Tussen kerk en keuken
1990-02-16
Avonddiensten- Jaargang 34
- nummer 4
In het kader van de gebedsweek voor de 'Eenheid van de Kerk', ging ik vorige week dinsdag 's avonds naar de kerk. De dienst begon om zeven uur. M'n handen waren nog vochtig van het afwaswater, toen Janneke riep dat de klok begon te slaan en dat we moesten hollen om voor de zevende slag binnen te zijn.
Het heeft z'n voordelen om vlak bij de kerk te wonen. We zaten hijgend, maar op tijd, op onze plaatsen toen de dienst begon.
Voorzichtig uitgedrukt, kregen we niet de idee dat de verdeeldheid van de kerken een zaak is die ons wakker houdt. Of misschien is het onwennigheid om door de week naar de Kerk te gaan, die de mensen thuis deed blijven.
De Kerkeraad was ten opzichte van de 'gemene leden' rijk vertegenwoordigd.
Laat ik er aan toevoegen dat het te betwijfelen valt, of Janneke en ik er wél waren geweest als we verderweg hadden gewoond.
Van de gecombineerde Hervormd-Gereformeerde gemeente waren wat stamgasten aanwezig, zodat we maar met een handjevol gemeenteleden baden voor de eenheid van de Kerk. Het is dat we opgevoed zijn met de wetenschap dat aantallen er voor de Here niet toe doen, want anders zou je zeggen dat zo'n plukje bidders geen overdonderende indruk maakt.
Nu zult u misschien denken, dat ik aan die dienst negatieve gevoelens heb overgehouden? Het tegendeel is waar.
Ik voel me zeer verbonden met de broeders en zusters van onze eigen, en van de andere gemeente.
Het fluiten van de wind door de bomen en de spetterende regendruppels op het raam versterkte het saamhorigheidsgevoel extra. (Zo werkt dat nu eenmaal.) De gebedsdienst was precies het soort dienst, waar ik veel van houd: Een paar schriftlezingen, een korte overdenking waarbij ik zelfs de kans niet kreeg, om met mijn gedachten af te dwalen. Een paar mooie liederen en psalmen, en er werd prachtig op het orgel gespeeld. Wat wil een mens nog meer.
Twee stoelen van ons vandaan, zat een mevrouw, die ik dikwijls tref op het kerkepad. Wij gaan van negen tot tien naar de Kerk en zij van half elf tot twaalf. Op zo'n manier houd je de lofzang ook gaande.
Wij groeten elkaar altijd bij de open kerkdeur. Verder ontmoeten wij elkaar dikwijls op de woensdagochtend-markt.
Toen we die avond uitgezongen waren en nog wat napraatten, zei ze glimlachend: "Dat is weer eens wat anders dan bij de kaasboer hé?"
Nu hebben we bij boter, kaas en eieren ook altijd gespreksstof. Meestal over stoffelijke dingen, dus ik knikte instemmend.
Die avond was ik vaag jaloers op de R.K. broeders en zusters, die door de week vaker de gelegenheid hebben om even naar de kerk te gaan.
Toen ik het van de week daarover had met iemand die Rooms-Katholiek is en een kloosterachtergrond heeft, vertelde hij me het één en ander over de volgorde van de dagelijkse gebeden. Ik raak daarmee altijd in de war en denk steevast dat de Lauden voor de Metten komen in plaats van omgekeerd. Hij keek toegeeflijk en vertelde me de volgende (door hemzelf meegemaakte) gebeurtenis: Met de Completen, het avondgebed, eindigden de monniken hun dag.
Daarna gingen ze nog wat studeren of besteedden hun tijd op een andere manier.
Het avondgebed begon met de woorden: "Broeders - weest waakzaam -, want de Duivel gaat rond als een brullende leeuw".
De broeder die aan de beurt was om het avondgebed uit te spreken, was wat verstrooid en sprak devoot de volgende woorden: "Broedersweest waakzaam -, want de Duivel gaat rond als een l..lende breeuw".
De hele broedergemeenschap ging snikkend van het lachen zijns weegs.
Nog weken daarna moesten ze strak op hun handen kijken om niet te grinniken bij het avondgebed.