A K E N T S K E L E J U

1990-02-02
  • Jaargang 34
  • nummer 3
Mijn zwager had het gezien in Leeuwarden.
Een aanplakzuil riep de bewoners van deze goede stad op tot allerlei wereldverbeterende activiteiten: Ban de bom, Stop de zeehondenmoord, Red de Waddenzee, Spaar onze monumenten, Boycot Shell, en meer van die afdoende oplossingen voor problemen waar wij wakker van liggen. Maar het meest werd de aandacht getrokken door wat er met grote letters overheen was gekalkt: AKENTSKELEJU.
Over zoiets moet je even nadenken.
Akentskeleju? O, wacht, alles is aan elkaar geschreven, het moet zijn: A, ken 't skele, ju. Voor wie het Stadsfries niet beheerst: het komt ongeveer overeen met het Hollandse "ach, kan het jou schele, jó." "Ik had veel plezier aan deze Leeuwarder verzuchting, zowel om de vorm als om het relativerende element dat erin zat. Prompt gaf ik dan ook deze nieuw verworven kennis door aan mijn klassen; ik schreef de leuze op het bord en liet hun de .betekenis raden. Je bent tenslotte niet voor niets leraar Nederlands. Ja toch?
Dat moet toch kunnen? Niet lang daarna kreeg ik een ansichtkaart uit Nes op Ameland, waar enkele leerlingen uit
6VWO een paar vakantiedagen doorbrachten. Er zat geen postzegel op. Ik moest strafport betalen.
Maar dat had ik er best voor over. Want in plaats van de namen van de afzenders stond er: Akentskeleju.

Frans en Margreet stuurden me tegen het einde van het jaar een fraaie kaart met de beste wensen en de aansporing: Probeer in een tijd waarin vaagheid troef is, helder te zijn. Al wéér iets om over na te denken.
Mijn vader vertelde me eens dat hij voor de oorlog Colijn had horen spreken. Niet dat alles zo glashelder werd gezegd, maar een arbeider vatte de toespraak kort enkrachtig samen met: "Hard wark'n en zuunig leev'n." En dat was inderdaad de kern. Zouden de zaken er minder goed door gaan, als voortaan de dingen zo helder gezegd werden dat iedereen ze kon begrijpen?
Waarom toch zo vaak dat wollige taalgebruik waarvan heus niet alleen de zachte sector zich bedient?
Verlaging van inkomsten heet zelfs al geen bezuiniging meer, maar 'ombuiging'. Wim Kan vatte het beleid al eens zo samen: Verlaging van de verhoging, en verhoging van de verlaging. Is het vreemd dat mensen de schouders ophalen en verzuchten: AkentskeJeju?

Kijkt u ook naar de uitzendingen over De Bezetting? Dan hebt u het verhaal van ds. Buskes weer gehoord over die man in het gebombardeerde Rotterdam. U weet nog watdie man zei? "Ik néém het niet!
Ik néém het niet!" Dat zei ook professor Cleveringa in Leiden toen zijn joodse collega Meijers op last van de Duitsers moest verdwijnen. Dat zeiden ook de Amsterdamse arbeiders die het in februari 1941 voor 'hun joodse stadgenoten opnamen.
Dat zeiden alle verzetsmensen. "Ik néém het niet!" Niks Akentskeleju!

Iedereen heeft de plicht zijn persoonlijke verantwoordelijkheid te dragen. Niemand kan die van ons overnemen, geen regering, geen directie, geen kerkeraad. Als er verkeerde dingen gebeuren, horen wij verzet te bieden. "Gij zult de' meerderheid in het kwaad niet volgen!"
En zelfs in de kerk kan het soms nodig zijn daaraan te herinneren.
Niet alles is met meerderheid van stemmen uit te maken en zeker niet de vraag of iets goed dan wel slecht is. Het is trouwens zonder meer dwaasheid te veronderstellen dat de meerderheid gelijk moet hebben.
Kijk maar naar de twaalf verspieders: twee hadden gelijk en de meerderheid, tien, zat er helemaal naast. Werp me nu niet tegen dat bij verschil van inzicht toch een beslissing genomen moet worden. Dat geldt in het algemeen voor praktische zaken, maar het gaat nu om heel andere dingen. Wie in de oorlog een Ariër-verklaring invulde, dreef daarmee de joodse medeburgers in het nauw. Wie zich afzijdig houdt als een broeder of zuster beschadigd wordt, doet even slecht.
Het is te hopen dat er altijd mensen zullen blijven die warm lopen voor zaken waar anderen koud onder blijven. Wat mij betreft, mogen ze dan ook de.bom willen bannen. Ik hoop vooral dat er veel jongeren onder zullen zijn. Misschien was dat op die zuil in Leeuwarden wel helemaal niet geestig bedoeld.' Misschien was iemand wel heel bitter, cynisch, omdat zo veel mensen schouderophalend voorbijliepen.
Misschien kalkte hij toen, als een protest tegen de duffe kleinburgerlijkheid, daar neer: Akentskeleju!

"Als je haar maar goed zit", zeggen ze tegenwoordig. Trek je de dingen niet aan, maak je niet druk. Maar de laatste keer zei mijn kapper: "Nou meneer, meer kan ik er niet van maken, maar wees blij dat u nog zo veel haar hebt." Is dit stukje in Opbouw nou helder genoeg?

o ja, voor ik het vergeet: ik wens u nog een heel goed nieuw jaar. En als u eens dwars ligt, als uw haar wat weerbarstig is, denk dan aan de woorden van mijn kapper.

HET RECHTE RUGJE

Het rechte rugje van zijn kinderjaren
raakt menigeen zijn leven niet meer kwijt.
't Weerbarstig kuifje slecht gekleurde haren
is nauwelijks vatbaar voor de tand des tijds.

Het schoolse schrift, de welverzorgde handen
beldijven en met rekenen blijft het gaan ...
O, konden wij eens rl!ilen met elkander
en zorgeloos in eens anders schoenen staan.

Ik zou zo graag dan Casanova wezen
of Don Quichotte of De Dikke Man
of iemand die een afschuw heeft van lezen,
maar daarentegen goed chaufferen kan.

C.J. Kelk

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief