenis alles zorgvuldig voorbereid. ‘Wij wisten precies wat papa wilde’.- Jaargang 54
- nummer 21
Vijftig jaar geleden maakte ik, dertien jaar oud, voor het eerst een begrafenis mee, van mijn opa. In de straat hingen witte lakens voor de ramen, dragers met hoge hoeden droegen de kist, we zongen psalmen – ‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenhêen – en het ging in de dienst veel over God, maar nauwelijks over opa.
De laatste tijd gaat het vaak anders: Liedboekgezangen, Psalmen voor Nu, Opwekking, een kist met geschilderde handen van de kleinkinderen, kinderen die de kist dragen, een trompet bij het graf, als je achter de kist daar naartoe loopt, kindertekeningen in het graf. En vaak wordt in de kerk het levensverhaal van de gestorvene verteld, soms aan de hand van foto’s of filmfragmenten.
Zo veranderen onze christelijke begrafenissen. En soms maak je daar dingen mee, waarvan je denkt: zo wil ik het ook, of: dat wil ik aan anderen doorgeven. Zo verging het mij met wat ik hoorde over Willem van Twillert (GKv) uit Bunschoten-Spakenburg.
Hemels
Zijn vrouw Henny: ‘Vanaf het eerste moment van zijn ziekte sprak Willem tegen iedereen open over zijn verwachting van God door de dood heen. Hij is direct naar al zijn collega’s gegaan en heeft verteld over zijn ziekte, zijn naderende dood en zijn vertrouwen op God. Hij heeft persoonlijk afscheid genomen van iedereen: Adieu! Want de dokter dacht toen dat hij geen drie maanden meer zou leven. Dat heeft op iedereen, ook op al die jonge jongens op zijn werk, ook de moslims diepe indruk gemaakt. En dat heeft hij overal gedaan: in de kerkenraad, bij de muziekvereniging, de historische vereniging.
In een brief aan heel veel mensen heeft hij verteld over de sluipmoordenaar – leverkanker – die zijn leven was binnengekomen. Maar ook: “Ik ben niet overgeleverd aan het noodlot, maar mijn leven ligt in de hand van de Here, die een gouden toekomst belooft aan allen die in geloof bouwen en vertrouwen op het werk van Zijn Zoon, de Here Jezus Christus”.
Maar die drie maanden zijn dertig maanden geworden. Hij heeft dat beleefd als een toegift van God. Hij heeft nog zoveel kunnen genieten. En hij praatte er met iedereen gewoon over: over de hemel, hoe het daar zou zijn. Daar zag hij naar uit. Niet naar het sterven zelf: hij moest wel die poort door. Maar daarna. Het waren gewoon hemelse gesprekken’.
Waarom ik niet?
Dochter Tiny: ‘Zoals papa in zijn gezonde jaren heel open was over zijn geloof, zo was hij dat ook in zijn ziekte. Hij getuigde van de liefde van God die hij uit de Bijbel kende en die hij in moeilijke tijden in zijn leven had ervaren. Papa twijfelde niet. Ik heb de mensen altijd verteld dat je op de Here moet vertrouwen, waarom zou ik dan nu gaan twijfelen? Hij zei ook nooit: waarom ik? Maar: waarom zou ik geen kanker krijgen? Ik sterf geen dag te vroeg en geen dag te laat. Zijn openheid en rust en vertrouwen hebben het voor ons – dwars door al het huilen heen – zoveel makkelijker gemaakt’.
Dochter Ada: ‘Toen hij nog maar net ziek was, kwam ik op zijn kamer en zag ik dat hij al met zijn begrafenis bezig was. Ik riep: ‘Papa, wat bent u aan het doen!’ Maar dat was voor hem heel gewoon. Als je op reis gaat, heb je je reispapieren nodig. Die ga ik nu klaarmaken.
Hij wilde geen toespraken op zijn begrafenis. Daar moest God centraal staan. Hij zei tegen mij en mijn zussen en broer: Schrijf me allemaal maar een brief met wat je op mijn begrafenis zou willen zeggen. Zelf heeft hij ook ieder van ons een aparte afscheidsbrief geschreven. Hij wilde ook geen bloemen op de kist. Als je ze wilt geven, geef ze me dan nu maar, zei hij’.
Koetsje
Henny: ‘Hij heeft een paar gesprekken gehad met de begrafenisondernemer om alles door te praten. Hij heeft zijn broers en schoonzoons en Wouter gevraagd hem in de kist op de schouders te dragen. Ik zie ze er nog met elkaar over praten: grote mannen huilend met de armen om elkaar heen. Hij vroeg schoonzoon en timmerman Chris om een ruwhouten kruis te maken voor bij het condoleren. En hij overlegde in de zon in de tuin met hem over het soort kist dat hij wilde. Dat was heftig, maar goed. Schoonzoon Frans die in de bloemen zit, moest een lauwerkrans maken: de “kroon des levens” uit Jacobus 1. En hij wilde in een koetsje de gang naar de begraafplaats maken. Hij hield van die oude dingen, maar hij deed het ook voor de kleinkinderen. Dan hebben ze ook een feestelijke herinnering aan deze dag, zei hij.
