Gebed uit Sarajevo
1992-07-03
Heer, dank U wel dat de verbinding met U niet is verbroken! Ik heb de duty-room op de eerste verdieping, waar we via fax en telefoon bereikbaar waren, moeten verlaten. Zijn we nu van de buitenwereld afgesloten? Maar U kan op elk willekeurig moment aangeroepen worden en ik geloof dat U luistert. U zult het de komende dagen wel iets drukker krijgen.- Jaargang 36
- nummer 14
Mijn vierentwintiguursdienst in de duty-room zat er nog niet op. 's Morgens om half zes werd ik daar wakker van zeer hevige schotenwisselingen. De opmerkelijke rust van de afgelopen dagen was opeens voorbij. Om ons eigen Rainbow-hotel heen werd zwaar gevochten. Het was nog niet eerder zó dichtbij. Er werd omgeroepen dat iedereen op z'n kamer moest blijven. Ondertussen namen de gevechten snel in hevigheid toe. Vlakbij explodeerden mortiergranaten.
Dat hadden we wel eerder meegemaakt, maar het kwam nu allemaal tegelijk en zo snel. Fluitende projectielen, enorm gedreun, trillende ramen. Wie had het in vredesnaam op wie gemunt? Kunt U het ons duidelijk maken?
Om acht uur mochten we snel ontbijten en zat ik in een volle eetzaal. Opeens was daar de eerste granaatinslag! Glas stoof kletterend de zaal in, achteraan zag ik een rookwolk. We doken weg en liepen snel de zaal uit, richting hal. Daar maakten we opnieuw inslagen mee. Glas kletterde voor mijn idee overal om ons heen. Ik hield m'n armen voor mijn hoofd. Op de trap naar de kelder was het dringen. We stonden er erg kwetsbaar, vlak bij de ramen.Bang en verdwaasd dat wij werden aangevallen.
Waren we overmoedig geweest, om zo lang te denken dat het ons niet zou gebeuren?
U leerde ons, Heer, een pijnlijke les.
Nu zit ik, met een kleine driehonderd man, in de schuilkelder. Iedereen blijkt aanwezig. We ervaren het allemaal, ook de ervaren militairen, als een wonderdank U wel! - dat er geen gewonden of doden zijn gevallen. We horen nog steeds explosies. Een aantal voertuigen van ons zou in brand staan en met name de hogere verdiepingen van het gebouw worden zwaar getroffen, nu ook met tankgranaten. We moeten waarschijnlijk uren beneden blijven. Midden in de middag moeten we snel de meest waardevolle papieren en spullen van onze kamers halen en ook onze slaapzak, helm en scherfvest. Met spanning in m'n lijf hol ik naar de tweede verdieping, terwijl in het trappenhuis de wacht naar buiten tuurt. Het gebouw is zwaar beschadig.
Door de gebroken ruiten kijkend vang ik een glimp op van uitgebrande voertuigen en van het huis naast het hotel, dat nu half ingestort is. Op mijn kamer zijn alle ruiten stuk. Glas ligt tot in m'n bed. Na het allernodigste bijeengeraapt te hebben, loop ik haastig en bezweet terug naar de kelder. Je doet nu de dingen die je moet doen, maar het is allemaal zo onwezenlijk. Ik had nooit gedacht dat ik zoiets zou meemaken.
En waar bent U in dit alles? Als U er hoe dan ook niet los van staat – en dat belijd ik - hoe moet ik dat als geestelijk verzorger dan uitleggen? In de goed ingerichte schuilkelder is het erg benauwd. Velen van ons houden zich rustig door op de krappe, maar efficiënte stapelbedden te liggen. Buiten is het nog steeds zeer onveilig: er zijn af en toe zware explosies te horen. We zijn overigens niet van de buitenwereld afgesloten: de fax en telefoon heeft men naar beneden kunnen halen. We zullen in Nederland wel het hoofdnieuws vormen. En dan, drie hoog liggend op mijn stapelbed, krijg ik opeens post uitgereikt.
Iemand heeft de postzak die gisteravond aangekomen was, naar beneden gehaald. Brieven en kaarten van thuis en van anderen. Een fantastische ervaring onder deze omstandigheden. Dank U wel, Heer, voor de familie en de vrienden!
We eten van Franse gevechtsrantsoenen en drinken Zweeds mineraalwater.
Er is één gewoon toilet en drie chemische. Een paar wachten zijn uitgezet, maar die moeten zich soms terugtrekken omdat er gericht op hen geschoten wordt. Zolang we in de kelder zijn, voelen we ons wel veilig en we maken het ons maar zo gerieflijk mogelijk. Heb ik nu, als geestelijk verzorger, opeens meer werk te doen? Ik weet het niet.
Voor zover ik het kan overzien, neemt het aantal mensen dat naar U vraagt, niet toe. Wel gaan de gesprekken die ik voer, nu dieper en heb ik af en toe de gelegenheid op U te wijzen. In elk geval voel ik mij, samen met de aalmoezenier, helemaal in de groep opgenomen en delen we elkaars gedachten. We liggen tussen de soldaten en korporaals in.
Ook een paar Bosnische vrouwen vind ik om mij heen, en het dertienjarige dochtertje van één van hen, Alma. Ze doet me aan m'n eigen kinderen denken. Zo gaan we de nacht in. Ik denk aan een stukje uit uw Boek, dat voor deze gelegenheid gereserveerd lijkt. Ik hef mijn ogen op naar de bergen; vanwaar zal mijn hulp komen? Niet van de mooi ogende bergen rondom Sarajevo, van waaruit we beschoten zijn! Maar mijn hulp is van U, Heer, die hemel en aarde gemaakt hebt. Red ons uit deze situatie! We beginnen aan onze tweede dag in de schuilkelder. Ondertussen worden er voorbereidingen getroffen voor een snelle evacuatie naar Belgrado. Midden op de dag is er gelegenheid om de voertuigen te inspecteren. Een vrachtwagen is volledig verwoest. Door het verwisselen van onderdelen kunnen van de zeven uitgeschakelde VW-combi's er toch nog drie rijklaar gemaakt worden. Ook de eigen combi van de geestelijke verzorging doet nog mee, zij het met kogelen schertgaten en met een paar ruiten eruit. Het gebouw blijkt zwaar beschadigd, vooral aan de achterkant. Sommige kamers zijn helemaal vernield. Rainbow is onmiskenbaar met opzet getroffen! De dreiging is nog niet voorbij. Er zijn ook sluipschutters actief. Na het snel klaarzetten van de bagage is het in de kelder weer uren wachten. We liggen op de stapelbedden, lopen wat heen en weer, praten met elkaar. Ondanks de spanning en onzekerheid is de stemming heel goed. We zullen vandaag wel niet meer vertrekken. Zo gaan we hier de tweede nacht in. Ik kan helaas niet gaan slapen zonder zorgen, Heer. Ik denk aan thuis, aan ons hier, aan de bevolking van Sarajevo. Wilt U er ook aan denken en doen wat goed is in uw ogen!
Om zes uur staan we allemaal op. Echt wassen is er niet bij, want we slapen in de kleren. Iedereen is blij dat we nu gaan vertrekken, maar er heerst ook spanning: hoe kwetsbaar zijn we bij het instappen ... Die spanning blijkt niet ten onrechte. Als na anderhalf uur - het duurt ons veel te lang - de combi's eindelijk wegrijden, exploderen er vlakbij weer mortiergranaten! Doorrijden en niet te veel nadenken. Bij het PTTgebouw verderop wordt er een enorm konvooi samengesteld. Opgelucht rijden we, weer anderhalf uur later, echt uit Sarajevo weg. Dachten we. Want bij het vliegveld even buiten de stad komen we compleet vast te zitten. Serviëra liggen er in stelling en doen moeilijk over ons vertrek. En de granaatinslagen - van welke partij nu weer? - komen angstwekkend dichterbij. Pas om kwart voor elf mogen we echt weg en valt er een zware last van ons af. We hebben het gered. Heer, ik heb gebeden dat U ons zou helpen en bewaren. En ik zal niet de enige zijn geweest. Nu dank ik U uit de grond van mijn hart! Voor de rust die we toch hebben kunnen bewaren, ondanks de dreiging. Dank U dat U ons vertrouwen niet hebt beschaamd en ons veilig uit Sarajevo hebt laten gaan. Dit zeg ik niet gemakkelijk, omdat het achteraf goed met ons is afgelopen. Want U laat ook dingen gebeuren die ik niet begrijp.
Waar ik moeite mee heb. Daarom blijf ik bidden: wees met de bevolking van Sarajevo, die niet weg kan komen en angstig de gebeurtenissen afwacht.
Wees met Alma en al die anderen die al zoveel leed hebben gezien en familie hebben verloren - wat voor leven gaan zij tegemoet? Wees met de inzet van de VN, dat er een echte ommekeer komt in deze gepijnigde stad en in dit verscheurde land. Wees met ons en onze familie, dat wij het gesprek met U blijven aangaan. Met onze tekortkomingen en vragen. En met onze dank. In de naam van Jezus Christus, uw Zoon, die eens overweldigend zal staan aan het eind van de onbegrijpelijke mensengeschiedenis!