Ik bèn uw Bewaarder (1)
1990-02-02
Een psalm speciaal voor mensen die ergens vreselijk tegenop zien. Je wordt plotseling gekonfronteerd met grote moeilijkhedèn en je vraagt je af: Wat moet ik nou? Hoe kom ik hier ooit doorheen? En dan weet je als kerkmens natuurlijk het antwoord wel. Maar we lijken soms net autotjes van een speelgoedracebaan. We vliegen steeds maar weer uit de bocht. We raken het spoor bijster en de Here God moet ons weer op de baan zetten. Dat doet Hij, bv. door deze psalm.- Jaargang 34
- nummer 3
Konkrete situatie
De situatie van de man in de psalm ligt voor de hand. Hij gaat op bede- ' vaart. Hij gaat de lange tocht maken naar Jeruzalem. En hij ziet er geweldig tegenop. Als hij alleen al aan al die bergen denkt waar hij over- en doorheen moet. Vanwaar zal mijn hulp komen als ik er straks middenin zit? Maar hij is een kerkmens. Hij weet het natuurlijk wel: Mijn hulp is van de HERE, die hemel en aarde gemaakt heeft (vs. 2). Natuurlijk.
Maar nou zie ik die hoge bergen en nu moet ik toch wel even slikken, -Zèggen dat je hulp van God komt is nog wat anders dan er uit leven.
Maar gelukkig heeft hij broeders en zusters of familie die het hem nog een keer verzekeren. Ze zeggen: Ja, je ziet er tegenop maar je weet het . toch, hè? De HERE zal niet toelaten dat je voet wankelt (vs. 3). Kom, je weet het, geloof het nu ook. Laat je die zekerheid niet afnemen nu je die bergen voor je ziet. Ga met God, Hij is je Bewaarder. En dan zwaaien ze 'm uit.
Hulp zoeken
Maar ligt het zo voor de hand dat een mens z'n hulp bij God zoekt? Als die man die vraag stelt: Vanwaar komt mijn hulp?, dan zie je hem staren naar wat voor hem ligt. En dan gaat hij met zijn ogen op zoek naar hulp. Het is spannend: Waar gaan die ogen naar toe? Naar beneden: Ik zal er zelf doorheen moeten zien te komen? Of naar opzij: mijn vrienden, mensen die meereizen?
Daar kijkt een mens natuurlijk allemaal het eerst naar. En dat is best.
Maar de man van de psalm stoot dieper door. Hij kijkt naar de hoge bergen en dan verder omhoog. Er is Iemand die deze bergen heeft gemaakt.
Daar moei ik zijn. Uiteindelijk niet pij mensen voor wie de dingen' net zo angstaanjagend zijn als voor mezelf. Goed, je kunt elkaar vasthouden en dat is heel wat waard.
Maar Hij is de Almachtige Schepper!
Heel mooi zie je hier dat een dogmatisch leerstuk iets levends is. Je hebt hier de leer van de schepping en je ziet dat dat iemand op de been kan houden. Want de leer van de schepping gaat natuurlijk over de Schepper.
En als Hij nu in staat is zoiets machtigs en indrukwekkends als een berg neer te zetten, zal Hij dan mij niet kunnen helpen als ik daar doorheen moet? Hij heeft mijn voet gemaakt, heel zorgvuldig en toegewijd.
Dan zal Hij toch niet toelaten dat die voet wankelt? Vanwaar komt mijn hulp? Als ik goèd nadenkschuif ik een heleboel mogelijke antwoorden opzij en zeg ik: U bent het! (Ps. 16:1,2).
Vanzelfsprekend?
Je kunt je dan natuurlijk wel afvragen of je daar zomaar vanuit mag gaan. Even naar boven kijken en daar is de Here weer om mij te helpen.
De psalm is er heel ongekompliceerd in: Je kunt er op rekenen. De Here sluimert noch slaapt (vs. 4).
Maar dan moet je Ps. 44:24 eens lezen. Daar staat n.b.: Waarom slaapt Gij Here, ontwaak. Hoe zit het nu? Kan ik op Hem r:ekenen of zijn er ook momenten dat ik Hem niet mag storen? Ps. 44 gaat echter zo verder: Verstoot niet voor eeuwig. Waarom verbergt Gij Uw aangezicht? Het is dus bepaald niet zo dat de HERE ook even rust moet hebben. Hij had Zich bewust teruggetrokken. Vanwege de zonden van het volk. Dat kan dus.
Dat je niet op God hoeft te rekenen als je in zonde leeft.
Maar als de zaken nu zo liggen kan het volgende gevoel je bekruipen: Het gaat niet goed in mijn leven, een hoop moeilijkheden. Zou de Here God Zich van mij afgekeerd hebben?
Maar door welke zonde dan? Wat heb ik gedaan? En als iemand in zo'n geval tegen je zou zeggen: Vergeet het niet, de Here is je Bewaarder, dan zeg je: Nee, van mij niet want Hij heeft Zijn aangezicht voor mij verborgen. Dat is natuurlijk een afschuwelijke onzekerheid. Wie kan dan ooit Ps. 121 uit volle borst zingen? Wie zonder zonde is zingen het eerste couplet. En toch is dat mogelijk. Niet omdat we' zonder zonden zijn maar omdat we geloven in Gods genade. Er is namelijk vergeving, door de Here Jezus. Alleen door Hem kunnen we heel vrijmoedig op God toestappen en om hulp vragen, uit genade. Zonder Jezus staan we inderdaad voor een dichte deur.
Persoonlijke boodschap
Maar als er nu staat: Mijn hulp is van de HERE, is dat dan niet een heel persoonlijk getuigenis waar ik verder weinig mee doe? Mooi dat die man dat kan zeggen en ik zou het ook heel graag zo willen ervaren maar ik mis dat nou net. Op zo'n moment moeten we beseffen dat de Bijbel niet maar een boek is met persoonlijke ervaringen waar ik de mijne naast kan leggen. De Bijbel is Gods Woord, d.w.z. een hoogst persoonlijke boodschap van God voor mij. De Here God wil een einde maken aan al dat getwijfel bij ons of we wel genoeg voelen en of er niet iets aan ons geloof tekortschiet. Hij zegt hier tegen mij persoonlijk: Ik bèn jouw Bewaarder! Ik wil goed op je letten en Ik zal je geen moment uit het oog verliezen. Ik zàl aan je kwetsbare kant gaan staan ("schaduw aan uw rechterhand", vs. 5). En dat doe Ik dag en nacht. Ook 's nachts als de bergen nog veel groter lijken. Dat zegt hij hier tegen mij. Hij belooft het en ik mag het gewoon aanvaarden, in Christus.
Niet uit de wereld
Zo'n psalm kan je echter ook een gevoel van onbehagen geven. Klinkt dit niet allemaal wat al te rooskleurig?
Het is toch niet zo dat ons niets overkomt, ook al leef je uit genade?
Zou deze psalm eigenlijk niet een soort wensdroom zijn? Een man moet op reis en de nacht ervoor droomt hij dat God hem op handen zal dragen. Geen last Van de zon.
Geen problemen. Psalm 23 lijkt ook zo'n simpele psalm: De Here is mijn Herder, mij ontbreekt niets. Gewoon, niets. En toch staat dan even verderop: Zelfs al zou ik door een dal van diepe duisternis moeten, dat kan me overkomen, ook als de Here mijn Herder is, maar weet je, dan vrees ik toch geen kwaad want Hij is bij mij.
Zoiets zie je ook in het N.T. De Here Jezus doet voorbede voor de Zijnen en dan zegt Hij: Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze (Joh. 17:11-15). Daar heb je dat woord 'bewaren' weer. Je kunt iets op twee manieren bewaren, bv. een mooie ketting. Je kunt hem in een doosje stoppen met watten er in en dan in de kluis. Daar kan niets mee gebeuren. Je kunt er ook een beschermend laagje overheen laten aanbrengen en dan heel voorzichtig omdoen en er steeds goed op letten.
Zo, op die laatste manier bewaart
God ons. Hij neemt ons niet weg uit de wereld, stopt ons niet in een doosje maar geeft ons een beschermend laagje en let goed op ons. Die boodschap kregen de discipelen ook in Luk. 21:16-19. De Here Jezus zei niet: Als Ik weg ga moeten jullie maar naar een onbewoond eiland vertrekken en wachten tot Ik terug kom. Nee, zij hebben iets in de wereld te doen. En dat geldt ook voor ons. Het evangelie moet gebracht worden. En dat kan je flink wat problemen opleveren. Maar: Geen haar van ons hoofd zal verloren gaan!
Oftewel: Ga het gevaar in, ga die bergen maar op, ga gerust want het zal je ondergang niet worden. Vrees geen kwaad want Ik bèn uw Bewaarder.
Zelfs als je zou moeten sterven.
Dan houdt dat bewaren niet plotseling op. De HERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, nu en tot in eeuwigheid. Gods bewaring passeert de dood. Want Jezus heeft de dood overwonnen. Het is geen vijand meer die ons uit Zijn hand wegrukt. Dat bezweert de Here God ons in deze psalm: Ik ben en blijf uw Bewaarder, uit genade door de Here Jezus Christus.