Tussen Ede en Apeldoorn (1)

1991-12-20
  • Jaargang 35
  • nummer 26
Dit jaar werd in Ede de Landelijke Vergadering van onze kerken gehouden. Het is over het algemeen een vrij rustige vergadering geweest, waar beslist geen schokkende zaken aan de orde waren. Ze had in totaal vijf zittingen nodig om haar agenda af te werken onder de rustige en vriendelijke leiding van haar voorzitter, br. P. Wassenaar.
De zaak die ook buiten onze kring het meest de aandacht trok was de verhouding van onze kerken tot de Chr. Geref. Kerken en de Vrijgemaakt Geref. Kerken. In enkele artikelen wil ik graag een paar kanttekeningen maken bij wat daarover besloten is. Tevens is het een poging om de balans op te maken.

Ik doe dat onderweg tussen Ede en Apeldoorn. En dat in dubbele zin. Allereerst omdat de gemeente van Apeldoorn, die ik dienen mag, is aangewezen als roepende kerk voor de volgende L.V., die zal plaats vinden in 1994- als de Heer van de kerk niet voor die tijd gekomen is.
Maar in de tweede plaats, omdat in de loop van 1992 in Apeldoorn ook de e.v. Synode van de Chr. Geref. Kerken hoopt bijeen te komen. En deze synode staat voor een uitermate belangrijke beslissing over de voortduur van de kontakten, zowel met onze kerken als met de Vrijg. Geref. Kerken. En naar deze beslissing wordt door velen binnen de kring van wat wel de 'kleine gereformeerde oecumene' wordt genoemd met grote spanning uitgekeken.
Laat ik proberen de lijn in de samensprekingen van de afgelopen jaren nog eens aan te geven.

De Chr. Geref. Synode van '89
Deze synode nam m.b.t. de verhouding met de beide andere genoemde kerkverbanden teleurstellende besluiten.
Om me nu maar tot het onze te beperken, van de herkenning van m.n. onze kerken als ware kerken van Christus, die een aantal jaren geleden duidelijk groeiende was en die resulteerde in de gemeenschappelijke verklaring m.b.t. de toeëigening des heils van 1975, bleek in de officiële besluitvorming niet zoveel meer over te zijn.
Immers, de synode sprak uit "dat in de Nederlands Gereformeerde Kerken met betrekking tot de toeëigening van het heil geen recht gedaan wordt aan wezenlijke elementen uit de belijdenis der kerken" (accentuering door mij, JCS). Dat is een uitspraak, die uiteraard iedere gereformeerde, die zijn belijdenis liefheeft, pijn doet.
En die pijn wordt nauwelijks verzacht door de vaststelling in hetzelfde synode-besluit "dat de geconstateerde verschillen ... geen belemmering mogen zijn om te erkennen dat de Nederlands Gereformeerde Kerken zich in alles willen stellen op de grondslag en begeren te leven naar de gereformeerde belijdenis" (accentuering door mij, JCS). Volgens de synode van Groningen willen we dus wel recht doen aan de belijdenis. Ons verlangen is lofwaardig. Maar in de praktijk brengen we er nog maar weinig van terecht.
De Deputaten voor de Eenheid van de Gereformeerde Belijders ontvingen de opdracht om na te gaan of de vastgestelde verschillen al of niet binnen de grenzen van Schrift en Belijdenis vallen.
Daarnaast stelde de synode vast, dat er vragen waren gerezen t.a.v. het functioneren van ons Accoord van kerkelijk samenleven, die toch om een nadere bespreking vragen. En aan de Deputaten werd opgedragen deze vragen uitvoeriger dan tot nu toe met ons te bespreken.

Impasse
Het is niet te verwonderen, dat deze uitspraken er de oorzaak van waren, dat het rapport, dat onze Kommissie voor Kontakt en Samenspreking aan de L.V. van Ede uitbracht m.b.t. de samenwerking met de Chr. Geref. Kerken, sombere klanken liet horen.
De Kommissie was unaniem van oordeel, dat er na deze uitspraak van de synode van '89 sprake is van een impasse.
We stelden ook met teleurstelling vast, dat er voor het eerst sinds 1974 geen uitdrukkelijke oproep aan de eigen kerken werd gedaan om, waar mogelijk, aan de eenheid met onze eigen kerken te blijven werken of dat werk ter hand te nemen.
Eenstemmig was de Kommissie ook in de overtuiging, dat het gesprek over "de toeëigening des heils" na zoveel jaren nu toch eindelijk tot een afronding moet komen. Wat is er na zoveel gedachtenwisselingen nog toe te voegen aan wat er al is gezegd? We stelden de L.V. voor ons op te dragen nog eenmaal te proberen ons standpunt in dezen zo helder mogelijk te formuleren.
En dat zou dan de Chr. Geref.
Deputaten moeten dienen bij de uitvoering van hun opdracht om te komen tot "een gefundeerd antwoord op de vraag of en in hoeverre de besproken zaken het voortgaan op de weg naar verdere eenheid blijvend belemmeren".

Hoe nu verder?
Was er op deze punten eenstemmigheid binnen de Kommissie, verschil van mening was er over de vraag, hoe in de nabije toekomst verder moest worden gehandeld. Een minderheid van drie leden zag na de definitieve formulering van boven genoemd standpunt over "de toeëigening des heils" voorlopig geen taak meer voor onze Kommissie weggelegd. Zij wilden de besluiten van de Chr. Geref.
Synode van '92 nu eerst meer eens afwachten en zolang de gesprekken bevriezen. In elk geval op landelijk niveau. De meerderheid gaf te kennen, dat we ons ondanks de vastgestelde impasse niet moesten laten beheersen door gevoelens van teleurstelling en frustratie. Die gevoelens mogen ons de marsroute voor de toekomst niet voorschrijven. "De roeping tot eenheid met allen die onze Here Jezus Christus in onverderfelijkheid liefhebben weegt immers zwaarder dan onze gevoelens", zo staat te lezen in dat gedeelte van het Kommissierapport, dat het standpunt van de meerderheid weergeeft.
Wel bleek ook die meerderheid niet een duidelijke visie te hebben op een nieuwe opdracht, die de L.V. aan de Kommissie zou kunnen verstrekken.
Hopelijk waren de afgevaardigden zelf zo creatief om weer perspektieven te openen.
En ik meen, dat in het licht van de hier boven geschetste situatie onze Landelijke Vergadering inderdaad voor een verrassend antwoord heeft gekozen.
De broeders in Ede hebben zich niet laten leiden door de ontmoedigende resultaten van het gesprek op landelijk niveau. Ze hebben zich integendeel meer laten inspireren, door wat er desondanks plaatselijk zich ontwikkeld heeft in de afgelopen jaren.

Samenwerkingsgemeenten
Voordat ik nader inga op de besluitvorming op de L.V. noem ik als één van de meest sprekende voorbeelden van zo'n positieve ontwikkeling de verklaring die door de samenwerkende kerken van Almere, Lelystad en Nieuwegein is uitgegeven.
Deze kerken kennen, de één wat langer dan de ander, een unieke vorm van samenwerking, waarbij men praktisch volledig geïntegreerd is. Men bezit samen één kerkgebouw, maakt samen gebruik van de diensten van één predikant, heeft een kerkeraad van gemengde samenstelling, enz. En de leden weten van elkaar nauwelijks nog wat de officiële kerkelijke bloedgroep is. Dat is vrijwel alleen nog maar een kwestie van een aantekening op de ledenkaart, die de scriba in zijn bezit heeft.
Welnu, deze samenwerkingsgemeenten hebben eind vorig jaar een verklaring uit laten gaan, zowel naar het Chr.
Geref. als naar het Ned. Geref. kerkverband, waarin zij het volgende stellen: "Wij spreken als samenwerkingsgemeenten uit na het beleven van vele jaren van samenwerking in de dienst van Woord en Sakrament. .., dat er sprake is van een voltooide geestelijke eenwording van onze plaatselijke gemeenten en wel zo, dat wij niet meer uit elkaar wensen te gaan. Deze samenwerking heeft geen enkel voorlopig karakter meer en vraagt in de komende jaren om een voltooiing. Wij willen een gemeente van Jezus Christus zijn met behoud van banden met onze beide landelijke kerkverbanden"
(accentuering van mij, JCS).
Met deze verklaring doen deze gemeenten ook een beroep op de beide verbanden, waartoe ze behoren. Ze vragen om regels, die in deze bijzondere situatie voorzien. Hoe zit het b.v. met de rechtspositie van de predikanten, zowel naar kerkelijk als naar wereldlijk recht, in dergelijke gemeenten?
En wat voor konsekwenties heeft zo'n volledige integratie voor de kerkverbandelijke verplichtingen, zoals de financiële afdrachten aan diverse deputaatschappen en kommissies?
Het zal duidelijk zijn, dat het afbreken van de kontakten op landelijk niveau juist voor deze kerken een ongewenste terugslag zou kunnen betekenen.
En daarom is de houding van de L.V. van Ede in dezen hoopgevend te noemen. Zich niet blind starend op de landelijke impasse heeft men gezocht naar wat toch nog tot de mogelijkheden behoort. Maar daarover verder in een volgend artikel.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief