'Waar geen troost voor is'
1991-12-20
Niet-theologen schrijven soms veel boeiender over hemel en hel dan 'professionals'.- Jaargang 35
- nummer 26
Dat begon al bij Dante. In onze tijd geldt dat voor de Engelse schrijver C.S. Lewis in het boek 'De grote scheiding'. Hetzelfde geldt ook voor de roman van Elizabeth Schaeffer 'Waar geen troost voor is'.
De schrijfster zal zelf de eerste zijn om toe te stemmen dat zij vanuit litterair oogpunt bekeken niet kan staan in de lijn van Dante naar C.S. Lewis. Dit boek is (naar ik begreep) haar eersteling op het gebied van de romankunst.
Als een kenner van litteratuur dit boek zou beoordelen zou hij waarschijnlijk wel een aantal kritische opmerkingen maken. Over bijvoorbeeld de wisseling van hoofdpersoon, die in de ik-vorm spreekt (vgl. p. 1,. p. 63) Over de soms wat houterige stijl (p. 67). Over de soms zo kort en flitsend aangegeven kernpunten, dat je het boek wel twee keer moet lezen om de fascinerende verbanden en structuur goed te begrijpen (het kleine schilderijtje p. 6 vgl. 87, 99). Maar wat praat ik? Misschien slaan deze opmerkingen van mij wel nergens op, en zou een deskundige mij op alle punten tegenspreken. Ik slik ze dus gelijk maar weer in, want ik wil geen enkele barrière opwerpen voor potentiële toekomstige lezers van dit boek. Ik hoop dat dat er velen zijn, want het is een boeiend boek, het spreekt over een van de moeilijkste hoofdstukken van de bijbelse leer op een fijngevoelige en diepzinnige wijze en hoe vreemd het ook moge klinken voor een boek met die titel: het biedt troost.
De hel
Waarover gaat het? Een oude mevrouw blikt terug op haar leven. Haar man (Peter) is overleden, haar twee kinderen (Petra en Jasper) zijn volwassen en leven hun eigen leven Ze is in een bejaardenhuis, ontvangt daar zo nu en dan bezoek van haar kinderen.
Midden in het boek krijgt ze een beroerte en overlijdt. Daarvoor en tijdens de schemer-fase en rondom haar dood 'gebeurt' er heel veel. Het is een psychologische roman. Van binnenuit wordt beschreven wat er omgaat in iemand die heel oud geworden is, en hoe de beide kinderen de relatie met hun moeder, overleden vader en elkaar beleven. Jasper is getrouwd, heeft kinderen en is predikant.
Petra, de oudste van de twee heeft ieder kontakt met kerk en geloof verbroken. Dit is het hoofdthema van het boek: wat gaat er om in de ouders van een dochter die God vaarwel zegt, en wat gaat er om in de dochter, die ouders heeft die daarover heel verdrietig zijn, zodat het alle kontaktoefening in deze roman tussen moeder en dochter overschaduwt. De moeder praat met een buurvrouw aan wie een kleinzoon door de dood ontviel. Dat is heel erg. Maar zowel de grootmoeder als de gestorven kleinzoon was gelovig.
Maar wat als je zeker weet dat je kind niet gelovig was.
..Begrafenis. De enige waar ik werkelijk bang voor ben, die me achtervolgt tot in mijn dromen toe, is die van Petra.
Troosteloos, nee, hopeloos.
Er bestaat verdriet waar geen troost voor is, een rouw-proces dat nooit eindigt, je leven lang niet. Bij mij duurt het al meer dan twintig jaar. Als op een eindeloze reis de landschappen, zo wisselen de fasen elkaar af. Verdriet, ontkenning, woede, apathie, berusting. Maar nooit de bevrijdende aanvaarding. Alles kun je aan God overgeven. Dat zei ik vroeger zelf ook en ik meende het. We zongen: wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heren hand... Maar hoe kun je aanvaarden dat de ander die hand heeft weggeslagen en zonder toekomst is ... ?.. (p.10) U ziet: het boek is geschreven vanuit de orthodoxe gereformeerde geloofsovertuiging dat wie het evangelie afwijst verloren gaat en voor eeuwig in de hel komt. Wie dat op zich af laat komen - met name waar het eigen kinderen betreft - zal als hij of zij een integer mens is die serieus neemt wat zij gelooft daaronder heel diep lijden.
Over dat lijden 'waar geen troost voor is' gaat dit boek. U moet het zelf maar lezen: ik ga u nu niet verder vertellen over het schilderijtje boven de piano, Petra's verlies van haar hond, de twijfelingen van dominee Jasper, de gesprekken rond moeders beroerte en het verstilde einde bij de aan Petra gerichte brief van de moeder.
