Punten en komma's (4)

1990-02-16
  • Jaargang 34
  • nummer 4
Verraderlijke woordjes
Wij blijven nog even in Joh. 17.
In het vorige artikel heb ik al opmerkzaam gemaakt op het feit dat het voegwoord 'hina' in 't bijzonder bij Johannes nogal eens verkeerd is vertaald. Het Grieks kent nog een verraderlijk woordje, dat in de nederlandse weergaven van het griekse NT de nodige ongelukken heeft veroorzaakt. Dat is het voegwoord 'hot!', Dit kan zowel 'dat' als 'omdat' betekenen. Het kan dus een afhankel ijke oordeelszin inleiden, b.v. "Ik denk, dat hij er geen verstand van heeft", maar ook een redengevende bijzin, b.v. "Hem behoef je niet te vragen, omdat hij er geen verstand van heeft". (In dit laatste geval kan men natuurlijk ook vertalen: " ..., want hij heeft er geen
verstand van".)

Johannes 17, 7/8
Een van de gevallen nu waarin er met zo'n 'hoti' iets mis is gegaan naar mijn idee, is Joh. 17, 7/8. De NBG-vertaling ervan luidt: "Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt".
Zowel het 'dat' in v. 7 als het 'want' waarmee v. 8 begint, is een vertaling van 'hoti'.

,,AI wat Gij Mij gegeven hebt"
Bekijken we deze tekst nader, dan is de eerste vraag: wat bedoelt Jezus met de woorden "al wat Gij Mij gegeven hebt?" Dezelfde uitdrukkingmaar dan in het enkelvoud - komen we vaker tegen in Johannes, zo b.v. in ditzelfde hoofdstuk in v. 2, en nogmaals in v. 22; eveneens in 6, 37 en 39. Wat hier in het onzijdig is aangeduid is dezelfde groep mensen over wie Jezus in v. 6 van hfdst. 17 in het manlijk spreekt: "de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt". Het zijn m.a.w. zijn leerlingen.
Dat Jezus hen als een onzijdig 'iets' benoemt, en dan doorgaans in het enkelvoud, zal zijn om te laten uitkomen, dat zijn leerlingen, hoezeer verschillende personen, toch samen één grootheid vormen, één groep.
Als we voor de duidelijkheid het even met een wat platte uitdrukking mogen weergeven, zouden we kunnen vertalen: het hele stel dat U Mij gegeven hebt.
Dat hier in v. 7 mensen, en geen dingen, bedoeld zijn, wordt overigens duidelijk uit het feit dat er in het Grieks 'komen' staat, niet 'komt'.
Hadden we hier werkelijk met dingen te maken, dan zouden we de werkwoordsvorm in het enkelvoud mogen verwachten.

De zin van de NBG-vertaling
Als dus de NBG-weergave van deze tekst juist is, zou hier staan: de leerlingen van Jezus weten nu, dat zij bij God vandaan komen, omdat Jezus hun de woorden had gegeven, die God Hem gegeven had... enz.
Ik vraag mij af: geeft dat een goede zin? Is dat nu naar de beschrijving van Johannes het doel van Jezus' onderricht aan zijn leerlingen geweest, dat Hij dan 'nu' bereikt heeft: dat ze zouden beseffen" wij komen bij God vandaan"? Dat lijkt mij apocrief.

Tussengeschoven zinnen
Nu heb ik enige tijd geleden2 er al eens opmerkzaam op gemaakt, dat o.a. Johannes wel eens een zinnetje ergens tussenin schuift; dat we over zo'n tussenzin moeten heenstappen, om wat erop volgt met wat eraan voorafgaat te verbinden. In zo'n geval kan men de tussengeschoven zin duidelijkheidshalve vaak maar het best tussen gedachtestreepjes zetten". Als voorbeeld noemde ik 11, 15 "Ik ben blij - opdat gij gelooftdat Ik daar niet was". De verbinding van "dat Ik daar niet was" aan het vlak daaraan voorafgaande 'gelooft' geeft hier geen goede zin. "Dat Ik daar niet was" hangt af van "Ik ben blij".
Wel, ik denk, dat we hier weer met zo'n geval te maken hebben. Wij zullen - in tegenstelling tot wat de NBG doet - het eerste 'hoti' als 'omdat' moeten opvatten, en het tweede als 'dat'. Dan krijgen we dus dit: "Nu hebben zij door - omdat heel die groep mensen die U Mij gegeven hebt bij U vandaan komen" - dat Ik de woorden die U Mij gegeven had, hun heb gegeven; en zij hebben ze aangenomen ... enz."

De juiste intonatie
De leerlingen zijn er dus achter, dat Jezus hun de woorden gegeven heeft die God Hem gegeven had. Die laatste zin zullen we met de juiste intonatie moeten lezen. (Dat is een probleem apart, de zinsintonatie, waarop ik nu expres niet verder inga.) De vraag is voor de discipelen niet geweest "Wat heeft Jezus eigenlijk gedaan met de woorden die God Hem gegeven had?" en ze zijn er niet achter gekomen: "Die heeft Hij ons gegeven". Nee, de vraag is voor hen geweest: "Waar heeft Jezus die woorden vandaan die Hij ons geeft?"
en ze hebben ingezien: "Die had God Hem gegeven".
M.a.w. het inzicht van de discipelen waarvan Jezus hier spreekt, heeft niet betrekking op Jezus' geven, maar op de herkomst van de door Hem hun gegeven woorden.

Het vervolg van v. 8
Dat we zo op het goede spoor zitten, wordt m.i. bevestigd door wat erin v. 8 nog volgt: "en (zij hebben) in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt". De leerlingen hebben beseft: de woorden die Jezus spreekt komen bij God vandaan; en daaruit hebben ze geconcludeerd: Jezus komt bij God vandaan; het is God die Hem gestuurd heeft.
De herkenning van zijn woorden als woorden van God heeft hen ertoe gebracht Hem te erkennen als gezant van God. .

De oorzaak, van de herkenning
Hoe komt het nu, dat de leerlingen Jezus' woorden als woorden van God hebben onderkend? Omdat, zo zegt Jezus, die hele groep discipelen "bij U vandaan is". Zij zijn, zo zegt Jezus in 6,45, "bij God in de leer geweest". En Hij vervolgt daar: "Ieder die het van 'den Vader gehoord en geleerd heeft komt bij Mij".
Zakelijk hetzelfde zegt Jezus in 8, 47: "Wie uit God is hoort de woorden van God"; en Hij voegt er tegen de ongelovige Joden aan toe: "Daarom hoort gij niet, omdat gij uit God niet zijt". .
Wat Jezus Nicodemus en zijn mede-Farizeeërs toevoegt komt op hetzelfde neer: "Daar moet je niet zo vreemd van staan te kijken, dat Ik tegen je zei: 'jullie moeten opnieuw (of: van bovenaf) geboren worden'.
De Geest laat zijn adem gaan waar Hij maar wil; en je hoort (nu in wat Ik zeg) zijn stem, maar kunt Hem niet thuisbrengen. Zo is het wêl gesteld met ieder die uit den Geest geboren is". Jezus bedoelt: jullie, Farizeeërs, herkennen in mijn spreken niet de stem van Gods Geest. Dat zou wél het geval zijn, als je uit God geboren was. Vind je het dan zo vreemd, dat Ik constateerde: jullie moeten nog uit Gód geboren worden?"
De Farizeeërs wanen zich discipelen van Mozes, en zeggen: "Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar dezen Jezus kunnen wij niet thuisbrengen" (9, 28.29). Jezus echter zegt: "Als jullie Mozes geloofden, zouden jullie ook Mij geloven, want hij heeft over Mij geschreven.
Maar als jullie zijn geschriften niet geloven, hoe zullen jullie dan mijn woorden geloven?" (5, 46.47).
Dezelfde God die 'in het laatst der dagen' spreekt door den Zoon, heeft eertijds vele malen en op velerlei wijzen door de profeten (Mozes, Samuel, Jesaja en wie er verder maar zijn) gesproken (Hebr. 1, 1).
Daarom was Jezus' boodschap herkenbaar als boodschap van God voor allen die 'bij God in de leer' waren geweest, die het onderwijs van Mozes en de profeten ter harte hadden genomen. Zo kan Filippus al dadelijk na zijn eerste ontmoeting met Jezus tegen Nathanael zeggen: "Den man over wien Mozes in de wet schreef en de profeten, hebben wij gevonden: Jezus ...!"
Met deze groep, bij wie Gods oudtestamentisch onderricht is aangeslagen, kan God verder. Déze groep vertrouwt Hij toe aan zijn Zoon voor 'hoger' onderwijs".

Terug naar v.22
Wat ik daareven zei over de juiste zinsintonatie geeft mij aanleiding nog even terug te komen op één punt uit mijn vorige artikel.
De zin "dat Ik hun de heerlijkheid heb gegeven die Gij Mij gegeven had" (IBe) correspondeert, wat de bouw betreft, precies op het begin van v. 8 "dat Ik hun de woorden heb gegeven die Gij Mij gegeven had".
En ik denk, dat wij dat zinnetje uit v. 22 ook weer met dezelfde intonatie moeten lezen als dit zinnetje uit v. 8.
De vraag is voor de wereld (d.i. voor de ongelovige Joden) niet: "Wat heeft Jezus met die 'rnacht'? gedaan, die Hij van zijn Vader gekregen had?", waarop zij dan als antwoord vinden: "Die heeft Hij aan zijn discipelen gegeven". Nee, wat ze zich afvroegen was: "Waar had Jezus die macht vandaan die Hij aan zijn discipelen doorgaf?". En het antwoord moet luiden: "Die had God Hem gegeven".
Evenals in v. 8 pleit ook hier weer de nevenschikking met de zin "dat U Mij gezonden hebt" voor deze uitleg.
Maar verder wordt dit proces van bekering van de wereld, waarom Jezus hier bidt, ons aanschouwelijk gemaakt in de Handelingen der apostelen. (Er zijn in dit boek ve'el meer frappante concretiseringen te vinden van wat Jezus bij Johannes belooft of van zijn Vader vraagt.) In Hand. 4 zien de joodse leiders in de genezing van een lamme de macht ('doxa') van de discipelen: ze kunnen er niet omheen (14b). Dal] vragen ze zich verbaasd af: "Hoe komen zulke eenvoudige mensen zonder opleiding aan die macht" (v. 13; men lette op de overeenstemming in bewoordingen met Joh. 7, 15! (De geschiedenis herhaalt zich!). Om dan tot de ontdekking te komen: Hé, dat zijn de volgelingen van Jezus!
Waar dus hun macht vandaan komt?
Niet uit onszelf, zegt Petrus; nee, "God heeft zijn knecht Jezus verheerlijkt"
(3,12.13). Onze 'doxa' (heerlijkheid, macht) komt via Jezus van God".

Noten
1 Eigenlijk staat er 'zijn': "bij U vandaan zijn".
Maar men mag dat natuurlijk gerust weergeven met 'komen'.
2 Opbouw XXXIII 231 middenkolom.
3 Vandaar dat ik nu zo'n geval bespreek in deze reeks overleestekens. (In die brede zin moet U nl. de titel 'Punten en komma's' verstaan, zoals U al begrepen zult hebben.)
4 Ik laat bij het enkelvoudig onderwerp 'groep' toch maar de werkwoordsvorm 'komen' inhet meervoud staan, zoals ook het Grieks doet.
Men voelt daaruit, dat het in de eenheid van het geheel gaat om een veelheid van personen,
5 Joh, 3, 7.8. Over de exegese van deze tekst zie Opbouw VI 156,
6 Zoals ik al eens liet doorschemeren, vrees ik, dat de gereformeerde theologie is ontspoord, toen zij het begrip "door den Vader gegevenen"
herleidde op een voortijdelijke verkiezing, Zie Opbouw IX 263. kolommen 2 en 3,
7 Voor 'doxa' in de betekenis 'macht' zie Opbouw XXXII 254 sub 6,
8 Dat in de verzen 20-23 van Joh, 17 het sub IIBe op het 'geven van heerlijkheid' corresponderende 'liefhebben' verlenen van macht irnpliceert, blijkt uit 3, 35.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief