Pastorale notitie
1990-03-02
Begrafenis aan de Hokianga- Jaargang 34
- nummer 5
Mijn opmerkingen over de gebrandschilderde ramen van Pieter Wiegersma en het zonnelied van Franciscus moeten maar even wachten.
Er kwam iets tussen: een Maori van 21 jaar schoot mijn fijne broer uit Nieuw Zeeland dood, terwijl hij naast zijn vrouw in bed lag. De moordenaar joeg hem een schot hagel door het hoofd. Een paar dagen later hebben we mijn broer begraven in de kring van de Maori's, op een paradijselijk plekje aan de oever van de Hokianga. De begrafenis is zo'n aangrijpende gebeurtenis geworden, dat ik daarvan vertellen moet. Ik wil niet veel zeggen over de zeer koelbloedig uitgevoerde misdaad.
Alleen dit: het ging hier niet om een uiting van toenemende criminaliteit: die valt daar niet waar te nemen. Ook niet om een uitbarsting van rassentegenstellingen. Pakiha's (blanken) en Maori's leven aan de Hokianga broederlijk samen. Er was een misverstand in het spel: de kogel was bestemd voor een naamgenoot die 500 km zuidelijker woont.
Ik wil u echter vooral vertellen van de strijd der geesten die direct na de misdaad openbaar werd. Een jong Maorivrouwtje kwam ons waarschuwen: we wisten toch wel dat de plaats met zijn prachtige bananenen macadamianboomgaarden taupo was? (taupo = heilig, of: vervloekt).
De eerste eigenaar had immers de heilige bomen van de Maori's omgehakt en als brandhout gebruikt! De grootvader van de moordenaar had toen een vervloeking uitgesproken: voor straf zul je zelf branden in het vuur! En ja hoor: na een tijd ging de plaats in vlammen op en de man en zijn vrouw kwamen om in de vlammen.
En we wisten toch ook dat de tweede eigenaar zeer geheimzinnige sterfgevallen had meegemaakt en dat er lijken waren gevonden hangend aan een boom? En de derde eigenaar ... En nu dit! De plaats was taupo: vervloekt. Wie durfde daar nog wonen, werken, leven en gelukkig zijn? Die vraag kwam uiterst scherp af op de weduwe: waar haalde ze de moed vandaan om opnieuw te gaan slapen in de kamer waar dit vreselijke was gebeurd?
Ik realiseerde me dat ook wij deze angst nog kennen, al is die dan niet gemengd met bijgeloof: de angst voor de plaats waar 'het' gebeurde!
Als kind liep ik met een grote boog heen om een bosje elzenstruiken, waar eens iets vreselijks moest zijn gebeurd. Wie van de kinderen durft te gaan slapen in het kamertje waar oma kort geleden stierf. Er zouden meer voorbeelden te noemen zijn.
De kerk heeft vanouds tegen deze duistere dreigingen een remedie gezocht in exorcismen en duivelbanningen.
Daar wisten de maoridominees ook van. Ze kwamen met zijn vieren opzetten: de anglicaan, de methodist, de man van de AOG (Assembly of God = pinkstergemeente), met zijn drieën achter de pastoor aan met zijn wijwaterkwast en ze gingen het huis en de opstallen te lijf. Overal werd water gesprenkeld en overal vervloekingen uttçesproken: In de naam van Jezus: Ga uit van hier en kom niet weer terug hier! Alles moest met uiterste zorgvuldigheid gebeuren. Geen hoekje mocht worden overgeslagen.
Anders bleef ergens een boze geest zitten -,Vooral de .slaapkamers werden onder handen genomen en de ruimten onder de bedden. Ik kreeg wel de indruk dat de dominees begrepen dat je bijgeloof niet met bijgeloof moet bestrijden, maar met de wapenen van Efese 6. Ze kwamen dan ook met hun Bijbels en hun gebeden. Maar ook bijbelteksten en gebeden kun je gebruiken als magisch geladen projectielen. Tot mijn ontzetting bleken blanke en ontwikkelde leden van de pinkstergemeente heilig in deze poespas te geloven: ze drongen zelfs aan op een tweede beurt, als de eerste niet nauwkeurig genoeg was uitgevoerd.
Geen wonder dat ik met bijzondere spanning uitkeek naar de rouwdienst.
Het werd me echter al snel duidelijk dat de dominees (die huizenhoog schenen op te kijken tegen een collega uit het Westen) niet in staat waren een woord van vertroosting te spreken. Toen kwam de vraag: "Geraid will you speak to us in the service?" (Wil je de preek houden in de kerk?). Volgende keer verder.