Begrafenis aan de Hokianga (2)
1990-03-16
Onze broer werd gedood door een Maori. Wij hebben hem begraven in de kring van Maori's. Deze begrafenis is een aangrijpend gebeuren geworden, waarvan ik graag iets wil vertellen.- Jaargang 34
- nummer 6
Onder een strak-blauwe hemel kwam de lijkauto aangereden door dit stukje paradijs: overal geurende bloemen: oleanders, bougainville's, canna's. De Maori's groetten ons en elkaar met de hongi, de neusgroet: een tikje links en een tikje rechts tegen de neus van de ander. Langzaam gingen ze ons voor naar de marae (spreek uit meraj): het gemeenschapshuis van de clan, waar heel het Maori-leven zich samentrekt van geboorte tot dood. Elk gebeuren is een familiegebeuren. Onderscheid tussen verwantschap in eerste of tweede graad is nauwelijks merkbaar: ooms, tantes, neefs, nichten, allen zijn evenzeer betrokken bij het gebeuren. In die familiekring waren wij nu opgenomen. Er werd rouw bedreven over die éne, die 'het' deed en de ander, die het leed.
Drie in zwarte sluiers gehulde vrouwen, met groene bladerkransen om het hoofd en palmtakken in de hand, wezen ons de weg die we gaan moesten met de kist. Met hoge heldere stemmen zongen ze: "Kom in de meraj Walter! Laat ons voor je mogen zorgen. We houden van je!"
Daarop antwoordde een sonore mannenstem uit de onmiddellijke omgeving van de kist: “Ik kom er aan. Willen jullie voor me zorgen?
Dat is goed!" Uiteraard werd dat gezongen in het Maori. Toen werden we door een breed gangpad naar binnen geleid. Links en rechts zaten veel mensen op overlangs geplaatste banken: Pakeha's (blanken) en Maori's, waaronder heel veel Maori-kinderen. We plaatsten de kist met het hoofdeinde tegen de kopse kant van de zaal en toen sloeg een diepe ontroering door ons heen: Vlak boven het hoofd van de dode waren de foto's aangebracht van Vader en Moeder, plus hun trouwfoto.
Vader en Moeder waren er ook, hier in dit uiteinde van de wereld.
Het was - zei mijn zus - alsof we Moeders lieve nuchtere stem hoorden zeggen: "Zo Wout, ben jij daar?" De Maori's doen dat altijd zo.
Het gaatjes board tegen de voorwand hing vol foto's van overleden Maori's.
Is het een overblijfsel van hun voorouderverering? Maar nu ze gekerstend zijn willen ze ermee tot uitdrukking brengen dat de familie één is en één blijft en dat vader en moeder niet 'weg' zijn en dat een mens bij zijn sterven tot zijn vaderen verzameld wordt. Links en rechts van de kist waren matrassen neergelegd, waarop de familie mocht plaatsnemen. We kwamen in de onmiddellijke nabijheid van onze dode. We moesten leunen tegen de kist en ons eraan vasthouden. Dat werd natuurlijk huilen. Maar dat was de bedoeling ook. Het verblijf in de meraj dient om rouw te bedrijven, om het verdriet te beleven, om alle gevoelens van smart los te maken en door te maken, met elkaar in de kring van de familie. Meermalen was het contact met andere rouwdragenden zeer lijfelijk, zonder één ogenblik indecent te worden. Wat doe je als de ander je huilend om de hals valt? Houdt dan je ogen maar eens droog! Maar dat moet ook niet: huil maar uit, dat is beter! De Maori's beleven dat gedurende drie dagen in hun meraj. Vandaar de grote hoeveelheid matrassen bij de ingang.
Voor ons duurde het 'maar' anderhalf uur. Maar het waren kostbare ogenblikken. Caroline, de voorzangster van de methodisten, zette een lied in met haar hoge, slepende stem: "Wij zijn kinderen van één Vader.
We zijn verbonden met de Zoon.
Wij zijn familie.
Wij zijn één."
Toen kwamen heel veel mensen vertellen waarom de overledene hen zo lief was: Hij was hun vrederechter geweest. Ze hadden hem gezocht met hun kleine geschillen en hij moest uitspraak doen.
Hij leerde hen excuus maken en zelfs om vergeving vragen als er iets was misgegaan. Hij ploegde hun stukje land om met zijn trekker. Hij liep hun zieken achterna met een kippetje. Hij gaf een fles eigengemaakte wijn cadeau. Als hij afscheid nam van Bro (een veelgebruikte afkorting voor Brother - broeder) Paniora zei hij altijd: "Geef Caroline een kiss van me". Soms werden grappige dingen van de dode verteld.
Dan zat de meraj te schudden van de lach. Even later kwam er weer een traan. Telkens kwam de schaamte boven. Hoe erg dat het één van de hunnen was, die het deed. Een jongeman zei: "Walter, neem je kano (de doodskist is een kano), vaar onze rivier de Hokianga· af, peddel over de grote oceaan, vaar de rivier van je vaderland op en vertel de mensen daar dat we niet allemaal zo zijn als die éne die het deed". Een enkeling brak uit in haat: "Moge hem overkomen wat hij Walter aandeed!" Boven alles uit rees de dank dat we met onze lieve dode naar de meraj gekomen waren en dat zij hem die hun vriend werd, begraven mochten. Wij, d.w.z. mijn jongste broer die ook in N.-Zeeland woont en ik, dankten de Maori's en zeiden dat ze zich niet zo schuldig moesten voelen en dat we ons moesten ontfermen over de jongen die 'het' deed en die met zijn 21 jaar zijn eigen leven had verwoest en onze hulp wellicht nog meer nodig had dan de weduwe.
Terugziend op dit deel van de begrafenis denk ik aan uitermate eenzame begrafenissen in ons doodgesplitste, individualistische Westen, zoals ik ze een enkele keer heb meegemaakt.
Hoe arm een begrafenis waar de dominee als enige achter de baar gaat, slechts vergezeld van een enkele liefdezuster. Ik weet dat ik een extreem geval teken. Maar wat zijn er veel zwervers die totaal vervreemd zijn van hun omgeving, hun kerk, hun vrienden en hun nageslacht!
Aan de andere kant: is dat niet de rijkdom van onze christelijke begrafenissen, dat we ze steeds weer beleven als een familiegebeuren, tot over de kerkgrenzen heen?
"We zijn kinderen van één Vader.
We zijn verbonden met de Zoon.
We zijn Familie.
We zijn één."
Na anderhalf uur droegen we onze dode de meraj uit en na een korte wandeling over de stralende hoogvlakte, trokken we het anglicaanse kerkje binnen, waar een dienst werd gehouden volgens de anglicaanse ritus. Uiterst sober overigens: ook hier werd veel geïmproviseerd. De kinderen spraken een woord, mijn jongste broer en zijn vrouw lazen een psalm en baden met ons, de A.O.G. dominee (Pinkstergemeente) deed hetzelfde. Ik hield er een korte preek, waarin ik herinnerde aan vader Jacob: zijn woestijn (vol daemonen) werd ineens 'huis Gods' en 'porta coeli' (poort des hemels), Gen. 28. Engelen stegen op en daalden op hem neer. Toch lag hij, de uitverkorene, daar alleen maar zondaar te zijn: hij bedroog zijn vader en zijn broer. Later stond de hemel open boven de Here Jezus: engelen stegen op en daalden op Hem neer (Joh. 1). Zo zien de engelen van Gods kleinen altijd het aangezicht van hun Vader die in de hemelen is, (Matth. 18:10). Toen de moordenaar de slaapkamer binnendrong rapporteerden engelen onmiddellijk: "Here, Walter Van den Brink is in groot gevaar." De Here sprak: "Vlieg omlaag en als de man schiet, breng Walter dan direct bij me." En als we nu geestelijke ogen hebben zien we op de deur van die verschrikkelijke slaapkamer ineens een bordje: porta coeli, poort van de hemel: de werkelijkheid is anders dan de schijn! De verschrikkelijkste plaats wordt de heerlijkste. Dat heb ben we te danken aan die andere plaats, waar 'het' gebeurde, waar duizend duivelen op Jezus afsprongen en Hij wierp ze niet uit. Hij reinigde de plaats niet van boze geesten.
Hij liet ze komen en ze hadden aan Hem niets.
Hij zette hen voor schut. Ze liepen zich te pletter op zijn liefdevolle hart.
Nu moeten we maar veel zingen van genade en overwinning, van licht en leven door de opstanding van de Here Jezus. Zingen geeft het hart vrede en jaagt de duivelen op de vlucht (ik dacht: dat is beter dan hun exorcismen).
Het was heerlijk achteraf te horen dat veel Maori's hun hart hadden opgehaald aan de preek. "Het was balsem voor ons hart", zei er één.
"Wat waren dat vertroostende woorden", zei de ander. Na de preek zette Caroline Psalm 23 in: "The Lord is my Shepherd": de Heer is mijn Herder.
Toen volgde de korte rit naar het kerkhof aan de oever van de Hokianga (een hardblauwe fjord van 1% km breed, tussen groene heuvels en witte zandverstuivingen).
Daar verzorgden de mannen van de RSA de eigenlijke teraardebestelling.
De afkorting staat voor Returned Servicemen Association, de Vereniging van Oud-Strijders. Alle oud-militairen, waar ze ook gevochten hebben, in Korea, Vietnam, in de laatste oorlog, maken deel uit van deze organisatie. Doel is vooral het verlenen van hulp bij het overlijden van de oud-strijders en de zorg voor hun weduwen. Het was aandoenlijk al die oude mannen te zien, stram in de houding, marcherend op de korte bevelen van een heel oud officiertje.
Op zijn bevel blies één van hen de Last Post vanaf een kleine heuvel op enige afstand. Dat ging ons door merg en been. Even later volgde de Reveille: wat een prediking! Toen de kist was neergelaten las ik uit de engelse Bijbel enkele verzen uit 1 Kor. 15. Daarna sprak ik de woorden van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof in het Nederlands.
John Paniora sprak ze in het Engels.
Het Onze Vader volgde in drie talen.
Toen zette Caroline in het: ,,O God our help in ages past": O God, die droeg ons voorgeslacht. Daarna volgden nog talloze Maori's en enkele familieleden met een woord aan de groeve.
Toen waren we plotseling getuige van een botsing der geesten aan de oevers van de Hokianga. Er verscheen een Maori aan de éne kant van de groeve die de dode begon toe te spreken. Hij was gekleed in een confectiepakje en had een vriendelijk uiterlijk, maar hij was kennelijk een soort priester. Hij sprak heel zachtjes, maar heel duidelijk in het Engels. Hij zei: "Walter, nu daal je af in de diepte van het dodenrijk. Vanuit deze diepte daal je af naar nog diepere diepten. En vandaar nog dieper. Je daalt af in de diepe duisternis.
En vanuit deze duisternis naar nog diepere duisternis en vandaar naar de allerdiepste donkerte.
Vaarwel, Walter!" Het klonk heel verdrietig, heel triest. Hoe arm is het heidendom! Toen hij nog maar net uitgesproken was, kwam John Paniora terug. Zijn taak was eigenlijk afgelopen. Hij had zijn ragdunne toga al uitgetrokken (het was bloedheet) en over zijn arm genomen.
Maar hij kon deze wanhoop niet op zich laten zitten. Hij ging aan de andere kant van het graf staan en terwijl zijn hand een verwijzende beweging maakte naar de kist in de diepte van het dodenrijk, begon hij uit zijn hoofd psalm 139 te citeren: "Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht? Maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde, Gij zijt daar ... Zeide ik: duisternis moge mij overvallen, dan is de nacht een licht om me heen; zelfs de duisternis verbergt niet voor U, maar de nacht is als de dag, de duisternis is als het licht".
Dat was prachtig. Toen was die heerlijke Caroline er weer met een lied: "How Great Thy art": Hoe groot zijt Gij! Zo strijdt de Kerk aan de Hokianga de strijd der geesten: niet met artikeltjes in de krant. Niet met twistgesprekken. Maar gewoon met het zwaard van de Geest, dat is Gods woord. Door het kwade te overwinnen met het goede. Door liederen die de daemonen verjagen.
Tenslotte, tenslotte ... kwamen er vier jonge Maori's met glimmende lijven en grote schoppen, En terwijl wij allemaal toekeken, gooiden ze het graf dicht, stampten de aarde aan, egaliseerden het oppervlak en schikten de bloemen. Dat is nu echt begraven!
Toen ze klaar waren vroegen ze of het goed was. Nu, het was goed. Toen liepen ze naar hun gammele, rammelende blik, reden een· paar honderd meter naar de beek en terwijl het kerkhof leegstroomde, vlak langs hen heen, doken ze in het koele water: het was zo heet!!
Eén van de vroegere zakenvrienden van mijn broer uit Auckland kwam na de begrafenis naar me toe en hij zei: "Wat een zegen voor dit volk, zo'n begrafenis!" Later hoorden we voor het nieuws dat ongeveer op dat ogenblik koningin Elizabeth, die gekomen was voor het sluiten van de Commonwealth Games (de Gemenebest-Spelen), uiterst onheus was bejegend door een groepje militante Maori's, die alle pakeha's in zee wilden drijven.
Wat een wonder dat een begrafenis een zegen kan zijn!
Maken wij dat ook niet dikwijls mee in onze situaties?
Dat danken we aan dat éne plekje, waar 'het' gebeurde, toen onze Here Jezus riep: "Het is volbracht".