Christus in het kerklied (1)
1992-07-03
"Zingt de HERE een nieuw lied, want Hij heeft wonderen gedaan!" Zo begint Psalm 98. En in alle eeuwen hebben nieuwe liederen geklonken voor de Here onze God om de werken die Hij deed: de schepping, de uittocht uit Egypte, de intocht in Kanaän, de wonderen in het leven van David, zijn Gezalfde. Bij nieuwe wonderen klinken telkens nieuwe liederen: na de doortocht door de Rode Zee (Exodus 15), de overwinning op Sisera (Richteren 5), de geboorte van Samuel (1 Sam. 2), de genezing van Hizkia (Jesaja 38), en zelfs op de puinhopen van Jeruzalem zingt Jeremia nog van de barmhartigheden van de HERE die elke morgen nieuwe zijn (Klaaglied 3). 150 van zulke nieuwe liederen zijn ons bewaard gebleven in het boek der Psalmen: ze zingen van Gods werken in de schepping, in de geschiedenis van zijn volk, in het leven van de gelovige.- Jaargang 36
- nummer 14
Nieuw
"Zingt de HERE een nieuw lied, want Hij heeft wonderen gedaan!" Het grootste wonder dat Hij in de geschiedenis van Israël en van de wereld verricht heeft, is dat Hij zijn eigen Zoon voor ons gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe. Nog voor de Here Jezus is geboren wordt een nieuw lied aangeheven door zijn moeder Maria, die de oude lofzang van Hanna herdicht naar de nieuwe situatie, en door Zacharias, die zingt van de vervulling van de woorden van de profeten. Als de kleine Jezus voor het eerst in de tempel komt, zingt Simeon zijn nieuwe lied naar oude woorden.
Als Christus zijn discipelen heeft uitgekozen, leert Hij hun God te aanbidden met een nieuwe naam. Hij herstelt de naam Jahweh, die door de Joden na de ballingschap uit misplaatste eerbied niet meer werd uitgesproken, niet in ere, maar leert z'n vrienden een nieuwe naam: "Onze Vader, die in de hemelen zijt." Die naam gaat nog veel verder, is nog veel Intiemer, dan de oude naam Jahweh, Verbondsgod. In de brieven van Paulus klinkt die Vadernaam vele malen, vaak als: "de God en Vader van onze Heer Jezus Christus". God wordt eer gebracht met een nieuwe naam, om het nieuwe werk dat Hij door Christus verricht heeft! Efeziërs 1:3-14, vermoedelijk een van de oudste christelijke hymnen, begint met: "Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus." In het verlengde daarvan ontvangt ook Christus zelf, nu zijn lijden volbracht is en Hij zijn heerlijkheid is binnengegaan, éér van de gelovigen. Het carmen (= spreuk, belijdenis, lied) van de eerste christenen was: "JEZUS IS HEER!" Zij leerden de naam van Christus áánroepen: Handelingen 9:14, 22:16, 1 Korinthe 1:2, 2 Timotheüs 2:22. In Openbaring 5 wordt lof gebracht aan het Lam, omdat het geslacht is en ons gekocht heeft met zijn bloed. God, die op de troon gezeten is (de Vader), én het Lam zij lof en eer en heerlijkheid en kracht tot in alle eeuwigheden, hoort Johannes in de hemel zingen.
“Christus als God"
Wat hebben de christenen in de eerste eeuwen gezongen? De getuigenissen daarover zijn schaars, maar wel duidelijk.
In 112 na Christus schrijft Plinius de Jongere, Romeins landvoogd in Bithynië, aan keizer Trajanus een brief, waarin hij uit de mond van gevangen genomen. christenen het volgende noteert: "Zij verzekerden echter dat hun hele schuld of dwaling slechts hierin had bestaan, dat zij gewoon waren geweest vóór zonsopkomst samen te komen en ter ere van Christus als (een) God in beurtzang een lied te zingen (...)." Omstreeks het jaar 200 bevestigt de kerkvader Tertullianus dit citaat in zijn Apologie en hij ontkent dus niet dat het de gewoonte was ter ere van Christus als God hymnen te zingen. Omstreeks 300 beschrijft de kerkgeschiedschrijver Eusebius hoe iemand zich tegenover de ketter Artemas (die Christus alleen als mens beschouwde en beweerde dat dit vanouds de leer der kerk was geweest), beriep op "de lofzangen en psalmen die van de aanvang af door gelovige broeders waren gedicht en waarin Christus als God werd verheerlijkt". In 269 zendt de synode van Antiochië een brief rond waarin de ketter Paulus van Samosata werd veroordeeld. Deze had "psalmen tot eer van Christus vervangen door liederen die hemzelf vereerden". Zowel dwaalleraars als verdedigers van de christelijke leer maken gebruik van liederen om hun inzichten onder het volk te verspreiden dan wel om het ware evangelie onder de mensen levend te houden. Het behoort tot de taak van de Kerk daarin telkens te schiften, en de hele Oudheid door heeft de Kerk dat gedaan. Arius leerde dat Christus niet van eeuwigheid God is, maar in de tijd geschapen, een godheid tussen God en mens. Over deze Arius schrijft ± 400 de geschiedschrijver Philostorgius: "Men zegt dat Arius, toen hij uit de Kerk was getreden, liederen heeft geschreven voor schippers, ezeldrijvers en marskramers (dus voor lieden die veel onder de mensen komen, JHK) en dat hij dit soort gedichten op melodieën zette waarvan hij aannam dat ze voor elk geschikt waren. Door het behagen dat men in deze melodieën schepte, trachtte hij de domsten onder de mensen tot zijn goddeloosheid over te halen."
Ambrosius
Maar ook de rechtzinnige bisschop Ambrosius, een verklaard tegenstander van Arius' opvattingen, kende de kracht van het gezongen lied. Toen hij in 386 met de gelovigen van Milaan een basiliek was binnengegaan om te voorkomen dat de keizer deze kerk aan de aanhangers van Arius zou geven, liet de keizer de kerk door zijn soldaten omsingelen, zodat de gelovigen er niet meer uit konden. Terwijl ze de nacht in de kerk doorbrachten, leerde bisschop Ambrosius hun door hemzelf gedichte hymnen te zingen. De soldaten buiten raakten zo ontroerd door de gemeentezang, dat ze niets tegen· de gelovigen konden uitrichten en tenslotte met hen meezongen.
Augustinus, wiens moeder er bij was, beschrijft deze gebeurtenis later zo: "Toen is ingesteld dat, naar de gewoonte der oosterse landen, hymnen en psalmen zouden worden gezongen, opdat het volk niet door afmattende droefheid zou verkwijnen. En van die dag af tot heden is dit gebruik in stand gehouden, terwijl reeds vele, ja bijna al Uw kudden in de overige delen der wereld het navolgen." Ambrosius, die in zijn hymnen getuigde van de wezensgelijkheid van Christus en zijn Vader, tegenover de Arianen, kreeg van zijn tegenstanders het verwijt te horen dat hij het volk met zijn toverspreuken bezwoer. "Dat ontken ik helemaat niet," antwoordde Ambrosi us, "want dit is een grote bezwering, er is geen machtiger. Immers, wat is machtiger dan de belijdenis van de drieënige God, die dagelijks door de mond van het hele volk wordt gevierd?
Om strijd spannen allen zich in hun geloof te belijden; ze hebben geleerd de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in verzen te prijzen. Dus zijn nu allen meesters, die eerst nauwelijks leerlingen konden zijn." Zo voerde Ambrosi us in Milaan de gemeentezang in. Hij was een van de eerste dichters van Latijnse hymnen en hij heeft in de eeuwen daarna vele navolgers gehad. AI die hymnen uit de Oudheid worden aangeduid als Ambrosiaanse lofzangen.
Ze behoorden tot de sterkste wapens van de Kerk om de eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest tegen een keur van ketterijen te verdedigen, al gingen ze daarin naar mijn smaak wel eesn te ver (ik kom daar straks op terug). De bekendste van die Ambrosiaanse lofzangen, een lied dat zestien eeuwen heeft getrotseerd en bij rooms en onrooms geliefd is gebleven, is het Te Deum laudamus (Liedboek, gezang 399: Wij loven U, 0 God, belijden U als Heer).
Middeleeuwen
In de loop van de Middeleeuwen doen zich twee belangrijke verschuivingen voor. Het objectieve, op het werk van Christus gebaseerde, lied wordt verdrongen door het subjectieve, in de vrome gemoedsgesteldheid van de christen gewortelde, lied. We komen daar straks op terug. Verder overwint de Gregoriaanse kerkzang op alle fronten, en deze vorm van kerkzang" is zó ingewikkeld dat ze niet meer geschikt is voor gemeentezang, maar alleen door de priester of door professionele priesterkoren kan worden uitgevoerd. Zo worden de 'meesters' van Ambrosius weer 'leerlingen' - en zelfs dat niet eens, want het Latijn is voor het eenvoudige volk een onverstaanbare taal geworden en slechts zo nu en dan mag het in de kerk eens een sequentie of een leis zingen in de eigen, "nieuw ontstane, volkstalen. De hoge feestdagen waren wat dat betreft voor het gewone volk een heerlijke uitzondering.
1 Lezing uitgesproken op gemeenteavonden van de Ned. Geret. Kerken van Voorthuizen, Ermelo en Den Haag en op de najaarsvergadering van de prot.-chr. auteursvereniging Schrijvenderwijs.