Hoe sociologen ons zien
1990-01-19
Het boek 'Gereformeerden in meervoud' van de hand van de hoogleraren G. Dekker en J. Peters heeft nog al wat pennen in beweging gezet.- Jaargang 34
- nummer 2
Het altijd zo omstreden gereformeerd volksdeel wordt in dit geschrift aan een sociologisch onderzoek onderworpen.
Het is gedaan op grond van een wetenschappelijk onderzoek, waarin met 3000 Nederlanders tussen de 18 en 70 jaar een gesprek is gevoerd met behulp van een uitvoerige vragenlijst.
De gereformeerden in ons land, dikwijls gereformeerde gezindte genoemd, zijn verspreid over zo'n tien kerken.
Het is daarom geen eenvoudige opgave hiervan een enigszins geordend beeld te geven. Het ligt voor de hand dat ieder meelevend lid van de gezindte benieuwd is hoe zijn groepering in het onderzoek 'uit de bus.' is gekomen. Gezien het feit dat ook onze nederlands geref. kerke'n in het verhaal voorkomen, nam ik met een zekere verwachting het boek ter hand.
In de loop der jaren heb ik in binnenen buitenland de plaats van onze kerken duidelijk moeten maken en dat was dikwijls moeilijk, want we zijn wel klein, maar nogal verscheiden en het kerkverband werkt maar ten dele.
Daarom was ik benieuwd naar het beeld dat onze kerken in het sociologisch onderzoek zouden vertonen.
Zijn wij erg sociaal of slaat het-individualisme bij ons toe?
De stromingen binnen het gereformeerd volksdeel worden in het onderzoek onderscheiden in 3 groepen, verdeeld over diverse kerken en wel: de bevindelijken, de orthodoxen, de modernen. Wanneer deze indeling vragen oproept: b.v. laat de gereformeerde belijdenis een verdelen orthodox-modern toe, gelieve u te bedenken dat sociologen de te onderzoeken groepering met voor hun vak geldende maatstaven benaderen.
Wel kan de vraag gesteld worden waarom een vierde stroming die ik evangelisch-gereformeerd zou willen noemen buiten beschouwing is gebleven.
Er is al jaren een evangelische stroming in ons land die zich sterk maakt in de E.O., de evangelische hogeschool en verschillende instellingen voor zending en evangelisatie.
De E.O. brengt meer jongeren op de been dan welke kerkelijke jeugdorganisatie ook.
Waarom is deze invloedrijke stroming binnen de diverse gereformeerde kerken niet directer in het onderzoek betrokken? Mogelijk was ons rapport-cijfer wat beter uitgevallen, want onze kerken komen er niet zo best uit.
De Nederl. Geref. Kerken vormden van hun bestaan af een mindergesloten groepering dan de vrijgemaakt-gereformeerden, wordt terecht opgemerkt. De groepering is echter te klein om als afzonderlijke groepering in het onderzoek te worden opgenomen. Ook uit andere onderzoekingen zijn ons geen gegevens van deze groepering bekend.
Wanneer we zien dat van de 3000 Nederlanders die aan het onderzoek deelnemen er 10 bij onze kerken hoorden is te begrijpen dat we te 'klein' zijn; laat het ons tot bescheidenheid nopen en tot voorzichtigheid.
Het feit dat we te gering zijn voor het onderzoek is voor de schrijvers geen verhindering om onze kerken in te delen. "We hebben binnen de gereformeerde wereld vermoedelijk te maken met een 'moderne' kerkelijke groepering ... die mis-' schien nog het meeste verwantschap met de synodaalgereformeerde groepering vertoont".
Mijn vraag is: Hoe komt men tot dit oordeetnadat is vastgesteld dat er te weinig gegevens over ons zijn?
Zeker, er zijn in de syn. gereformeerde kerken groepen met wie wij ons nauw verbonden voelen, maar zij hebben het erg moeilijk in hun kerken en vragen ons om hulp. Op mijn 'preek-reizen' ontmoet ik in vrijwel alle gemeenten broeders en zusters die hun toevlucht bij ons hebben gezocht.
Het is mogelijk dat de oordeelsvorming is beïnvloed door de verhouding tot andere kerken 'in de gereformeerde familie. Zo lees ik op pg. 29 dat wij in alle opzichten de tegenpool vormen van de vrijgemaakten en met hun wereld vrijwel geen affiniteit meer hebben.
Het kan zij n dat de bij tijden pittige polemiek over en weer die indruk wekt en men zich laat leiden door de voorlichting over onze kerken b.V. in 'de Reformatie', maar wie let op de emotionele ondertoon in deze voorlichting bemerkt dat er wel degelijk affiniteit is omdat we van dezelfde 'bloedgroep" zijn.
Onze contacten met de Chr. Geref. Kerken komen op pg. 135 ter sprake; ze zijn gezien de samenwerking op plaatselijk niveau hier en daar het meest belovend, maar de éénwording lijkt voorshands verder weg dan ooit. De schrijvers geven ons weinig hoop, want wij hebben niets bevindelijks.
Dit laatste hebben we dan weer gemeen met de vrijgemaakten, die zeer kerkelijk en zeer orthodox zijn en met hun strak georganiseerd kerkelijk en verenigingsleven nog het meest het beeld van de gereformeerde kerken in hun bloeitijd vertonen.
Het goede 'rapport' is hun gegund, maar toch hebben ze ook iets 'moderns' en wel in hun opvattingen over de rol van de vrouw, die weinig afwijken van het gemiddelde van de Nederlandse bevolking. Dit zal wel waar zijn, maar in de vrijgemaakte kerken wil men niets weten van de vrouw in het ambt en mogen de zusters niet deelnemen aan de verkiezingen voor ambtsdragers.
Uit alles is duidelijk dat de indeling: orthodox, bevindelijk, modern niet confessioneel bepaald is; de schrijvers zijn er zich ook van bewust dat de verdeling relatief is .: Daarom moeten we ons er maar niet te veel van aantrekken dat we bij de modernen zijn ingedeeld en vertrouwen dat dit niet tegen ons gebruikt zal worden .
Tenslotte: op pg. 83 wordt aandacht gegeven aan het omroeplidmaatschap van de gereformeerden. Uit de tabellen blijkt dat van de vrijgemaakten 77% lid is van de E.O. en 15% van de N.C.R.V. Bij de chr.
gereformeerden is 32% lid van de E.O. en 48% van de N.C.R. V.
Dit is verrassend omdat de E.O. er in de vrijgemaakte pers niet zo best afkomt en gezien de veelvuldige medewerking van chr. gereformeerden aan de programma's van de E.O. zou je een hoger percentage verwachten.
Conclusie: we zijn een merkwaardig en grillig volk.