Punten en komma' Si(1)

1990-01-05
  • Jaargang 34
  • nummer 1
Onlangs 1 wees ik op verkeerde versen zinsindelingen in enkele teksten uit Petrus' brieven. In de loop der jaren zijn me veel meer plaatsen in het NT opgevallen waar men in de onder ons gangbare weergaven de zinnen verkeerd heeft ingedeeld. Op enkele daarvan wilde ik in deze' reeks de aandacht vestigen.

De achtergrond van de problemen
Misschien zal de lezer zich afvragen: hoe is dat toch mogelijk, dat de zinnen in onze vertalingen soms verkeerd zijn ingedeeld? Is dan in de , grondtekst daarover geen uitsluitsel te krijgen? Werkte men daarin niet met leestekens?
Dan moet het antwoord luiden: Nee; aanvankelijk althans niet. Als men de oudste griekse handschriftenook van het NT - opslaat, heeft men een tekst voor zich di ln louter hoofdletters is geschreven. Pas in het begin van de 9de eeuw is men overgegaan op het z.g. minuskelschrift, dat wij - in een ietwat 'verbasterde' vorm - tegenwoordig nog gebruiken voor het schrijven en drukken yan een griekse tekst.
Nu, dat oude, z.g. unciale, schrift is in feite een ketting van hoofdletters zonder enige markering. Er staan niet alleen geen punten en komma's, geen vraag- of uitroeptekens of wat ook in; nee, er is zelfs geen woordindeling gemaakt. De lezer moet zelf de ketting 'in mootjes hakken'.

Dubbelzinnigheid door het ontbreken van woonlindeUng
Naar men begrijpen zal, is het een hele toer een tekst die z6 geschreven is, goed te lezen. In de tijd toen men zulke oude, unciaal geschreven teksten overbracht in de 'modernere' minuskel- dat gebeurde voornamelijk in twee perioden, nl. rond 850 en rond 1300 - zijner dan ook verschillen o.a. in woordindeling opgetreden, wanneer t",!ee scriba's dezelfde tekst overschreven.
Aan een modern voorbeeld valt voor het Nederlands te illustreren, dat dezelfde lettercombinatie soms twee opvattingen toelaat. Enkel~ jaren geleden, toen de Letterenfaculteit van de Rijksuniversiteit Groningery.
erg op de tocht kwam te staan in het kader van bezuinigingen, is er een congres gehouden onder de titel OVERLEVENDELETTEREN.
U kunt - en dat was ditmaal ook de bedoeling! - dit op twee manieren lezen:
a) Ovèrleven de letteren?
b) Over levende letteren!

Dubbelzinnigheid door het ontbreken van leestekens
U ziet, dat in het pas genoemde voorbeeld .naast het ontbreken van woordindeling ook het achterwege blijven van leestekens in het spel is.
Van de dubbelzinnigheid die het niet plaatsen van punten en komma's e.d. meebrengt, kent U waarschijnlijk allemaal wel een voorbeeld.
Uit mijn kinderjaren herinner ik mij het volgende raadsel-versje: De boeren uit het Noorderland hebben tien vingers aan elke hand vijf en twintig aan handen en voeten.
Wie weet, hoe we dit lezen moeten?
Op grond van de regelindeling is ieder geneigd hier te denken aan boeren met aan elke hand tien vingers (regel 2). Hoe ze dan aan handen en voeten samen er maar Vijfentwintig kunnen hebben (regel 3), blijft zo een onoplosbare vraag. Het grapje is echter, dat men de regels 2 .
en 3 z6 moet indelen: hebben tien vingers, aan elke hand vijf, en twintig aan handen en voeten.
Wie bedenkt, dat de tekst van het griekse NT oorspronkelijk geen enkele indeling te zien gaf, dien zal het niet bevreemden, dat er, toen men later wél een indeling maakte, en daartoe leestekens plaatste, wel eens iets mis is gegaan, doordat men de tekst niet goed begreep.
Voor dit soort fouten, gernaakt bij het overschrijven van de 'heilige' tekst, moet men begrip opbrengen. Men mag niet meewarig het hoofd schudden over 'die domme afschrijvers'.
Wat zouden U en ik ervan gemaakt hebben, als we zo'n 'maagdelijke' tèkst hadden moeten indelen en van leestekens voorzien?
Aan de andere kant zou het wel helemaal fout zijn, als wij op onze beurt nu zo'n foutief ingedeelde en van onjuiste leestekens' voorziene tekst heilig gingen verklaren, omdat hij op zo'n lange traditie kan bogen; en als wij mensen die wat hier bij de overlevering scheef is gegaan, trachten recht te zetten, als aanranders van Gods heilig woord zouden beschouwen. .

Rom. 8, 33·37
Als eerste voorbeeld van een op onjuiste wijze ingedeelde en van leestekens voorziene tekst noem ik Rom. 8, 33-37. Ik heb vroeger al eens ergens in een noot, meen ik, dit geval gesignaleerd. Maar er is aanleiding hier nog eens breder op terug te komen. We zullen hier nl. ervaren, hoe onze gangbare collectie leestekens toch soms te kort schiet, wil men alle affecten die een schrijver aan zijn tekst meegeeft tot uitdrukking brengen.
De NBG geeft onze tekst als volgt weer: 33 Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen?
God is het, die rechtvaardigt; 34 wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.
35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard?
36 Gelijk geschreven staat: Om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen.
37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad.

Drie vragen
Wie aandachtig leest, ziet aanstonds, dat hier achtereenvolgens drie vragen worden gesteld, die allemaal met 'Wie ...?' beginnen. Dat 'wie' vinden we nl. aan het begin van v. 33, van v. 34 en van v. 35.

De laatste vraag
Kijken we nu eerst eens naar de laatste vraag ("Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?"), dan zien we, dat deze gevolgd wordt door een aantal vragenderwijs gedane suggesties van mogelijke antwoorden.
Aansluitend bij wat ik in de artikelen 'Rhetorische reeksen in de brieven van Paulus'" heb betoogd, orden ik ze in drie groepjes; en terwille van de duidelijkheid (vooral van de samenhang tussen bepaalde elementen) veroorloof ik me een wat vrijere weergave:
a) In het nauw gebracht of klem gereden worden of achtervolqtnç?"
b) Of gebrek aan voedsel of kleding?
c) Of gevaar, eventueel van afgeslacht te worden?
Nadat dit laatste gevaar door Paulus is geadstrueerd met een aanhaling uit Ps. 44, 23 ("slachtschapen" , v.
36), gaat hij in v. 37 de in v. 35b gesuggereerde antwoorden afwijzen: "Maar al die genoemde moeiten komen we toch glansrijk te boven door Hem die ons heeft liefgehad?!"

Verlegen om een goed leesteken
Niet zonder reden heb ik v. 37 in mijn weergave afgesloten met een combinatie van een vraag- en een uitroepteken. Hier hebt U nu zo'n geval dat het moeilijk is de toon waarop zo'n vraag gesteld wordt, in een geschreven of gedrukte tekst adequaat aan te geven met één leesteken. Het is wel een vraag, maar geen open vraag: men verwacht van den aangesprokene een bevestigend antwoord. De vrager krijgt - daarvan is hij overtuigdden ondervraagde op zijn hand. Er klinkt dan ook, als hij dit vraagt, al iets van de triomf door waarvan hij zich bij voorbaat verzekerd weet.

De eerste beide vragen
Wat men nu veelal niet in de gaten heeft gehad, is dat de verzen 33 en 34 in feite dezelfde opbouw vertonen als 35-37, zij het in korter bestek, nl.
a) vraag;
b) vragenderwijs gedane suggestie van een mogelijk antwoord; c) afwijzing van die suqqestte".
Ziet U maar: 33
a) Wie zal Gods uitverkorenen gerechtelijk vervolgen?
b) God soms?
c) Die ons notabene vrijspreekt!
34 a) Wie zou het wel moeten zijn die ons veroordeelt?
b) Christus Jezus soms?
c) Die notabene voor ons is gestorven, sterker nog opgewekt; die zelfs rechts van God zit5; die zelfs voor ons pleit!
Ik heb in 33c en 34c de zin afgesloten met alleen een uitroepteken.
Toch zou ook daar een vraagteken erbij niet misplaatst zijn. Er zit nl. ook iets in van een vraag: "Dacht je nou heus, dat God, die ons vrijspreekt, nog gerechtelijke stappen tegen ons zal ondernemen?" (33c) en "Lijkt je dat mogelijk, dat Christus Jezus, die zich voor ons opgeofferd heeft, die niet alleen één lijn trekt met den Vader, maar bij Dezen ook nog eens extra een goed woordje voor ons doet, onszou veroordelen?" (34c).

Liever horen dan lezen
Dit is nu typisch een tekst die je goed moet horen voorlezen. Alleen als spreker kon Paulus er de nodige klem en overtuigingskracht in leggen.
En hij heeft, zoals ik al eerder zel", ook verwacht, dat iemand uit de geadresseerde gemeente zijn woorden goed geïntoneerd zou voorlezen.
Bij 'stil' (voor zichzelf) lezen gaat licht iets van de emotionele kracht van deze woorden verloren. Lezen kan horen nu eenmaal niet helemáál vervangen.

Noten
1) Opbouw 33, 250-252.
2) Opbouw 33, 40-41 en 56-57.
3) Zie over deze termen Opbouw 33, 41 noot 1.
4) De Willibrordus-vertaling is een eindweegs in de goede richting gegaan, maar neemt b en c samen als een vraag; heeft er dus geen oog voor, dat c een apart onderdeel is, t.w. de afwijzing van de suggestie.
5) Op de rechterstoel nl.: die dus oordeelt in harmonie met den Vader, van wien zojuist is gezegd, dat Hij vrijspreekt (v. 33).
6) Opbouw 33. 57.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief