Gereformeerd blijven (1)
1990-03-02
Hier en daar in ons land komt heel voorzichtig en zonder veel geruchtgelukkig maar - het gesprek tussen vrijgemaakt gereformeerden en Nederlands gereformeerden' op gang. Broeders en zusters uit kerken 'binnen en buiten het verband' ontmoeten elkaar weer en samen denken ze erover na hoe het was en hoe het geworden is. Zij die de vrijmaking bewust hebben meegemaakt zijn nu 65 jaar en ouder, zij die de buitenverbandstelling zo beleefden 40 jaar en meer. Ouderen kijken om en vragen zich af wat het geweest is, jongeren kijken vooruit en willen weten wat het betekent; het laatste kan niet zonder het eerste.- Jaargang 34
- nummer 5
Nu is bezinning, zeker als die een aangrijpend conflict betreft, gebaat bij afstand nemen. Wat bezonnen is moet ook bezonken zijn. Daar staat echter tegenover, dat met het verstrijken van de tijd veel kennis van feiten en begrijpen van intenties verloren gaat, terwijl legendevorming die slijtage overwint, er zelfs door bevorderd wordt. Wie enig begrip heeft van de moeite in deze dingen gelegen, wordt getroost door de gedachte, dat hij allereerst in het heden staat. Het is in het leven gelukkig zo, dat gemeenschap - nu herkend en hervonden wordt, ook al werd eens geoordeeld dat die niet meer mogelijk zou zijn. Indien niet, geen huwelijk zou standhouden, geen menselijke gemeenschap duurzaam zijn. De gedachte, dat elk conflict kan worden overwonnen door het inzichtelijk eens te worden, getuigt van zelfoverschatting. Wanneer de bereidheid tot verantwoording hand in hand gaat niet zin voor vrede, worden ook onbegrepen zonden verzoend.
Dit voorjaar kwamen vrijgemaakt- en Nederlands gereformeerde kerkleden uit Velp en omgeving samen, om met elkaar van gedachten te wisselen over het thema: Twintig jaar na de breuk, een inventarisatie.
Ds. P. Groenenberg, vrijgemaakt predikant te Amersfoort en ikzelf verzorgden ieder een inleiding. Op verzoek stel ik de mijne hierbij ter beschikking van Opbouw.
"Waarde Broeders en Zusters,
Deze samenkomst mag met recht een ontmoeting genoemd worden.
Laat ik mogen beginnen rnetU hartelijk dankte zeggen voor de uitnodiging, in Uw midden ter inleiding van de bespreking iets te mogen zeggen; vooral voor het vertrouwen dat daaruit spreekt.
Maar, ik heb ook wel geaarzeld met het inwilligen van Uw verzoek en het lijkt me goed in het kort te zeggen, waarom.
Iedere plaatselijke kerk heeft haar eigen geschiedenis, ook als die geschiedenis er een is van gebroken eenheid; van dat eigene, in onderscheiding van andere plaatselijke kerken, ben ik niet op de hoogte. Ik was geen lid van Uw gemeente.
Daarin kan het voordeel van een zekere afstandelijkheid gelegen zijn, het legt ook beperkingen op. Natuurlijk is het zo, dat er bij alle plaatselijke verschillen, een duidelijke herkenbaarheid is van het conflict, temeer ook, omdat uitspraken van generale synodes een belangrijke, zo niet belissende invloed-hadden.
De plaatselijke moeiten werden deel van wat men wel mag noemen, eenlandelijk rechtsgeding. Zelfs het omgekeerde was dikwijls het geval: uitspraken van Generale Synodes werden oorzaak van plaatselijke moeiten in gemeenten, waar de broeders en zusters in vrede samen de gemeenschap van brood en wijn oefenden. In de gemeente van Heerenveen, waar ik lid van was en ben, was er niemand, die gevraagd had om de zgn. 'Open Brief', om maar iets te noemen, en toch scheurde die gemeente.
Ook werd het dusgeheten 'wegroepen van de gemeente van achter de leiding van de ontrouwe ambtsdragers' een landelijk patroon, later wel het 'doleantiekerkrecht' genoemd.
Een tweede aarzeling lag voor mij hierin, dat het gebeuren van twintig jaar geleden diep in mijn leven heeft ingesneden. Mijn afstandelijkheid is dus maar klein, de breuk is niet louter geschiedenis, maar nog altijd een verdrietig heden, niet alleen in de gevolgen, maar als zodanig. En ik zou niet graag iets zeggen, waardoor een begin van toenadering tussen U zou worden gefrustreerd in plaats van bevorderd.
Wat moet ik hier nu zeggen en wat niet?
We gaan altijd goed als we ons oriënteren aan Gods Woord, zijn onderwijzing ten leven. In de eerste dienst na de breuk heeft Ds. J.D. Houtman bij ons gepreekt over de tekst uit Psalm 119: "Ik ben een vriend, ik ben een metgezel, van allen die Uw naam ootmoedig vrezen".
Is het teveel gevraagd dat wij allen, vrijgemaakt gereformeerd en nederlands gereformeerd, heel bewust voor onszelf en voor elkander, die houding aannemen?
Dit brengt mij tot een eerste opmerking, die ik graag wil maken: De eenheid van Christus' gemeente is belofte van het Evangelie.
Dat betekent: 1. gemeenschap der heiligen is geen werk van onze handen, en 2. eenheid door gemeenschap moet op deze aarde altijd weer vervuld worden.
Voor ieder van ons is dat een dubbele waarschuwing tegen hoogmoed.
Eenheid wordt niet gegarandeerd door het nemen van synodebesluiten en evenmin door het verwerpen daarvan. Het zoeken van de eenheid van alle christgelovigenhet gaat niet alleen om vrijgemaakten nederlands gereformeerdenbehoort tot het leven uit de beloften van het Evangelie en is uitsluitend gegarandeerd in de trouw van de God van het Verbond. Het is met de kerkelijke eenheid niet anders dan met ons leven zelf: we moeten leven uit geloof, niet uit aanschouwen.
Kerkeraads- en synodebesluiten kun je alleen maar biddend nemen of niet-nemen, aanvaarden of verwerpen, in de overtuiging, dat je spreken en handelen met Gods beloften in overeenstemming is.
Hoe wij dat kunnen weten? Uit het geopenbaarde Woord. En als men dan vraagt: "Wat zegt Gods Woord dan wei?", dan antwoorden wij in alle eenvoud: "Dat staat te lezen in onze confessie, in die eeuwenoude geschriften" .
Eenheid en gemeenschap hebben wij in Christus en de Geest eigent ons die toe. Dat moeten we geloven en daarom bidden, ik zou haast zeggen, tegen de klippen op en dan zal het gebeuren; dat gebed wordt zeker verhoord.
Een tweede opmerking die ik wil maken hangt met het bovenstaande nauw samen. Als wij niet in staat zijn vanuit onszelf, in eigen kracht, de eenheid door gemeenschap te bewerkstelligen, zeg maar Christus' gemeente te stichten, dan zijn wij vanuit onszelf en in eigen kracht ook niet bij machte Christus' gemeente haar gemeente-van-Christus-zijn te ontnemen. Wij kunnen wel tegen een gemeente zeggen, dat zij geen gemeente van Christus (meer) is, maar als die gemeente trouw leeft bij Gods Woord en zich niet in zonde verhardt, dan is ons oordeel ongegrond en treft het geen doel, "gelijk een mus wegfladdert en een zwaluw heenvliegt" . Het moet mogelijk zijn de dingen uit het verleden samen door te spreken, die bespreking behoeven, heel nuchter. Maar dat gezegd zijnde, zou ik U willen vragen: "Is het niet zo, dat binnen-hetverband en bulten-het-verband sedert de breuk, nu twintig jaar lang, het Woord van God trouw is verkondigd, dat er is gedoopt en avondmaal gevierd en dat ook de tucht is gehandhaafd in de gemeenten wier leden elkaar hier ontmoeten?". Zo is het en waarom zou U vanavond dan niet beginnen met U te verheugen?
Alles mag besproken worden, we moeten bereid zijn jegens elkaar verantwoording af te leggen, maar is het allemaal wel zo nodig?
Mijn derde opmerking betreft het karakter van 'buiteri-verbandstelling'.
Een classis, particuliere- of generale synode, die afgevaardigden van kerken niet meer ontvangt, pleegt een rechtshandeling die tuchthandeling is en die neerkomt op excommunicatie. Daar ligt de grote ernst van ons geding.
Laat ik bij voorbaat een misverstand mogen wegnemen: ik zeg niet dat de binnenverbandse broeders beoogden ons buiten het Koninkrijk Gods te sluiten. Het gaat hierom, dat een kerkelijk-ambtelijke handeling, die tevens rechtshandeling is, een eigen aard, inhoud en strekking heeft, ongeacht de bedoelingen van personen.
Het is voor een goed verstaan van wat er gebeurd is noodzakelijk voor ogen te houden, dat de gemeenschap van de kerk van Christus Woord-gemeenschap is, die plaatselijk gestalte krijgt in het zich voegen onder opzicht en tucht van de ambtsdragers en kerkverbandelijk in het zenden en ontvangen van afgevaardigden naar meerdere vergaderingen.
Als gemeenteleden worden weggeroepen van achter de leiding van die ambtsdragers en wanneer afgevaardigden niet worden ontvangen door die meerdere vergaderingen, dan is dat het einde van de gemeenschapsoefening aan Woord en Sacramenten, die in een gereformeerde kerk ambtelijk aan de gemeente bediend worden. En dat komt neer op excommunicatie.
Je kunt dat ook zien: allen zijn niet meer geschaard rondom één kansel, één doopvont en één avondmaalstafel, de gemeenschap wordt metterdaad niet meer geoefend.
Het blijkt ook uit de gronden, waarop het 'wegroepen' en het 'nietontvangen' plaats vond. In Heerenveen schreven de binnenverbandse broeders dat er (na de weg roeping) "weer eenheid des geloofs was en geen tweeërlei uitleg van de ene waarheid plaatsvond". Eenheid in de ene waarheid was er volgens de broeders kennelijk niet meer.
En de generale synode van Hoogeveen 1969 sprak ten aanzien van de zgn. 'dubbele afvaardiging uit het ressort Noord Holland' uit "dat de kerken, vertegenwoordigd in de particuliere synode van Wormer, de band aan de belijdenis der waarheid zodanig hebben losgemaakt, dat de oefening van de kerkelijke gemeenschap ... niet langer mogelijk is". Die zgn. Wormer-kerken waren 5000 gelovigen met hun ambtsdragers en werden buiten het verband gesteld.
Dezelfde synode sprak ten aanzien van de andere afvaardiging, die van de zgn. Ijmuiden-kerken, uit dat "zij trouw zijn geweest door de rechte gemeenschap in de onverzwakte binding aan de belijdenis van de waarheid Gods te herstellen" (acta).
Het ging in de ogen van de binnenverbandse broeders om de gemeenschap aan 'de waarheid Gods' toen zij 'wegriepen' en 'niet-ontvingen' en om niets minder.
Welnu, als wij vandaag, dat is twintig jaar later, willen 'inventariseren', dan moeten wij nagaan, of dat oordeel terecht geveld werd, of niet. En U, hier in Velp en omgeving, kunt elkaar helpen met wederzijds eenvoudig te kijken, hoe het die jaren door met de band aan de waarheid Gods gesteld geweest is in Uw eigen gemeenten.
Dat brengt mij tot een laatste opmerking.
De gemeenschap van Christus' kerk breekt niet door verschillen in opvattingen, of in ligging, zelfs niet door het v66rkomen van dwalingen en zonden. De gemeenschap breekt, en behoort ook te breken, bij gebleken verharding en onbekeerlijkheid.
Er zal wel heel wat door te spreken zijn, maar vraagt U zich toch steeds af, bij elk punt, of dat niet op de ene kerkvloer besproken kan worden.
Ik hoop hiermee een achtergrond te hebben geschetst, waartegen de vijf door U te berde gebrachte gesprekspunten een antwoord kunnen ontvangen.
Over de vraag of Gods Woord en de confessie inhoudelijk tussen ons lagen heb ik opgemerkt, dat dit volgens de binnenverbandse kerken, blijkens de uitspraken van de kerkelijke vergaderingen, het geval was. Dat werd en wordt van buitenverbandse zijde beslist ontkend.
De bewijslast berust bij hen die oordelen.
T.a.v. het Akkoord van Kerkelijk Samenleven volsta ik met artikel 40 onder Uw aandacht te brengen, waar staat: "De artikelen behoren gewijzigd, vermeerderd of vermindèrd te worden ... als dit bevorderlijk is voor de oefening van gemeenschap met kerken van eenzelfde belijdenis, en het niet strijdig is met de Heilige Schrift". Van nederlands gereformeerde zijde is steeds gesteld, dat in het AKS de grondlijnen van de DKO gehandhaafd zijn.
T.a.v. mogelijk verschillend denken over wat in de artikelen 28 en 29 Ned. Gel. Bel. inzake de 'ware kerk' wordt beleden is mijn mening, dat we daar heel goed op de ene kerkvloer over kunnen praten en ons bezinnen.
T.a.v. het lidmaatschap van gereformeerde dan wel algemeen christelijke politieke, maatschappelijke en vooral ook onderwijsorganisaties meen ik, dat een verschillende keuze geen gevolgen mag hebber:t voor ae kerkel.ijke eenheid in gemeenschap aan Gods Woord. Laten we elkaar maar opscherpen, want de verwatering op het christelijk erf is ontstellend groot.
En wat ik van de kansen op een mogelijke hereniging verwacht? Als U nu eens begint met broederlijk naast elkaar te .Ieven en elkaar te helpen, waar mogelijk. U kuntgemeenschappelijke bijbelkringen stichten en elkaar weer leren kennen en begrijpen. U kunt later komen tot kanselruil. U kunt dan ook gezamenlijke diensten beleggen. Als U . dat nu ootmoedig, biddend en geduldig doet, wellicht geeft de HEERE, dat onze kinderen de eenheid volledig herstellen. En dan niet alleen tussen vrijgemaakt- en nederlands gereformeerden. Er zijn ook buiten onze kerken nog zoveel kinderen van God die van eenzelfde belijdenis zijn en anderzijds, de afval is z6 groot in ons land. Weet U, in de kerk gaat het altijd om de kinderen".
Tot zover mijn inleiding.