Nadenken over opvoeding

1990-02-16
  • Jaargang 34
  • nummer 4
In de evangelische kerken besteedt men veel aandacht aan het kinderen jeugdwerk. Men heeft zich echter weinig bezig gehouden met de opvoedkundige uitgangspunten van dit werk. Aldus drs. H. Geleynse in 'Soteria', een tijdschrift voor evangelische theologische bezinning '.

Is bezinning nodig?
Is het nadenken over de opvoedkundige achtergrond van de geloofsopvoeding in evangelische kring eigenlijk wel nodig? Veel evangelische gemeenten maken een flinke groei door. Jongerendagen trekken duizenden bezoekers. Er is veel materiaal voor bv. kinderclubs. De wijze waarop men in deze kring met opvoeding bezig is slaat kennelijk aan.
Geleynse, zelf aktief betrokken bij een evangelische gemeente, is van mening dat fundamentele doordenking wél nodig is. Hij noemt in dit verband het onderzoek dat op het gereformeerde erf door Sturm is verricht". Een soortgelijk onderzoek acht hij ook voor de evangelische kerken van belang als bezinning op de vaak 'moralistisch getinte opvoedingsstijl' in deze kring.

Bekering
Geleynse maakt in zijn artikel gebruik van de studie van Fowler".
Deze onderzoeker beschrijft een aantal stappen waarin het geloof zich ontwikkelt. Mede op grond van de uitkomsten zet Geleynse vraagtekens bij de nadruk op de bekering in het kinderevangelisatiewerk. Op te jonge leeftijd wordt van kinderen verwacht dat zij 'hun hartje aan de Heer geven'.
Jonge kinderen zijn ontroerend in hun eenvoudige en oprechte geloof.
Dat geloof vormt een basis voor de verdere geloofsontwikkeling. Goed kinderwerk is in een gemeente dan ook belangrijk. Daarin kunnen de reformatorische kerken nog heel wat van de evangelische gemeenten leren. Tegelijkertijd kunnen we lering trekken uit de waarschuwing die Geleynse plaatst. Kinderen groeien op in een onkerkelijke samenleving die zijn sporen in ieder gezin nalaat.
Dit is van invloed op de vragen waar ze mee bezig zijn en het beïnvloedt ook hun ontwikkeling. Hebben we voldoende oog voor deze situatie?
Om een voorbeeld te noemen: wanneer iemand vroeger op 18-jarige leeftijd belijdenis van zijn geloof aflegde, betekende dat meestal dat hij zijn verdere leven lid van de kerk bleef. In onze tijd kunnen we daar niet meer van uit gaan. De invloed van de samenleving is zo complex dat het denken van jongeren ook ná de tienerleeftijd nog vaak ingrijpend verandert. Catechese of bijbelstudie voor jongvolwassenen (in welke vorm dan ook) lijkt steeds meer noodzakelijk te worden.

Onderzoek
Na deze aanzet geeft Geleynse een overzicht van studies die zijn gedaan naar de geloofsoverdracht bij kinderen en jongeren. In vogelvlucht behandelt hij de visie van mensen als Andree, Wig mans, Van Driel en Kole, Richards en Ter Horst. Opvallend is dat juist in de afgelopen 5 jaar veel publikaties zijn verschenen.
Voor 1985 was godsdienstpedagogisch materiaal schaars. Wat er aan materiaal voorhanden was richtte zich op godsdienst-onderwijs en catechese.

Ruimte of aanpassing?
Hoe kan de christelijke gemeente bijdragen aan de groei in het geloof van jongeren? Geleynse noemt een aantal kriteria, die ontleend werden aan het onderzoek van Van Driel en Kole (binnen de rechterflank van de reformatorische gezindte4. Zij gaan uit van een 'omslag in de kultuur'.
De kultuur waar jongeren in opgroeien is niet meer de kultuur waar hun ouders in opgroeiden. Daarom zal de christelijke gemeente ruimte moeten bieden aan jongeren om ervaringen op te doen en vragen te stellen (in plaats van iedere vraag direkt af te wijzen). In navolging van Ter Horst" is de auteur beducht voor een aanpassingspedagogiek, waarbij kinderen precies in de voetstappen van de opvoeders verder moeten gaan, zonder enige ruimte te krijgen om zelf ervaringen op te doen. Opvallend (en m.i. niet juist) is dat Geleynse om deze (pedagogische) redenen evangelische ouders vaak het advies geeft hun kinderen niet naar een reformatorische school te sturen.

Dialoog en voorbeeld
Naast dit Nederlandse onderzoek vat Geleynse ook een aantal gegevens van Richards samen. Om twee elementen te noemen: geloof ontwikkelt zich het beste wanneer er sprake is van een warme, open gemeenschap.
Binnen die gemeenschap moeten jongeren 'voorbeelden' kunnen ontmoeten die hun nieuwsgierigheid naar de betekenis van het geloof prikkelen. Het voorgaande is ook voor onze kerken van belang. Het komt wel voor dat jongeren die kritische vragen stellen met harde bewoordingen terecht worden gewezen. Op die manier is er allerminst sprake van een warme, open gemeenschap en fungeren we voor jongeren zeker niet als 'voorbeeld'. Met die houding wordt zelfs precies het omgekeerde bereikt: de kommunikatie wordt verbroken.
We zullen moeten luisteren én onze principes niet mogen verloochenen.
Daarnaast is het belangrijk dat we inzien dat geloofsopvoeding niet los staat van de rest van de opvoeding.
De manier waarop ouders met hun kinderen omgaan is van invloed op het beeld dat het kind van God ontwikkelt.
Geleynse geeft in dit verband de volgende raadgeving: "Laat ouders zich eerst maar bezinnen op de gewone huis-tuin-en-keukenomgang met kinderen, voordat het gaat om het gesprek over het Woord".

Overeenkomsten
Het spanningsveld dat Geleynse in evangelische kring signaleert is ook voor de reformatorische kerken van toepassing. Aan de ene kant hebben kinderen een duidelijk wereldbeeld nodig. Daarom is een vrijblijvende opvoeding geen christelijke opvoeding.
Aan de andere kant moeten ze 'zelfstandig' leren geloven. Het opgroeien in een plaats waar kerk en samenleving grotendeels samenvallen heeft veel voordelen. Het kan ook een nadeel hebben: wanneer een keuze slechts wordt gemaakt op basis van datgene wat in die plaats 'normaal' wordt gevonden. Om standpunten in een andere omgeving vast te kunnen houden is een zelfstandige keuze noodzakelijk. Van Driel en Kole signaleerden in reformatorische kring onvoldoende aandacht voor dat zelfstandig leren geloven. In een bespreking van hun boek gaf Van der Leer aan dat dezelfde problemen ook in evangelische kring leven". Wanneer jongeren niet hebben geleerd om in de groep 'tot persoonlijke keuzen te komen laten ze buiten de groep het geloof gemakkelijk los.
In zijn artikel biedt Geleynse aan-knopingspunten voor een bezinning op christelijke opvoeding in deze tijd. Hoewel zijn bijdrage zich vooral tot de evangelische christenen richt is deze goed bruikbaar voor leden van onze kerken die wat meer theoretisch willen nadenken over opvoeding.
Reformatorische en evangelische kerken staan voor dezelfde opdracht. Maar ze mogen ook leven uit het vertrouwen dat ze dat opvoeden niet alleen behoeven te doen.

Noten
1 Drs. H. Geleynse: geiooIsopvoeding, geloven we het wel? In: 'Soteria', kwartaalschrift voor evangelische theologische bezinning, 6e jaargang nummer 3, september 1989. Losse nummers zijn verkrijgbaar doorstorting van f 9,- op Postbank 5702031 ol Rabobank 35.93.67.003 t.n.v. Merweboek, Sliedrecht.
2 Opbouw, 26 mei 1989
3 Opbouw, 30 september 1988
4 Opbouw, 6 mei 1988
5 Opbouw, 5 januari 1990
6 Soteria, juni 1988

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief