Op weg naar 1992 (2)

1990-02-16
  • Jaargang 34
  • nummer 4
De verschillen in het licht van de geschiedenis
De Chr. Geref. Kerken voeren de pretentie de wettige voortzetting te zijrr van de kerken die voortgekomen zijn uit de Afscheiding van 1834. Zó wijlen ze in 1992 het honderdjarig vóórtbestaan als zelfstandige kerkgemeenschap vieren. Ik gun hun dat feest van harte. Maar ik zou hen willen vragen om het dan ook werkelijk te doen in de geest van de Afgescheiden Kerk van de vorige eeuw, m.n. ook in het omgaan met de verschillen in belijden, zoals die in het vorige artikel aan de orde waren.
Immers, deze verschillen zijn er niet van vandaag of gisteren. Ook in de vorige eeuw werden er binnen de ene Afgescheiden Kerk rondom de onderhavige vragen verschillende accenten gelegd. Ik denk aan de strijd tussen de zgn. Drentse richting, met haar woordvoerders ds. Joffers en ds F.A. Kok, en de zgn. Gelderse richting, waarvan Prof. Brummelkamp een vertegenwoordiger was.
Os Joffers beschuldigde Brummelkamp c.s ervan, dat zij te ruim waren in het aanbod der genade en dat zij hun hoorders het geloof teveel opdrongen, zonder rekening te houden met hun onmacht tot geloven. Brummelkamp en zijn geestverwanten zouden teveel naar het Remonstrantisme overhellen.
In de jaren '50 van de vorige eeuw' kwam het tot een fel confl iet tussen beide stromingen. Op 10'okt. 1856 werd in 'De Bazuin',het blad waarvan Brummelkamp hoofdredakteur was, door zijn zwager ds. C.G. de Moen een artikel opgenomen van de schotse prediker Ebenezer Erskine.
Daarin kwam o.a. de passage voor: "Het ongeloof en de vleeschelijke rede zijn gereed om te besluiten, omdat God door zijn Geest alles werken moet, wij daarom stil te zitten hebben en niets moeten doen; maar de Geest Gods, Wiens redenering ik verzeker oneindig beter te wezen, Die redeneert op eene geheel andere wijze, Filipp. 11:12,13: Werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven; want het is God, die in u werkt beide het willen en werken naar Zijn welbehagen."
In een instemmend commentaar op dit artikel schreef De Moen: "Aan menig dienaar van het Evangelie, die aandringt op de noodzakelijkheid des geloofs, wordt somtijds toegevoegd: "Gij roept zondaars tot het geloof, en wel om met een verzekerd geloof te gelooven; maar waartoe is dat alles noodig? Het geloof is im- _ mers een gave Gods en het werk van Zijnen Geest; wij hebben geen kracht om te kunnen gelooven, totdat God het geloof zelf in ons werkt; en daarom mocht al die moeite om ons tot het 'geloof te overreden, wel gespaard worden".
Os De Moen prees Erskine om zijn strijd tegen deze lijdelijkheid. En hij klaagt: "Had ons land meer Erskine's, Nederland zou van het geloof der vaderen zoo ver wellicht niet zijn afgeweken!" Deze waardering voor de prediker uit Schotland deelde De Moen met zijn zwager Brummelkamp, die - zoals gezegdhoofd redakteur was van het blad 'De Bazuin' waarin De Moen dit alles schreef.

De Synode van 1857
Dit lokte een felle reaktie uit van vertegenwoordigers van de Drentse richting. Ds. Th. de With keurde in een i,ngezonden stuk in 'De Bazuin' de gedachten van De Moen radikaal af. Ds. F.A. Kok schreef hem een brief waarin hij hem beschuldigde van Remonstrantisme. Brummelkamp mengde zich in de discussie met een open brief aan het adres van Kok. Maar men kwam elkaar niet nader. Integendeel! Met name een man als ds Joffers voerde een ware hetze tegen Brummelkamp c.s.
Het zou hem lief zijn als de Afgescheiden Kerken hen kwijt zouden raken!
Het meningsverschil liep zo hooq op dat de Curatoren van de Theologische School te Kampen, waaraan Brummelkamp als Docent verbonden was, zich ermee gingen bemoeien.
Ook zij waren van oordeel 'dat Brummelkamp in zijn publikaties in 'De Bazuin' buiten zijn boekje was gegaan. En ook al stelden ze vast, dat er tussen de docenten aan de School in het wezen der leer geen verschil bestond, men meende toch dat het denken van Brummelkamp schadelijke uitwerking had op sommige studenten. Men besloot daarom de zaak voor te leggen aan de Synode van 1857.
Volgens art. 96 van de Handelingen van deze Synode werd gevraagd: " ...dat de Synode maatregelen moge nemen, om op kerkelijken grond en regt uit te werken, dat het twistgeschrijf over onderscheidene zienswijzen, en het aanranden van broeders in openbare bladen, zoo veel mogelijk worde tegengegaan, opdat de ergernisen, daardoor in en buiten de gemeente verwekt, worden weggenomen en geweerd; dat de Synode verklare, dat het geleverde stuk van E. Erskine in 'De Bazuin' No. 37. 1856 ... ongereformeerd zij".
De Synode besloot de docenten van de School voor hun onderwijs een instructie te geven met o.a. de volgende bepalingen: "Dat tot regt verstand van geloof en bekeering niet alleen moet verkondigd worden, dat de mensch, die onder de prediking van het Evangelie leeft, uitwendig geroepen wordt, maar tevens, dat zij. die van den Vader uitverkoren, en met het bloed des Zoons gekocht zijn, door den Heiligen Geest inwendig en krachtdadig geroepen worden, terwijl aan deze inwendige roeping onfeilbaar de zaligheid verbonden is" en "Dat bij de verklaring van de leer des Doops moet worden aangetoond, dat de kinderen der gemeente als leden gedoopt moeten worden; maar gelijk niet allen Israël waren, die uit Israël waren, dat zoo ook onder de kinderen der geloovigen onbekeerden en verworpenen zijn."
Deze instructie moesten alle docenten ondertekenen. Hoewel Brummelkamp echt wel bedenkingen had tegen de wijze waarop gesproken werd over in- en uitwendige roeping, was hij toch daartoe bereid. Belangrijk was in elk geval dat deze Synode niemand veroordeelde wegens ontoelaatbare dwalingen. En ook ging men er niet toe over bepaalde interpretaties van de Belijdenis, zoals die van Joffers c.s., voor de enig juiste te verklaren. Noch naar de ene, noch naar de andere zijde werd uitgesproken, zoals de Chr. Geref. Synode van Groningen dat deed, "dat op een aantal wezenlijke punten geen recht gedaan wordt aan belangrijke zaken uit de belijdenis der kerken". Ds. De Moen kon dan ook verklaren, dat de Synode van Leiden, die hij zelf als lid bijwoonde, "in vrede haar werkzaamheden had volbracht' en dat ze zich op geen enkele wijze "van de belijdenisschriften en formulieren der kerk had losgerukt".

De Synode van 1866
De uitspraak van de Synode van 1857was niet de laatste in deze materie. De discussies bleven voortduren.
En daarmee ook de spanningen binnen de Chr. Afgescheidene Geref. Kerk, die dit met zich mee bracht. Van de Synoden die zich hiermee bezig moesten houden noem ik alleen nog die van Amsterdam van 1866.
Art. 1 van.de agenda van deze vergadering luidde: "De Synode verklare zich omtrent de leer en de bediening des H. Doops, opdat er een einde kome aan den strijd tusschen zijne ob- en subjectieve beteekenis en verzegeling." De afgevaardigden van Noord-Holland gaven toelichting op dit verzoek. Ze lazen daarbij Art. 35 NGB voor en spraken toen als wens uit, "dat ieder die over den Doop spreekt of schrijft, zich houde aan de uitdrukkingen in de Formulieren onzer Kerk gebezigd."
Na uitvoerige discussies kregen de afgevaardigden twee voorstellen voorgelegd met de volgende inhoud: ,,1. De synode acht dat onze vaderen in hunne Belijdenisschriften, door onze Kerk, als de voortzetting der' Gereformeerde Kerk, voor de hare erkend, zich duidelijk over den Doop en zijne bediening aan de kinderen der geloovigen hebben uitgedrukt; waarom de Synode alle verklaring verwerpt, waardoor de duidelijke uitdrukking in onze Belijdenisschriften verduisterd of in bedenking zouden kunnen gebragt worden."
En: ,,2. De Synode geeft den ernstigen raad, dat in het spreken, of schrijven over de leer der Kerk, en in het bijzonder over de leer des Doops, gelet worde op de wijze, waarop de Belijdenisschriften de leer onzer Kerk uitdrukken, en dat elk zich zoveel mogelijk wachte voor het gebruik van andere uitdrukkingen, dan in de Belijdenisschriften onzer Kerk gebezigd worden, vooral met het oog op de verschillende opvatting van de beteekenis en verzegeling der Sacramenten."
In het eerste voorstel wordt dus het verzoek om een nadere verklaring van de leer van de Doop zonder meer afgewezen. De belijdenis spreekt voor zich. Een verklaring is niet nodig en kan alleen maar aanleiding geven tot misverstand en zo inzet zijn van onverkwikkelijke discussies.
Het tweede voorstel gaat wat concreter in op de discussies, die er al zijn. En dringend wordt gevraagd dat ieder zich daarbij zoveel mogelijk houdt aan de terminologie van de belijdenis. Wanneer men zich daarin wederzijds vinden kan, zou dat toch voldoende moeten zijn om binnen de Kerk in eendracht en vrede samen te leven, zij het dan met verschil in het leggen van accenten. Dit voorstel wordt met meerderheid van stemmen aangenomen.
I~ zou wensen, dat de Synode van Apeldoorn van 1992 zich in deze geest zou uitspreken. Dan staan de Chr. Geref. Kerken m.i. inderdaad in de lijn en de traditie van de Afgescheiden Kerk, waarvan zij zich de wettige voortzetting noemen. Naar mijn vaste overtuiging worden de accenten in het gesprek tussen hen en onze kerken niet wezenlijk anders gelegd dan in de vorige eeuw.
Toen hebben diverse synodes uitgesproken, dat deze verschillen vielen binnen de grenzen van Schrift en Belijdenis. Ik hoop, dat nooit een Chr. Geref. Synode het aandurft om uit te spreken dat ze buiten deze grenzen vallen.
In de vorige eeuw is, zoals gezegd, gepleit om ons in deze zaken zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de taal van de belijdenis. Dat is ook wat wij vandaag willen! Waarom kan dat dan niet voldoende zijn? Waarom moet ondanks de erkenning van de synode "dat de Nederlands Gereformeerde Kerken zich in alles willen stellen op de grondslag van en begeren te leven naar de Gereformeerde belijdenis", toch het gesprek over deze zaken nog doorgaan?
Laat men ons goed begrijpen! Voortzetting van het gesprek hierover als zodanig wordt door ons niet afgewezen.
Ik kan het van harte met Prof. Van 't Spijker eens zijn als hij in 'De Wekker' van 15 dec. '89 in zijn column 'Marginaal' opmerkt, dat de zaken waarover het gaat zo actueel zijn, dat ze verdienen onderwerp van gesprek te blijven. Maar waar ik moeite mee heb is, dat we het eerst tot haast in de punten en komma's met elkaar eens moeten zijn, voordat van Chr. Geref. zijde uitgesproken wordt, dat we daadwerkelijk één zijn in het Gereformeerde belijden.
Is men zo niet enger dan onze voorouders in de vorige eeuw?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief