Wat het scheppingsverhaal feitelijk vertelt

2009-08-14
  • Jaargang 53
  • nummer 16
Het Darwinjaar, een ND-enquête onder dominees en de geruchtmakende nieuwe inzichten van Andries Knevel deden de belangstelling voor de vragen rond schepping en evolutie herleven. Reden voor Opbouw predikanten te vragen naar hun oude en nieuwe preken over de eerste bijbelboeken. De stelligheid van vroeger lijkt verdwenen, we zoeken nu vooral naar de symbolieken en achterliggende boodschappen in de tegenstrijdige scheppingsverhalen in Genesis 1 en 2.

Sommige voorgangers zien symboliek in getallen en paren scheppingsdagen aan elkaar. Anderen, onder wie Henk de Jong, vinden het een ‘huiselijke beschrijving’ van een kosmische gebeurtenis, die tegen de mens zegt: vrees niet. We zijn geen ‘schitterend ongeluk’, om met Mark Janssens te spreken. De meesten wijzen ook op de doelgroep. De beschrijving van de gebeurtenissen sloot aan bij het toenmalige kennisniveau en wereldbeeld. Enkelen zien Genesis als een stellingname tegen de verering van de hemellichamen. Door de hemellichamen pas op de vierde dag te laten ontstaan, zou God hebben benadrukt dat ze geen verering waard zijn.

Nieuwe inzichten
Met praktische vragen over Genesis 1 wordt voorzichtig omgegaan. ‘Hoe kan dat nu, op de eerste dag het licht en pas op de vierde dag de zon en de maan en de sterren?’ Of: ‘Ik heb op school geleerd, dat het allemaal begon met een oerknal en dat het vervolgens miljarden jaren duurde voordat het heelal zo ver was afgekoeld dat stoffen konden stollen en dat het nog eens honderden miljoenen jaren duurde voordat zich planeten vormden. Hoe rijm je dat met de Bijbel, die vertelt dat eerst de aarde werd gemaakt en daarna pas de zon en de maan en de sterren?’ Jan Mudde: ‘Laten aardrijkskundeleraren, astronomen en geologen alsjeblieft gewoon hun werk doen. Gewoon vertellen wat ze denken vast te kunnen stellen op basis van hun wetenschappelijke methoden. En laten wij leken dat vol belangstelling volgen. Al blijft de wetenschap mensenwerk en moet het ene inzicht na verloop van kortere of langere tijd altijd weer plaatsmaken voor een ander inzicht.’ Gezien de geschiedenis van onze bijbeluitleg geldt dat laatste ook voor ons.

Gewoon dagen
Weinigen lijken nog te voelen voor symbolische scheppingsdagen. Enkelen spreken dat onomwonden uit, anderen raken dat onderwerp niet meer aan.
Mudde: ‘Sommigen noemen het perioden: een dag is voor God immers als duizend jaar en duizend jaar als een dag. Zo heb ik het zelf ook wel eens gesteld, maar het klopt niet. Ten eerste staat er steeds: Toen was het avond geweest en morgen geweest, etc. Er is geen enkele aanleiding te denken dat de schrijver hier andere dagen bedoelt dan wij kennen.
Als je gelooft dat de Bijbel Gods Woord is, moet je Genesis 1 dan letterlijk en historisch exact lezen? Voor mij zijn er allerlei aanwijzingen van niet. Van Genesis 1 en Genesis 2 kun je onmogelijk één sluitend verhaal maken. Veelal wordt de verhouding tussen Genesis 1 en 2 zo gezien, dat Genesis 2 een gedetailleerde weergave biedt van de zesde scheppingsdag van Genesis 1. Genesis 1 geeft het totaaloverzicht, Genesis 2 zoomt in op het detail en werkt dat uit.
Maar dan kom je in de knoop met de volgorde waarin mens, plant en dier zijn geschapen. In Genesis 1 worden eerst de planten, dan de dieren en dan de mensen gemaakt. In Genesis 2 wordt eerst de man-mens gemaakt, dan
de bomen en planten, dan de dieren en dan de vrouw.’

Kerk buitenspel
Menko Biewenga betreurt vooral dat de kerk zich met haar radicale afwijzing van Darwins boek On the Origin of Species feitelijk buitenspel heeft gezet. ‘Voor veel mensen kwam de schepping alleen nog in beeld als een probleem. Aan die schepping zaten allerlei vragen vast waarop wij geen antwoord wisten, dus hadden we het er liever niet over. De kerk wees de theorie van Darwin heel lang radicaal af. Wat hij beweerde, kón niet waar zijn, want mócht niet waar zijn. Die afwijzing was dus niet gebaseerd op argumenten, maar op een gevoel.
En dat plaatste ons als kerk automatisch in de hoek van conservatief en niet bij de tijd; dus eigenlijk ook niet serieus te nemen. Geen partner in het gesprek. In onze tijd betalen we daar de tol voor. Want wij wéten het allemaal niet zo zeker meer. Andries Knevel en Willem Ouweneel waren ooit geharnaste strijders tegen de evolutietheorie, maar nu weten ze het niet meer. Is dat erg? Nee, want het is immers geen schande iets niet te weten. Maar het risico is wel dat we in twee werkelijkheden gaan leven.
In de ene, die van maandag tot zaterdag, gelden alle regels van de wetenschap en daar doen wij helemaal aan mee. De andere werkelijkheid is die van de zondag; dan zetten we de knop om, trekken de gordijnen dicht en gaan naar de kerk.
Dan heeft wat we in de kerk doen dus niks meer te maken met die andere werkelijkheid - de échte werkelijkheid.
Want zo wordt het dan in de ogen van de wéreld en op den duur ook in onze eigen beleving: wat we in de kerk doen en zeggen en belijden is wel leuk, maar niet de echte werkelijkheid. Die speelt zich allang heel ergens anders af.
Maar er is maar één werkelijkheid. Daarin doen de natuurkundige, de geoloog en de astronoom hun werk en daarin gemeenten van Christus op zondag bij elkaar. De kerk is geen museum van oude waarheden en ook geen geblindeerde, stormvrije ruimte ergens in een stille nis van de werkelijkheid. Het gaat in de kerk over dezelfde werkelijkheid als in de laboratoria en de collegezalen van deze wereld. Maar het gaat niet op dezelfde manier over die werkelijkheid.
De natuurwetenschapper heeft een andere invalshoek dan de gelovige en dat roept beiden op tot bescheidenheid.
Dat is voor mij het kernwoord: bescheidenheid.
Zowel de natuurwetenschapper als de bijbellezer moet bescheiden zijn en zijn grenzen kennen.
Maar weet wel dat je het over die ene, diezelfde werkelijkheid hebt. Splits het niet op in twee werelden die los van elkaar staan.’

‘Er zijn dus meer verhalen over het ontstaan van de wereld. Het wetenschapsverhaal is nooit af, maar het bijbelse is helemaal af! Het wetenschappelijke kunnen we missen, maar het verhaal dat God ons vertelt niet.
Genesis 1 brengt ons bij het wezen van de dingen. En dat is níet: zus en zo is het gegaan, maar … zoveel betekenen jullie mensen voor Mij. Genesis 1 is een liefdesbrief van God aan de mens. En als je dat ziet, zie je de kern.’

Jan Mudde, Haarlem, maart 2009.

‘Je verwonderen over het geschapene is veel, je ziet dat veel evolutionisten inderdaad doen. Maar Hem die het alles gemaakt heeft bewonderen is meer. En dat leert de Bijbel ons.’

Henk de Jong, Apeldoorn, juni 2009.

‘Dit verhaal van de schepping wil ons vertellen hoe het leven bedoeld is. Hoe de mens in elkaar zit en hoe God is.
Het is niet goed dat de mens alleen is.

We zijn gemaakt om relaties aan te gaan. Met mensen, met God. “Jij hoort bij mij - zegt de mens tegen de ander - bij jou ben ik veilig, we vullen elkaar aan.”’

Jeannette Westerkamp, overweging in een penitentiaire inrichting.

‘Ik zeg niet dat de mens onbelangrijk is, maar hij is ook niet het hoogtepunt van de schepping. Als er al een hoogtepunt is, dan is dat de zevende dag, de dag waarop God het scheppingswerk heeft voltooid en rust. De mens wordt vaak “de kroon op de schepping” genoemd. Wel, ik geloof er niets van. Als er al een kroon is, is het de sabbat.’

Mark Janssens, Utrecht, 2003.

‘Wij kleine mensjes willen precies weten hoe het nou zit met de aarde, hoe oud die is. Hoe God de wereld schiep. Wat heb je daar aan? Laat dat maar lekker Gods geheim blijven.
Neem er nu maar genoegen mee dát Hij alles geschapen heeft. En de evolutie?

De datering van de aardlagen? De bewijzen voor de ontwikkeling van de soorten? Evolutionisten doen soms net alsof ze er zelf bij waren. En ook christenen hebben daar een handje van.
Dan bedoel ik vooral de creationisten.
Ik heb het creationisme een beetje afgeleerd.
Ik heb er veel aan gehad dat mensen wetenschappelijke argumenten gebruikten om de schepping te verdedigen, maar toch zit het gevaar erin dat je denkt: wij moeten God verdedigen.’

Geert van Dijk, Dalfsen, juni 2009.

‘Die historische gebeurtenis is verteld aan Palestijnse boeren van duizenden jaren terug. Verteld met de begrippen en beelden van die cultuur. Als we in Genesis 2 lezen dat God de mens uit rode klei boetseerde en toen de levensadem inblies, dan moeten we dat niet in filmbeelden willen zien. Nee, je moet de boodschap van die beeldspraak verstaan: de mens is een uniek schepsel. Enerzijds is hij verwant met de aarde, daar hoort hij thuis. En tegelijk hoort hij bij God en is hij uit God. Deze schepping had God ons niet beter kunnen laten vertellen dan zo.’

Ton Vos, 1998.

‘Dát is de prediking van Genesis 1 en 2: wij mensen zijn gemaakt door de Here onze God en wij mogen leven in een wereld die uit Gods hand komt. In die wereld mogen we veilig wonen, onder een open hemel, met een God en Vader in wiens hand ons leven veilig is.’

Menko Biewenga, Emmeloord, 2000.

‘In Genesis 1 is God de God van de schepping, de machtige. In Genesis 2 is Hij de God van de geschiedenis, de Aanwezige.’

G. van den Brink, 1981.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief