Persschouw

1990-01-19
  • Jaargang 34
  • nummer 2
,,Het leven is een damp, de dood wenkt ieder aar"
Kwart voor elf in de avond: de telefoon rinkelt. Een mevrouw deelt me mee dat haar oude vader in het ziekenhuis is overleden. 's Middags had ik nog in een kleine kring familieleden bij zijn bed gestaan. Het was duidelijk dat de dood niet meer dan enkele uren ver weg was.
De volgende morgen half negen: de telefoon rinkelt. Een andere mevrouw deelt mee dat haar bejaarde tante in de afgelopen nacht voor altijd was heengegaan. Zij was door een hersenbloeding getroffen en de huisarts had een hulpeloze blik in de ogen gehad. Zij was al voorbij de grens van menselijke redding.
Welke collega predikant heeft al niet ettelijke keren dezelfde ervaring opgedaan? Het is of de dood soms overuren maakt.
Het is het bekende beeld: familie bijeen, de bode van de begrafenisvereniging, iemand hanteert de telefoon, iemand anders werkt aan de tekst van een overlijdensbericht, beraad over tijd en plaats van een afscheidsdienst, de vreemde sfeer van een gezelschap dat door de dood bijeengebracht en onder pressie is geplaatst.

Er is geen gewenning
Onlangs maakte iemand de opmerking: "Jullie, dominees, zullen er allang aan gewend zijn". Hij bedoelde het goed. Hij had het oog op jarenlange ervaring, op verzamelde kennis van alle gevoeligheden die in zulke uren moeten worden ontzien en op - ja ook dat - een zekere routine die men in het eigenaardige bedrijf van predikant verwerft.
Maar wén je eraan? Het is al heel lang geleden, in de herfst van 1950, dat ik voor mijn eerste begrafenis stond. Het betrof een oude en ongehuwde dame van wie de dood door weinigen werd betreurd. Het was dan ook een kleine groep die op de dag van de graflegging bijeen was.
Toen is het voor het eerst door mij heengegaan - nog anders dan in oorlogs- en bezettingstijd - hoe onverbiddelijk en onherroepelijk de dood is. Er kan niets meer gezegd worden, er kan niets meer goedgemaakt worden, er kan geen andere weg meer worden ingeslagen. Alles is geschiedenis geworden. Geschiedenis betekent: alles is gestold.
Wén je eraan? Dat dodenmasker komt niet meer in beweging, ogen kijken je niet meer sprekend aan, een hand ligt stil en wordt niet meer naar je uitgestrekt. Een hart kan niet meer voor een ander Kloppen.

Na hoor je het ook eens van een ander
Vóór me ligt een boek van een Tsjechische marxistische docent in de wijsbegeerte. Het heet in vertaling: 'God is niet helemaal dood'. De schrijver is jaren achtereen leraar aan de militaire academie in Brno geweest. Tegen het einde van zijn boek houdt hij zich intensief bezig met het verschijnsel van de menselijke dood. En dan staat hij, filosofische atherst als hij is, ineens vlak naast mij als christen: "Ik sterf - dat betekent: ik zal mijn werk niet kunnen afmaken, ik zal hen van wie ik gehouden heb, niet meer zien, ik zal geen schoonheid of droefenis meer ervaren. In mijn hart zal de weergaloze muziek van deze wereld niet meer meeklinken. Ik zal nooit meer en in geen enkele richting meer boven mezelf uit kunnen komen. Mij rest alleen dit laatste".
Vitêzslav Gardavsky - zo heet hij staat daarin vlak naast me. Maar:: dan volgen woorden die hij als principiële atheïst moet schrijven en waarin hij weer een eind van mij af staat: "De dood is zo verschrikkelijk wegens dit verlies aan betrekkingen: ons innerlijk houdt op het kruispunt te zijn waarop ontmoetingen plaatsvinden.
Des te noodzakelijker is het om deze zekerheid omtrent onze individuele toekomst helder voor ogen te houden. Daarom moet ik zo leven dat ik in elke betrekking die mij aangaat, een maximum van mijn leven leg: alsof ik morgen zou sterven.
Wie aan God gelooft en aan een onsterfelijke ziel, heeft ook in zijn laatste uurtje iets om op te hopen. Ik koester deze hoop nlet. Daarom zie ik alle betrekkingen, die ik heb, scherp en helder voor me, niet in de nevel van mystieke en bedrieglijke verwachting van iets dat na het laatste verzinken zou volgen. Elke van mijn betrekkingen draagt het teken van de dood. Elke betrekking heeft voor mij een onherhaalbare waarde, geen daarvan kan tegen een andere worden uitgewisseld. ledere ontmoeting met een mens. ls voor mij die zelf eindig individu ben een geschenk, want het kan mijn laatste ontmoeting met hem zijn. En ook ik ben voor iedereen een geschenk, voor zover ik iets weg te geven heb".

