Ex Libris
1990-03-02
De Pottenbakker- Jaargang 34
- nummer 5
De meester zegt: "geef aan de schaal
De bocht van 't brood; waartoe een fraai bokáal,
Als toch de drinknap in heur holle hand
Lessing genoeg voor elke dorst omspant?
§ Vergun tot enig sieraad Uwe kruik
De gulle welving van een gladden buik.
Zwaar is het leven, ernstig; bloed en zweet
Proeft ge aan neer gaven als ge drinkt en eet;
Zorg gij dat, in een soobren vorm geprangd,
10 Het simpelst vat die bittre vrucht ontvangt."
Maar zo ik voor mijn venster zit en werk,
En in de"lijst van ’t raam mij veld en zwerk
Verrukken door hun machtig schllderij, -
De madelieven flikkren in de wei,
15 Zwaluwen slieren arabesken snel
Van wolk naar wolk, uiteen vouwt de kapel
't Mystieke 'wonder van zijn tekenschrift,
Met diamantstift op saffier gegrift, -
Dan beeft mijn vinger, wijl de draaischijf snort,
20 Het blinkend nat over de leemklomp stort,
En onbewust druk ik de weke klei
Tot kelken, lijk de bloemen van de wei,
En rank en pooprend zwelt omhoog de tuit,
Of daar een vogel opwaarts. wiekt en fluit;
25 In 't zwierig lijnspel dat ik mijmrend trek
Fladdren de vlinders met hun stom gesprek,
Terwijl ik eindlIijk op mijn fijn penseel
Den blauwen schemer van den hemel steel;
En eerst als gaaf het kunstwerk' voor mij staat,
30 Ach, denk ik aan den meester en zijn raad.
Kunst heeft te maken met levensbeschouwing; dat ziet u aan het gedicht De Pottenbakker. Aart van der Leeuw heeft geen gemakkelijk leven gehad. Menigeen zou in zijn situatie somber, neerslachtig, zijn geworden.
Maar hij is daaraan ontkomen.
Greshoff schrijft over hem: "Aart van der Leeuw is de enige man die ik nooit één woord van afkeuring of afkeer heb horen spreken. Het slechte, het lage, beroerde hem niet, het droop van hem als het water van een eend, zonder één spoor na te laten. Dáárom was het zo heerlijk en zo heilzaam om hem te bezoeken.
Hij had een reinigende kracht en hij heeft mij een voorbeeld gegeven dat ik nooit vergeten zal; het voorbeeld van een leven zonder haat."
Dit ontleen ik aan een schoolboek dat ik hoog waardeer: Literatuur, geschiedenis en bloemlezing, door H.J.M.F. Lodewick. En ik schrijf daaruit nóg iets over: Als men een geestelijk portret van Aart van der Leeuw wil zien, moet men in 'De Gezegenden' dat prachtige verhaal 'Het Loflied' lezen. De hoofdpersoon is een jonge ridder die, op weg naar huis, in een tweegevecht overwonnen wordt door de aartsengetMichaël.
Deze laat hem het leven behouden in ruil voor de gelofte dat hij elke avond een loflied zal zingen voor wat de afgelopen dag bracht. "Maar de eed is gebroken", zei de vreemdeling, "als de ziel niet meejuicht met het lied, de geest in vrees en smart ligt, waar de lippen jubelen".
En inderdaad, elke dag, ook als hij zelf door melaatsheid aangetast wordt, steeds weer vindt de ridder stof om het leven te prijzen, om gelukkig te zijn met wat de dag hem schonk.
We zouden als christenen daar een voorbeeld aan kunnen nemen, denk ik. Elke dag dankbaar zijn, ondanks alles wat aan verdriet en ellende over ons komt. Het is in elk geval heel iets anders dan wat we in de boeken van bij voorbeeld Maarten 't Hart aantreffen. Maar ook bij die zien we: kunst hangt samen met levensbeschouwing.
Aart van der Leeuw leefde van 1876-1931. AI vroeg isoleerde hij zich van de samenleving; het ruwe en heftige stonden hem tegen en hij trok zich terug in een wereld van fantasie.
Een periode van 3% jaar die hij op kantoor doorbracht, maakte het er niet beter op. Zijn gezondheid was zwak, hij leed vooral aan heftige oorpijnen die tot volledige doofheid leidden. En zo kwam hij nog meer buiten de alledaagse werkelijkheid te staan. Hij ging zich uitleven in zijn fantasiewereld. Maar hij gaf daar wel een basis aan: de liefde, vooral tot de medemens. Het is hem niet steeds gelukt het lijden weg te dringen, we vinden daarvan een weerslag in zijn gedichten. Toch schreef hij: De herdersstaf.
Ik was nog blond en jong van jaren
Toen ik een sterken, rechten tak
Zag wuiven met zijn vlag van blaren,
En tot hem opklom en hem brak.
Ik boog mij zingend tot hem over,
Dien kloeken telg van de oude esch,
En ras verloor hij schors en loover
Onder het knarsen van mijn mes.
Dan heb ik half in droom gesproken:
"Ook mij, Heer, bid ik, breek mij af,
En bén ik uit Uw kroon gebroken,
Snijd mfj ook tot zo'n schoonen staf."
Doch nauwelijks had ik dit gebeden,
Of plotsling merkte ik aan mijn hart
Het vlijmend wee van snee bij sneden,
Diep kervend, want dit staal trof hard.
Ik beidde 't eind, de pijn blééf duren,
Terwijl ik wachtte, werd ik oud,
Ja, al die zware, langzame uren
Had ik Gods handgreep op mijn hout.
Ook nu nog, maar wie klaagde of morde,
Niet ik, dien 't lijden alles gaf,
Want onder 't werk zie ik hem worden
De slanke, gave herdersstaf.
Een ander gedicht dat me in dit verband.
getroffen heeft, neem ik ook over. Onwillekeurig gaan mijn gedachten uit naar een broeder die ik ken en voor wie de doofheid een tragedie in zijn leven betekent. Misschien vindt het gedicht weerklank:
DOOVEN-TROOST
AI zat een dáov e aan 't zomerland,
God sprak zijn woorden
Toch zoo, dat oogen, mond en hand
Hun tonen hoorden.
Naakt gloeit en zwelt het warme gras
Aan 't zacht der handen,
Of 't luid zijn levenzinspreuk las:
"Bloeien en branden".
Boven het vee, bijeengegroept
Om lommertwijgen
De leeuwrik "sursum corda" roept,
In 't aldoor stijgen.
Den lippen leert de luwe wind
Die langs komt zwerven,
Hoe lokkend een geluk begint,
Om dan te sterven.
Waar God zoo heldre woorden vond
Als dooven booren,
Betreuren oogen, hand noch mond
Gesloten ooren.
Het zijn weliswaar niet zulke knappe gedichten, literair gezien. Ze doen wat denken aan de huidige 'pastorale' poëzie van Nel Benschop en anderen, maar de inhoud spreekt wel aan. Vanuit artistiek oogpunt is een gedicht als De Pottenbakker interessanter. Van der Leeuw heeft méér gedichten geschreven die verband houden met ambachten: over een smid en een timmerman bij voorbeeld.
In Engeland was in de tweede helft van de negentiende eeuw de zg.
Arts and Crafts movement ontstaan.
Het was een beweging die de betekenis en waarde van het echte ambacht wilde beschermen tegen de mechanisering die het gevolg was van de industriële revolutie. Tegen het einde van de eeuw was er in Den Haag een kunsthandel Arts and Crafts en daar werden werken geëxposeerd van beeldende kunstnaars die onder invloed stonden van wat wij tegenwoordig gemakshalve met de overkoepelende term 'Jugendstil' aanduiden. Die beide elementen vinden we bij Aart van der Leeuw: de waardering voorde ambachtsman die als kunstenaar wordt gezien, maar ook de sfeer van de Jugendstil.
Zie bij voorbeeld de regels: Zwaluwen slieren arabesken snel van wolk naar wolk.
En: rank en pooprend zwelt omhoog de tuit of daar een vogel opwaarts wiekt en fluit.
De Jugendstil kent die grillige, klimplant-achtige motieven. Het is aardig te zien hoe Van der Leeuw die elementen geïntegreerd heeft in zijn kunst. Niet de sombere levenshouding van 'de meester', niet de overtuiging dat het-leven 'zwaar en ernstig' is, maar de schoonheid van de natuur heeft de pottenbakker geïnspireerd tot een gaaf kunstwerk.
En dat is helemaal overeenkomstig de levenshouding van de dichter zelf. Ik hoop dat deze kleine kennismaking met Aart van der Leeuw bij u in de smaak valt.