En Wouter, onze zoon, moest de kaart maken. Die was klaar, toen hij stierf. Alleen moest de datum nog ingevuld worden. Ook de bedankkaart en de foto daarop – de begraafplaats vanuit een ballon gezien – heeft hij zelf klaargemaakt. En de adressen op stickers. En toen de laatste sticker klaar was, is hij gestorven. Het was een emotionele tijd, vol tranen. Maar voor hem en voor ons ook een rijke en onvergetelijke tijd’.
Zelf al meegemaakt
Tiny: ‘Op de liturgie voor het “dankuur” in de kerk heeft hij bij alle liederen en muzikale bijdragen aangegeven, voor wie hij het had uitgezocht en waarom: dit is voor Henny, dit voor Ada, dit voor mij, dit voor Eefje, dit voor Henk-Jaap die al eerder is gestorven, dit voor de gemeente, dit voor de dorpsgenoten. Als we het allemaal hadden moeten zingen en beluisteren, had de dienst wel drie uur geduurd. De laatste week voor het sterven heeft hij dat allemaal met ons doorgesproken. Hij zei: ik heb het in mijn hoofd zelf al helemaal meegemaakt. Dat was heel heftig, maar ook heel mooi’.
Ada: ‘En hij gaf ook heel precies aan, hoe het moest gaan in de kerk: de kist niet op het podium, maar tussen de gemeenteleden. Voor de dienst een zwart kleed over de kist, na de dienst een wit kleed: je gaat naar het graf als een mens wiens zonden vergeven zijn.
Hij vond het fijn om dingen te regelen. Vroeger bereidde hij weken van tevoren de hele vakantie voor, van dag tot dag. Hij heeft het ons allemaal graag uit handen willen nemen. Het klinkt misschien heel erg regieachtig, maar het was heerlijk dat er zoveel klaar was. Het was ook niet zo dat hij niks uit handen kon geven. Hij gaf juist alles uit handen aan God. En hij heeft ook alles met ons overlegd en iedereen ingeschakeld’.
Tiny: ‘Wij hebben het als een groot voordeel beleefd dat papa zoveel had voorbereid. Anders hadden we bij alles moeten vragen: wat zou papa hebben gewild, en dan denkt de een dit en de ander dat. Je hoort soms dat dat problemen geeft na een overlijden. Bij ons was het duidelijk wat hij wilde. We hoefden ons daar niet om te bekommeren. Het was klaar’.
Voor wie meer wil lezen over Willem van Twillert: www.willemvantwillert.tk en www.gewoontiny.blogspot.com (17 aug.- 9 okt. 2010).
| Hier wordt écht begraven Op 27 januari 2009 werd Joop Bronsveld begraven, 83 jaar oud. Kinderen en kleinkinderen bedekten de kist met zand. Zoon Gijs Bronsveld (Nederlands Gereformeerd, Doorn): ‘Ik hoorde van een gemeentelid die bij een Joodse begrafenis had meegemaakt hoe het hele graf vol aarde werd geschept. Hij zei: die mensen begraven écht. Dat haakte bij mij: hier wordt écht begraven, hier wordt iemand écht aan de aarde toevertrouwd, overgegeven. Bij het voorbereiden van de begrafenis van mijn vader heb ik het idee op tafel gelegd om de kist met aarde te bedekken, nadat die in het graf zou zijn gedaald. Zo is het ook gebeurd. Met de naaste familieleden die er voor voelden zijn we achter gebleven bij het graf en hebben we met elkaar het graf gevuld tot de kist niet meer te zien was. We waren met een man of vijftien en de schoppen gingen van hand tot hand. We hebben dat ervaren als een heel gemeenschappelijk gebeuren: samen begroeven we onze vader, schoonvader, opa en broer. Zand en schoppen liggen er overigens niet vanzelf; dat moet je wel organiseren. Het geluid van de klappen van het zand op het deksel van de kist was heel confronterend: dof, donker, hol. In het gooien van de scheppen zand op de kist zat ook iets van agressie tegen de dood waaraan je je niet wilt overgeven: een uiting van verzet tegen de dood, die een vijand is, die zo wordt begraven. Maar ook het markeren van het afscheid: weten dat dit stuk echt is afgesloten. Iedereen had achteraf een goed gevoel dat we het zo hebben gedaan. We zijn gestopt toen de kist bedekt was met aarde. In het rouwcentrum zaten de andere mensen die bij de begrafenis waren, te wachten. En het volscheppen van het graf had al gauw drie kwartier geduurd. Bovendien: toen je de kist niet meer kon zien, hadden we iets van: het is goed zo. Wat ik ermee wilde uitdrukken, was bereikt. Begraven, met aarde bedekken confronteert je met de dood in al zijn zwartheid. En naarmate je de dood dieper in de ogen kijkt, komt de opstanding uit de dood die God zijn kinderen belooft, des te sterker in het licht te staan’. |
