Het begon allemaal met de woordvoerder... (2, slot)
1990-01-05
(c) Jezus' relatie tot de wereld, vers 9-13.- Jaargang 34
- nummer 1
Het waarachtige licht was komende in de wereld. Zoals gezegd is het onwaarschijnlijk, dat er ná de vermelding van Johannes de Doper nog sprake is van de eeuwigheid.
Bovendien komen de meeste uitdrukkingen uit vers 10-12 in het vervolg van het evangelie terug: daar dienen ze als beschrijving van het werk van Jezus.
Tenslçtte bewijst vers 12, dat het niet over de eeuwigheid maar over de tijd gaat: geloven in Jezus is pas mogelijk nadat men Hem gezien en gehoord heeft.
Het 'in de wereld komen' slaat dus niet op Jezus' geboorte maar op Jezus' optreden. Kerkelijk gesproken: niet op het kerstfeest, maar op epifaniën. Jezus kwam onder de mensen, Hij ging functioneren in de maatschappij, vgl. vers 29 vv,
De wereld is door Hem geworden.
Hier staat weer het werkwoord dat we liever met 'gebeuren' of 'tot stand komen' dan met 'worden' vertalen.
Het gaat niet over de schepping door God, maar over de herschepping door Jezus. Door Hem kwam de mensenwereld tot nieuw leven. Toen gebeurde er echt iets met de wereld!
Hij kwam tot het zijne. Hij kwam niet op de plaats die door Hem was gemaakt, maar Hij kwam op de plaats die voor Hem was gemaakt. Zijn huis, zijn stad, zijn land, zijn volk.
Zoals een kind naar zijn eigen huis gaat: hij heeft dat huis niet gesticht, maar zijn ouders hebben dat gedaan voor hem.
Ook hier behoeft dus niet de gedachte achter te liggen dat Hij voor zijn geboorte of bij de' schepping al werkzaam is geweest. Wél, dat God om zo te zeggen zijn bedje had gespreid.
(d) Jezus' relatie tot de ooggetuigen, vers 14-18.
Het Woord is vlees geworden. Het is gebruikelijk om deze tekst op de incarnatie te betrekken, de ontvangenis en geboorte van Jezus. Toch zijn er redenen om niet speciaal aan het kerstfeest te denken.
In de eerste plaats staat ook hier . weer het werkwoord 'worden', dat we liever met 'gebeuren' vertalen.
We denken dan aan de nieuwe dingen die Jezus bij zijn verschijning op het menselijke toneel tot stand heeft gebracht. Uit het voorafgaande vers blijkt, dat Johannes ook de beschikking had over het woord 'geboren worden'. Dit had veel beter gepast als hij Jezus' ontstaan had willen aanduiden. Nu krijgen we de indruk dat hij veelmeer op Jezus' béstaan de nadruk heeft willen leggen.
Deze indruk wordt, ten tweede, versterkt door het gebrUik van het woord 'vlees'. Dit duidt immers de mens in zijn zwakheid aan, de mens die lijdt onder en sterft aan de gèvolgen van de zonde. In ieder geval zegt deze tekst niet waaruit het Woord is gekomen, de Goddelijke preëxistentie, maar waarin het Woord is gekomen, de menselijke existentie. God heeft zijn Zoon gezonden in een vlees
aan dat der zonde gelijk (Rom. 8:3) en Hij heeft onder ons gewoond.
Een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders. Met goed recht kan men ook vertalen: 'van een eniggeborene van een vader'. Dan denkt men niet aan God de Vader en de Zoon, maar aan een aardse vader en zijn enig kind. Het woordje 'als' duidt dan ook echt een vergelijking aan. Zoals een aardse vader al zijn kennis en kunde doorgeeft aan zijn enig kind, zo heeft God al zijn eer geïnvesteerd in Jezus, vgl. Kol. 1:16 vv waar in eenzelfde verband evenals hier het woord 'volheid' opduikt (1:19,2:10). Het gaat niet om iets voortijdelijks, maar om dingen die in het begin van onze jaartelling zijn gebeurd.
Het hier gebruikte voorzetsel 'van' (eniggeborene 'van' een vader) gebruikt Johannes zowel van Johannes de Doper als van Jezus van Nazaret.
Het wijst niet op de generatie door de Vader in de eeuwigheid, maar op de missie van de Zoon in de tijd, vgl.
1:6 met 7:29. In elk geval kan men aan het gebruikte voorzetsel geen eeuwigheidselement ontlenen.
Die na mij komt is vóór mij geweest, want Hij was eer dan ik. Het spreekt vanzelf dat men deze uitspraak van Johannes de Doper in verband heeft gebracht met het voorbestaan, de preëxistentie. De uitdrukkingen 'vóór mij' en 'eer dan ik' geven hier alle aanleiding toe. We kunnen echter een paar dingen overwegen.
Ten eerste: hier staat weer het werkwoord 'worden', dat we ook kunnen weergeven met 'gebeuren', of desnoods 'geraken'. Dan zou de betekenis zijn: Hij is wel ná mij gestart, maar Hij is toch voor mij aangekomen.
Hij is mij voorgeraakt, voorgekomen.
In de tweede plaats: het'voorzetsel 'voor' heeft in het nieuwe testament soms temporale betekenis, eerder in tijd. Maar het heeft soms ook lokale betekenis, verder in plaats. Bijvoorbeeld in het vierde evangelie zelf: 'ik ben de Christus niet, maar ik ben voor Hem uit gezonden', en: de goede herder gaat voor zijn schapen uit (3:28, 10:4). Deze beide overwegingen versterken elkaar over en weer.
Ten derde: de uitdrukking 'eer dan' of 'eerste' duidt in het nieuwe testament soms een vólgorde aan, hij ging het eerst van start. Maar soms geeft deze uitdrukking ook een rángorde aan, hij kwam het eerst aan.
Men kan als laatste starten en toch als eerste aankomen, nietwaar? 'Eer dan' krijgt zo de betekenis van 'belangrijker dan'. En stellig was Jezus belangrijker dan Johannes.
In de vierde plaats: de drie andere evangeliën hebben in dit verband het woord 'sterker'. Johannes de Doper zegt daar: 'Hij die na mij komt, is sterker dan ik. Ik ben niet waard nederbukkende zijn schoenriem los te maken'. Ook deze twee overwegingen versterken elkaar over en weer.
Eén van de verklaarders schrijft: 'de nederige volgeling van Johannes werd verheven tot een superiore positie'. Met de eeuwigheid heeft dit alles niets te maken, met de tijd des te meer!
De Zoon die aan de boezem van de Vader is. Er is op gewezen dat hier geen verleden tijd staat, maar een tegenwoordige tijd. De tekst beschrijft niet de toestand van vroeger, maar van nu.
Bij de laatste paasmaaltijd ligt Johannes 'aan de boezem van' Jezus (13:23). Wij zouden zeggen: vlak voor Jezus. Welnu, zoals Johannes tijdens de paasmaaltijd vlakbij Jezus was, zo is Jezus tijdens zijn leven op aarde en na zijn hemelvaart vlakbij God de Vader. We kunnen inderdaad aan beide momenten denken: Jezus wandelt met God en Jezus zit naast zijn Vader. Op het standpunt van de schrijver van het evangelie lijkt het tweede 't meest waarschijnlijk - dat hij denkt aan Jezus zoals Hij nu zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader.
In elk geval heeft ook deze uitdrukking met de preëxistentie niets te maken. Samenvattend kunnen we zeggen:
(1) Ondanks de zware kerkelijke en theologische traditie Is het niet ' noodzakelijk om in de proloog van het evangelie naar Johannes aan de preëxistentie te denken. .
(2) Johannes begint zijn evangelie evenals de andere evangelisten bij het publieke optreden, hooguit bij de geboorte, van Jezus van Nazaret.
(3) De gegevens uit Johannes 1:1-18 zijn heel goed te betrekken op het leven en werken van de Here Jezus.
(4) In het vierde evangelie staat Jezus wel helemaal aan Gods kant: zijn heerlijkheid. Maar tegelijkertijd staat Jezus geheel aan de kant van de mensen: Hij is één van ons.
Vertaling van de hele passage:
1 In het beg 'in was de Woordvoerder en de Woordvoerder was bij God en Gód was de Woordvoerder:
2 deze was in het begin bij God.
3 Alles gebeurde door hem en buiten hem gebeurde er niets.
4 Wat is gebeurd in Hem, was leven en het leven was het licht der mensen
5 en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis overviel het niet.
6 Er gebeurde: een mens afgezonden bij God vandaan zijn naam was Johannes.
7 Deze kwam voor een getuigenis om over het licht te getuigen opdat allen door zijn dienst zouden geloven.
8 Hij was het licht niet maar om over het licht te getuigen.
9 Het enig werkelijke licht was er al het verlicht elk mens bij zijn komst de wereld in.
10 Hij was in de wereld en de wereld gebeurde door hem.
toch kende de wereld hem niet. '
11 Hij kwam tot het zijne toch namen de zijnen hem niet aan.
12 Maar zovelen hem aannamen hun heeft hij macht gegeven Gods kinderen te worden
13 hun die in zijn naam geloven die niet uit bloedgroepen en niet uit vleselijke lust en niet uit mannelijke wil maar uit God werden verwekt.
14 En de Woordvoerder gebeurde als vlees en vertoefde onder ons en wij zagen zijn eer.
een eer als van een enig kind van een vader vol genade en waarheid
15 Johannes getuigt over hem en roept uit: Deze was het van wie ik zei: Hij die na mij komt, is mij voorgeraakt want hij was belangrijker dan ik-
16 want uit zijn volheid kregen wij allen zelfs genade in plaats van genade
17 want de wet werd door Mozes gegeven de genade en de waarheid gebeurden door Jezus Christus,
18 God heeft niemand ooit gezien Gods enige die vlakbij de Vader is Hij vertetde..