Gemeenschappelijk besef
Deze citaten geef ik door om aan te duiden dat christenen en niet-christenen voor het gemeenschappelijke besef van de radicaliteit van de dood staan. Juist daarom wen je niet aan de dood en kun je niet aan de dood wennen. Elke dood is voor ons in deze wereld een volstrekt verlies. Daarvoor bestaat geen compensatie.
Vooral in het Oude Testament wordt voor de dood gevreesd. De Psalmen staan er vol van. Prediker ziet de dood als eindpunt van de ijdelheid van het leven. Rispa houdt haar beklemmende dodenwacht. David huilt zich leeg bij de dood van Saul en Jonathan. Het is overal, overal hetzelfde.
En daarom ligt het unieke van het Nieuwe Testament in de verbreking van en de overwinning op de dood.
"Dood, waar is uw prikkel?" luidt de triomfantelijke roep van Paulus. De enige poort door de zwarte muur van.
de dood heet Jezus Christus. Dat is tevens het enige wat wij bij de dood van hen van wie wij hielden, tegen elkaar kunnen zeggen. De doden zijn tegelijk achter ons en voor ons uit. Zij leven in onze herinnering én zij zijn al in de toekomst. Dat is het dubbele besef van hen die zich naar de naam van hun Heer noemen. Dat zijn gelijktijdig onze tranen en onze schuchtere lach vanwege de hoop die in ons is.
Maar wennen, nee, dat doe je nooit. Je kunt met alles in het leven een arrangement aangaan, behalve met het einde van dat leven.
Wij kunnen over de dood nooit het laatste woord zeggen.
Dat laatste woord is alleen aan God.

Dit belangwekkende en emotionerende artikel knipten we ongeveer 'twee jaar geleden uit de FRIESE KERKBODE. Het werd geschreven door ds. L.H. Kwast, destijds eindredateur van genoemd blad, nu wonend te Leeuwarden. Hij wordt terecht betiteld als een bekwaam gereformeerd scribent. Ook dit stuk van zijn hand imponeert en wijst een schriftuurlijke weg bij het benaderen van de dood als niet te ontwijken gegeven in een mensenleven. Paulus noemt in I Corinthiërs 15:26 de dood de laatste vijand - niet de ergste vijand.
De ergste vijand is de satan! Maar die laatste vijand zo tekent Paulus heeft niet het laatste woord. Door de viktorie van de Christus is zijn funktie veranderd. Hij is door iemand vergeleken met een jachthond, die de buit aandraagt. Hij moet de Heiland dienen om de Zijnen over de streep te trekken, zodat zij voor eeuwig bij de Heer zijn. Wijlen Prof.
Dr. J.P. Versteeg heeft destijds in een boeiende meditatie geschreven over angst voor de dood. "Wanneer we één keer Jezus' angst voor de äooäop ons hebben laten inwerken, is het voor ons onmogelijk geworden om nog langer drie dingen met betrekking tot de dood te doen. We kunnen dan de dood in de eerste plaats niet meer camoufleren, in de tweede plaats niet meer accepteren en in de derde plaats niet meer negeren.
"Eén en ander werkt Prof. Versteeg dan nader uit terwijl hij in dat kader opmerkt, dat iemand terecht gezegd heeft: "Met ons doodzwijgen van de dood doen we niets anders dan onze angst verdringen, terwijl we elkaar laten vereenzamen met onze doodsprobiemetiek", Hij nodigt ons vervolgens uit met vrijmoedigheid onze dood in het verlengde van Jezus' dood te leggen.
Zo spreekt onze br. Versteeg nog tot ons nadat hij gestorven is. Mét Jezus komen we er doorheen. Hij verdrijft met zijn opstandingskracht op zijn tijd de angst voor de dood in een gebroken mensenleven!

Enschede, O. Mooiweer

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief