Tussen kerk en keuken
1991-12-20
- Jaargang 35
- nummer 26
Kerst
De decembermaand was bij ons thuis een turbulente maand.
Mijn ouders hadden een bakkerij en zodra de laatste speculaaskruimels gelijk met Sinterklaas de achterdeur uit waren geveegd, kwamen kerstkrans en kerstbrood de voordeur binnen.
Het hele gezin deelde in de drukte en ook vrienden en vriendinnen werden ingeschakeld in het werk.
Ik heb achteraf wel eens de indruk dat mijn vader de vriendjes van zijn dochters niet alleen op kerkelijke ligging, maar ook op eventuele inzetbaarheid in drukke tijden bekeek.
In ieder geval vond hij het een prettige bijkomstigheid als ze flink de handen uit de mouwen konden steken. Het huis was stampvol en het was vaak buitengewoon gezellig. Ik heb bepaald moeten wennen aan de rust waarmee ik, nadat ik getrouwd was, kerstinkopen deed.
Mijn moeder kookte eten voor vijftien tot twintig man in enorme pannen. Het was je reinste gaarkeuken. Er sneuvelde nogal eens een bord, om over kopjes maar niet te praten. Merkwaardig genoeg braken altijd de mooiste kopjes en zelden één waar al een barst in zat. Eens viel een dienblad vol kopjes op de grond en mijn moeder barstte bij het zien van de hoeveelheid scherven in tranen uit.
Een neef zei vol mededogen: "Ga maar een eindje wandelen, tante," en een zusje merkte listig op: "Mazzel dat we nog niet hadden afgewassen."
Ze had oog voor vallen en meevallen.
Er hing niet wat je noemt een gewijde sfeer in huis.
Maar die hing er zelden.
Het leven met de Here God was zo gewoon als het brood dat mijn vader bakte, en het ging ook tussen neus en lippen door.
Vader zong psalmen en wees je op de Almacht van God terwijl hij krentenbrood van een bakplaat haalde. Als je wegging, zei hij hartelijk: "De zegen, kind."
Wij vonden dat de normaalse zaak van de wereld, al vond mijn moeder het wat gênant als hij midden in de Kalverstraat ,,'t Hijgend hert, der jacht ontkomen" inzette.
Geen stille kerstsfeer thuis.
Wij zongen wel liedjes, maar de begeleiding bestond uit telefoongerinkel.
Het hoorde er voor mij zo bij, dat ik nu nog bij de melodie van ,,'t Was nacht in Betlems dreven", de bel van een telefoon verwacht.
Het was op een van die dagen dat we aan tafel zaten te wachten op mijn vader. Hij kon even weg uit de bakkerij om een hapje te eten en ging zitten met de woorden: "Nou, vlug dan maar."
"Wiepke, bid jij?" zei mijn moeder licht vermanend.
Vader knikte, keek fronsend naar zijn kroost dat doorklepte, vouwde zijn handen, sloot zijn ogen, en zei enigszins korzelig: "Met Kroes!!"
Het bleef één tel doodstil. Vader opende verbluft zijn ogen en keek ons aan. Toen lachte hij breed en wij schaterden ongeremd met hem mee.
Over de zuurkool werd geen zegen meer gevraagd.
We hebben hem wel gekregen.