| Geen zand erover, maar graan erover Op 28 september 2009 werd Johannes Pieter van Santen begraven, 87 jaar oud. Nadat de kist was gedaald, werden er graankorrels op de kist gestrooid. Schoonzoon Wim Sluijs (Christelijk Gereformeerd, Antwerpen): ‘Ik liep er al jaren mee in mijn hoofd. Hier in België maak ik meestal begrafenissen van ongelovigen of rooms-katholieken mee. Vaak kun je dan een handje zand op de kist gooien. Of een takje. En meestal blijft de kist boven de aarde staan. Ik heb steeds gedacht: dat moeten wij als protestantse christenen toch veel mooier kunnen doen, bijvoorbeeld door graankorrels op de kist te strooien. Graan symboliseert sterven én opstanding. Ik denk aan het woord van de Here Jezus: ”Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft …draagt hij veel vrucht.” En aan het woord van Paulus: “Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt.” (1 Kor. 15: 36-49) Toen we na het overlijden van mijn schoonvader bij elkaar zaten om de begrafenis te regelen, heb ik het voorgesteld. Iedereen reageerde daar direct positief op. Een van de schoonzussen heeft voor twee bakken met graan gezorgd en nadat de kist was gedaald, kon iedereen die dat wilde graankorrels op de kist gooien. Veel mensen deden dat. En je snapt, hoe dat gaat met de achterkleinkinderen: die strooiden met handen vol. Het was een blij en dankbaar gebeuren rond het open graf. Wat mij betreft zou het ook subtieler mogen: een schaal met graan, waarbij iedereen een paar korreltjes op de kist strooit. Dat is als getuigenis duidelijk genoeg: graan als teken van het sterven én van het nieuwe leven dat wacht. Naarmate de ontkerkelijking voortschrijdt, is het goed dat christenen bij een open graf niet alleen laten horen, maar ook laten zien, waar ze in geloven. Zichtbaar maken, dat God aan zijn kinderen nieuw leven belooft door de dood heen. Geen zand erover, maar graan erover. Als een getuigenis naar niet-gelovigen: zo zeker als graankorrels die in de aarde gezaaid worden, sterven en daarna volle korenaren voortbrengen, zo zeker is het dat deze broeder of zuster die nu gestorven en begraven is, na de dood zal opstaan’. |
| Jij bent zo kostbaar in mijn ogen Op 16 april 2010 werd Eva van Beuzekom begraven, 12 jaar oud. Tijdens de dienst stond haar doopkaars voor de kist. Predikant Jan van Atten (Nederlands Gereformeerd, Langerak): ‘Het was een wens van de ouders Wim en Mirjam om de kaarsen die ze bij de doop van Eva en van hun andere kinderen hadden gekregen, bij de kist neer te zetten. Eva’s broer Sven en zus Amy staken ze aan. Het mooie daarvan vond ik dat zo Gods verbond, waarvan de doop het teken en zegel is, in herinnering werd geroepen. De kaars wees op Gods belofte: dit is mijn kostbaar kind, naar het woord uit Jesaja 43: ”Jij bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol, en ik houd zo veel van je.” Zo stond het op de liturgie. Ik heb bij de begrafenis gezegd: Gods woord van trouw is het enige dat Eva toekomst geeft. Jezus zei over Abraham die al lang tevoren was gestorven: “God is niet een God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven zij allen.” Ook van Eva geldt: ze is veilig in de dood, want Gods verbond reikt tot over de grenzen van de dood heen. Bij de begrafenis keken we terug naar de doop als basis tot voorbij het sterven. Maar in het gebed bij de doop van kinderen kijken we al vooruit naar het sterven en bidden we dat het kind zonder angst voor Gods rechterstoel zal kunnen verschijnen. En ook al werden ze bestormd door vragen, dat gold echt voor Wim, Mirjam en Eva: er was geen angst voor de dood. Eva zei kort voor haar sterven: “Ik weet wat God wil, Hij wil dat ik bij hem kom”. In de liturgie stond een klein blauw briefje afgedrukt met daarop in Eva’s handschrift het reddend evangelie: Jezus leeft! Dat is hét bewijs dat de dood haar niet kan vasthouden. God is niet een God van doden!’ Voor wie meer wil lezen over Eva van Beuzekom: www.beuzeville.nl. |
Ad de Boer is redacteur van Opbouw en lid van de NGK Voorthuizen/Barneveld.