Drie antwoorden
Wat mij bijzonder geboeid en ook opnieuw helemaal overtuigd heeft zijn de drie antwoorden die in dit boek gegeven worden op dit zo ogenschijnlijk hopeloos verdriet.
1. Als dominee Jasper een gemeentelid op bezoek krijgt die twee kinderen heeft (van de zes) die 'nergens aan doen', dan troost hij de man niet met eeuwige besluiten van verkiezing en verwerping. Daar zal niemand die ongelovige kinderen heeft ooit troost in vinden. Neen hij spreekt over het wonder van de liefde van God die zijn liefde niemand opdringt, maar wel altijd volhoudt.
..Zijn hand houdt Hij altijd naar ons uitgestrekt, waar we ook zijn en wat we ook doen. Hoe ver we ook zijn afgedwaald. Maar we moeten' die hand wel willen zien en vastpakken" ... Liefde sluit dwang uit." ..Alleen een hand die zo vol is van liefde (als die van God) die zoveel warmte en kracht uitstraalt, • kan onze koude handen naar zich toe trekken." ..God wil niet de dood van de zondaar." (p.33) "God heeft geen liefde zoals wij, die wij kunnen kwijtraken, God is liefde en zichzelf verloochenen kan Hij niet."
(p.34) Dit is het eerste antwoord in het boek. Het vindt zijn vervolg in de weer doorbrekende herinnering van de stervende moeder, dat het schilderij boven de piano de afbeelding vertoonde van de Vader van de verloren zoon, die met wijd open armen zijn zoon ontving!
Nieuwe vragen
2. Toch is hiermee nog lang niet iedere vraag beantwoord. Integendeel: dit antwoord roept nieuwe vragen op. (Zo zal het denk ik trouwens bij dit onderwerp wel blijven!) Want de direct uit het voorgaande oprijzende vraag is: maar waarom namen vier van mijn kinderen die hand van God wèl aan, en wezen twee die af? Eigenlijk is dit de hoofdvraag waar deze hele roman omdraait: Waarom zegt de een ja (Jasper) en de ander nee (Petra).
Het is uitermate bevrijdend om te ontdekken hoe nauw het nee van Petra verweven is met haar opvoeding en haar persoonlijkheidsgroei.
Opnieuw deed ik de ervaring op, zoals ik in zoveel gesprekken heb ondervonden dat ik het ongeloof kon begrijpen en meevoelen, ja, dat ik dacht: als ik in haar schoenen stond zou ik waarschijnlijk hetzelfde gedaan hebben. Het kortst komt dit tot uitdrukking op pagina 38 van het boek: ..Of: ze wil niet, of: ze kan niet"
Petra heeft een vader die heel veel van zijn dochter houdt, maar tegelijk haar helemaal tot een kopie van zichzelf zou willen maken. Hij is steil-gereformeerd. Een man van law and order. Praat nooit over gevoel. Totuiterste inspannning en overspanning toe probeert zij dit.
maar dan knapt ze er totaal op af.
Weinig daartoe geholpen door haar moeder (die dit overigens wèl scherp doorzag maar blijkbaar er niets aan kon doen) blijft ze leeg achter - met altijd dat irriterend stemmetje van haar vader in zich en de druk van haar moeders verdriet op zich. Ze kàn maar een ding: kappen! Jezelf uit iedere intieme relatie weg houden. Zodra iemand haar te na komt, wordt ze panisch.
Ze heeft liever een hond. Echter, liefdevolle banden staan voor haar emotioneel gelijk met manipulatie en zelfs verkrachting. Iemand wil weer iets van me, wat ik niet benmaar intussen valt het mij wel onmogelijk zwaar om te weten wie ik eigenlijk ben, In die gespannen persoonlijkheids- structuur is geloven onmogelijk "Ze kan het niet."
Het eerste wat hier soms in een langzaam proces moet groeien is de wondere ontdekking dat Petra's protest gerechtvaardigd was: dat zij gelijk had en niet haar zo gelovige vader, dat zij terecht luisterde naar haar eigen diepste zelf, die haar zei dat ze anders was dan haar vader.
Zou er ruimte komen om te geloven als zij gaat ontdekken dat zij er zijn mag? Ja, is dat niet de kern van het evangelie zelf: dat wij er
mogen zijn, en dat de Here juist niets liever wil dan onze uniekheid tot haar recht te laten komen (Openb. 2:17),
Onmacht
3, Ook dit antwoord leidt weer tot nieuwe vragen, Is het wel zo eenvoudig dat alle ongeloof te verklaren is uit onmacht, uit onvermogen om tot vertrouwen te komen? Vanwege de gevoelsopvoeding en psychische constitutie. Die vereenvoudiging neemt dit boek niet over. Dat blijkt het duidelijkst in het gesprek dat Petra heeft midden in het verhaal met haar schoonzuster Mieke.
In dat gesprek blijkt dat Petra zelf in dit proces niet een stok of een blok is. Mieke spreekt haar aan op haar eigen verantwoordelijkheid. Zij zegt: jij hebt zelf intussen wel de gemakkelijke weg gekozen. "Liefde is iets waar je moeite voor moet doen om het in stand te houden."
M.a.w. je moet er zelf aan werken en niet maar altijd slachtoffer zitten te .zijn. Petra antwoordt: "Zo simpel en rechtlijnig als jij het voorstelt.
Heel veel dingen overkomen een mens. Je kan het niet helpen. Maar Mieke houdt vol: liefde ben je niet z6maar kwijt. Als je niet wilt, dan vecht je om die te behouden, Dan heb je daar alles voor over."
Ook jezelf zeker, zei Petra schamper.
Stel je voor: al je mogelijkheden weggooien in naam van de liefde. Blinde liefde. Neen, dank je.
Ik blijf liever gezond.
Maar hoe gezond ben jij dan wel, zei Mieke fel. Je bent niet eens in staat om op een normale manier met je zieke moeder om te gaan ..."
(p.45)
Uit deze discussie blijkt heel duidelijk dat Petra zich niet achter haar onmacht kan verschuilen. Ook komt hier naar voren dat (volgens mij alleen op dat moment en in die fase) Petra niet wil.
Onwil
Op die lijn nu voortbordurend komt de laatste moeilijke vraag naar voren.
Wat doet God met mensen die absoluut niet willen. Zullen zij voor eeuwig in de hel zijn? Het gemak waarmee theologen dit soms stellen vindt nu een weldadig tegengewicht in de christelijke litteratuur. In dit boek schrijnt deze laatste vraag het diepst.
Neen: wie in dit boek een gemakkelijk antwoord verwacht krijgt het niet. De bijbelse waarheid dat er een hel is wordt onaangetast gelaten. Wel heeft het mij een aantal wedervragen meegegeven.
Als de moeder vlak voor haar sterven het schilderij herkent, zegt een stem: Wees niet bang. Elke geschiedenis heeft een begin en een einde. De kunstenaar kende de troosteloosheid tussen begin en eind. De meeste mensen kleuren de tijd met de kleuren van het einde. Maar het is de waarheid niet.
Het is niet aan allen gegeven om het eind te zien. Wie bent U, vraag ik.
Ik ben het begin en het einde, zegt de stem, en de tijd van de troosteloosheid.
Zijn er dan dingen waar geen troost voor is?, vraag ik. Ja, zegt hij. maar er komt een eind aan.
Ik voel me rustig. Het is nu bijna donker.
Komt, zegt de stem, het einde is begonnen. Een nieuw begin. (blz.88)
Hart-kwaal
Ik citeer deze woorden hier omdat het.
antwoorden zijn. Ik beluister ze als teruggekaatste vragen: hangt God niet een gordijn over onze nieuwsgierige ogen als wij de laatste waarheid willen weten over het lot van miljoenen ongelovigen?
Zou de eeuwige hel, waarvan de Schrift spreekt, een marteltoestand zijn waaraan nooit een einde komt?
Als wij daar komen op grond van onze eigen keus!, waarom buigt God in zijn ontferming de wil van de een wel en die van de ander niet? Of zal Hij die bewezen heeft zelfs 'willen' te kunnen buigen van het hardste graniet uiteindelijk voor geen enkele wil halt houden?
De vragen stellen, betekent niet, dat ik ze kan beantwoorden, maar de vragen niet stellen betekent ter wille van het risico dat je als pastor loopt, je kudde in een hoofdprobleem in de steek laten.
Het is trouwens niet een hoofdprobleem, maar een hart-kwaal. Paulus leed er ook al aan (Romeinen 9-11). Het is de grote verdienste van dit boek, dat het die eigenlijke diepste vragen niet uit de weg gaat! Naast de aanbeveling van dit boek noem ik u nog drie boeken die u als u verder wilt komen in deze vragen niet ongelezen moet latèn.
1. C,S. Lewis De grote scheiding.
2. Drs. A.G. Knevel e.a. Hemel of hel.
3. ds J. Bonda Het heil van de velen.
Boekbespreking van 'Waar geen troost voor is' Elizabeth Schaeffer Uitgeverij Van Wijnen - Franeker 100 blz. f 18,90.