Interview met dr. Zokoué
1990-03-30
Bangui: een vertrouwde naam- Jaargang 34
- nummer 7
Voor de aandachtige lezers van OPBOUW is 'Bangui' een vertrouwde naam aan het worden: voor de vijfde keer treft u hier een reisverslag aan van mensen, die door de Stichting Ev(angelische)T(oerusting)A(frika) naar de hoofdstad van de Centraal Afrikaanse Republiek zijn uitgezonden om daar gast-kolleges te geven aan theologische studenten uit heel Franstalig Afrika. Voor ons beide was het een weerzien; we hadden eerder in 1987 (vdD) en 1989 (G) aan de FATEB (FAculté de Théologie Evangélique de Bangui) gewerkt. We deelden dan ook de gewaarwording, dat niet alleen de naam, maar ook de fakulteit zelf ons wat vertrouwd was geworden. We herkenden allerlei dingen die ons de eerste keer getroffen hadden; we haalden de banden aan met mensen die we al eerder ontmoet hadden; kortom: we voelden ons gewoon thuis! Dat was niet in het minst te danken aan onze gastheer en gastvrouw, die door hun grote zorgzaamheid, toewijding en humor ons verblijf wel bijzonder aangenaam maakten. En hoe fijn het ook was om na drie en een halve week weer naar de onzen in Nederland terug te keren, allebei merkten we ook dat we zijn gaan houden van de mensen en de kerken daarginds.
Omgekeerd konden we vaststellen, dat Les hollandais in de loop van de jaren een bekende verschijning zijn geworden aan de FATEB. Zowel bij het welkom als bij het afscheid werd ons duidelijk gemaakt, dat de bijdrage van de EvTA zeer gewaardeerd wordt en dat men er ook in de toekomst op hoopt te kunnen rekenen.
Het was geen holle frase, toen zowel docenten als studenten ons verzochten, hun hartelijke groeten over te brengen aan de broederschap in Nederland.
Pygmeeën
Natuurlijk stond ons verblijf niet enkel in het teken van het weerzien; we hebben ook allerlei nieuwe ervaringen opgedaan. Het was boeiend om van verschillende zijden te horen, hoe men zich verantwoordelijk weet voor de zending onder de Pygmeeën.
Dit volk van kleine mensenventje Piggelmee ontleent er ongetwijfeld zijn naam aan ... - leeft als nomaden o.a. in de beboste grensstreek van Centraal Afrika, Kongo en Kameroun. Hun verhouding tot de overige zwarte bewoners van die landen is niet bepaald hartelijk geweest; ze zijn tot nu toe ook nauwelijks met het evangelie in aanraking gekomen. Maar als het aan de bevlogen mensen ligt die we hierover spraken, gaat dat veranderen. Een dominee vertelde ons, dat hij regelmatig te voet een afstand van 60 km aflegt om de Pygmeeën bekend te maken met de verlossende naam van Christus. Hij had langzaam aan hun vertrouwen gewonnen en zag nu deuren voor de boodschap opengaan.
Alleen: zijn gemeente begon te brommen als hij alweer een zondag op pad was! Hij drong er een aantal malen vurig bij ons op aan om toch vooral voor dit belangrijke werk te bidden. Van een ander hoorden we, dat er een konferentie in voorbereiding was om zich op dit zendingswerk te bezinnen. Dat is een van de sterke kanten van die jonge zwarte kerken: vervuld van blijdschap over de nog maar zo recent ondergane bevrijding die uitgaat van het geloof in Christus, achten ze het een vanzelfsprekende opdracht die rijkdom over te dragen aan de velen in hun omgeving die er nog geen deel aan hebben. Is dat niet om aan te denken, als er in onze kerken voorbede gedaan wordt voor zending en evangelisatie?
President
Een geheel nieuwe ervaring was voor ons ook de 'gebeds-maaltijd' die de president van de Centraal Afrikaanse Republiek, generaal André Kolingba, op 30 januari belegde.
Het bleek dat hij de gewoonte had, één maal per jaar vertegenwoordigers van de christelijke kerken in zijn land ten paleize uit te nodigen voor een bidstond voor land en volk, gevolgd door een maaltijd.
De FATEB-staf betrok de uitnodiging ook op ons, zodat wij op die dinsdagavond samen met enkele honderden predikanten, RK-e geestelijken, zendelingen en christelijke ontwikkelingswerkers een plaats vonden aan de presidentiële tafels.
De bijeenkomst, opgeluisterd door verschillende koren waarvan er een tot ieders verbazing het Hallelujakoor uit Handels 'Messiah' ten gehore bracht (!), stond in het teken van de scheiding tussen kerk en staat. Dat werd niet alleen duidelijk aan het begin gezegd, maar ook bevestigd door het feit dat de (RK-e) president zichzelf geen beurt toewees bij de vele voorbeden. Tegelijk echter sprong in het oog, hoe het christelijk geloof in dit land een publieke faktor is; het was indrukwekkend om een predikant de oproep aan het staatshoofd te horen doen, om zich bij zijn bestuur vooral toch te laten leiden door de God en Vader van Jezus Christus.
Het karakter van de maaltijd was helaas minder verheven: het zelfbedieningssysteem pakte extreem gunstig uit voor de eerstkomenden, maar uitermate teleurstellend voor minder haastige gasten. Terwijl anderen zich reeds op hun torenhoog met stukken kip beladen borden stortten, veegden wij ons wat karige restanten rijst en maniok bij elkaar ...
Interview
Tenslotte willen wij de 'doyen' (letterlijk 'deken', een soort 'rector') van de FATEB, de uit Centraal-Afrika afkomstige dr. Isaäc Zokoué, aan het woord laten. We hebben hem een interview afgenomen, speciaal met het oog op de lezers van OPBOUW.
Door onze geringe ervaring op het gebied van interviewen zijn we glad vergeten naar zijn leeftijd te vragen, maar de informatieve waarde heeft daar naar onze indruk toch niet onder geleden! Hier volgt het vraaggesprek.
Dr. Zokoué, zoudt u iets willen vertellen over de familie waaruit u afkomstig bent? Welke generatie van uw voorgeslacht heeft zich tot Christus bekeerd?
Ik kom uit een gezin van acht kinderen: ik heb zes broers en één zuster.
Ikzelf ben getrouwd en heb vier kinderen.
Mijn vader was predikant; net als mijn moeder leeft hij nog. Mijn grootouders waren nog animist. U moet namelijk bedenken, dat er pas in 1920 zendelingen in ons land kwamen!
Mijn vader kreeg als kind contact met hen en heeft een tijdje als ziekenverzorger bij hen gewerkt.
Langs die weg is hij christen geworden.
Tot welk kerkgenootschap behoort u? Kunt u er enkele kenmerken van geven?
Ik ben lid van een baptistenkerk, die ontstaan is uit zendingswerk van de Amerikaanse Mid-Missions. In de loop van de jaren kwam er steeds opnieuw een verschil van mening aan het licht betreffende de opleiding van predikanten: de zendingsorganisatie maakte daar naar ons gevoel te weinig werk van. De kerk waarvan ik lid ben, heeft in 1977 de samenwerking met de Mid-Missions beëindigd en zoekt nu steun bij de European Baptist Mission. Kenmerkend voor mijn kerken is dan ook, dat ze grote waarde hechten aan een goede opleiding voor predikanten.
De meeste van onze dominees hebben namelijk een minimale scholing ontvangen; sommigen hebben niet eens een middelbare school bezocht! Verder is het karakteristiek voor mijn kerk, dat ze trouw wil blijven aan het Woord van God.
Theologiestudie en predikantswerk
Waar hebt u theologie gestudeerd?
Welke theologen hebben u beïnvloed?
Na mijn middelbare schoolopleiding heb ik gestudeerd in Vaux-sur-Seine in Frankrijk. In 1972 heb ik daar na vier jaar mijn maîtrise behaald (een soort doctoraal-examen, vdD +G).
Aan het Institut Protestant in Montpellier - eveneens in Frankrijk - heb ik mij verder gespecialiseerd in de dogmatiek, met name de hermeneutiek.
Momenteel bereid ik mij voor op een Doctorat d'Etat (een soort promotie, vdD +G) aan de Université des sciences humaines in Straatsburg.
Van 1987-1989 heb ik dan ook met mijn gezin in Straatsburg gewoond.
Mijn proefschrift gaat over de christologie: ik onderzoek, hoe het probleem dat in Europa wordt behandeld in de leer van de twee naturen van Christus, met behulp van Afrikaanse denkpatronen kan worden benaderd.
Ik kan niet zeggen dat ik door bepaalde theologen sterk beïnvloed ben. Professor Henri Blocher van Vaux heeft wel een stempel op mijn ontwikkeling gedrukt. Ik heb ook waardering voor mensen als Augustinus en Calvijn. Maar theologen als Barth en Tillich hebben mij weer minder gedaan. Mijn instelling is eigenlijk, dat ik van niemand iets aanneem, omdat hij toevallig zo beroemd is. Ik lees alle theologen kritisch. Daarom wil ik me ook niet de discipel van die of die noemen.
Hebt u ook als predikant gewerkt?
Zo ja, hoelang, waar, en met plezier?
Jazeker! Voor ik in 1986 doyen van de FATEB werd, ben ik anderhalf jaar full time predikant geweest.
Verder heb ik zo'n jaar of 11 pastoraal werk gedaan in kombinatie met werkzaamheden voor de IFES, de International Fellowship of Evangelical Students. In dat kader heb ik in verschillende Afrikaanse landen gewoond.
Het predikantswerk heeft mij veel voldoening gegeven. Ik acht het pastoraat van fundamenteel belang.
Naar mijn mening kun je niet goed lesgeven als je geen ervaring in het pastoraat hebt.
DeFATEB
Kunt u in vogelvlucht iets vertel/en over de geschiedenis van de FATEB?
Wat vindt u karakteristiek voor de school?
In 1973 heeft de Association des Evangéliques d'Afrique et de Madagascar het besluit genomen, om twee theologische fakulteiten op te richten: een Engelstalige in Nairobi (Kenya) en een Franstalige in Bangui.
Omdat men vond dat er met die laatste het meeste haast gemaakt moest worden, stond die er ook het eerst! Nadat men drie plaatsen op het oog had waar men hem kon vestigen, is de keuze op Bangui gevallen, onder andere omdat de grond ons hier gratis ter beschikking gesteld is door de toenmalige regering.
In 1974 is men begonnen met de bouw; in 1977 gingen de deuren open voor de eerste studenten. Inmiddels zijn er meer dan 70 predikanten afgeleverd die nu in hun kerken dienst doen of nog verder studeren. De studenten die hier tot' nu toe waren komen uit 17 verschillende landen; voor het eerst heeft zich trouwens nu ook een kandidaat uit Togo gemeld.
Ik zou drie karakteristieke dingen willen noemen waardoor onze school zich onderscheidt van andere.
1. De FATEB werkt nauw samen met de kerken. Er worden uitsluitend studenten aangenomen, die een aanbeveling hebben van de kant van hun kerken.
2. Wij geven onderwijs, niet alleen aan de studenten, maar ook aan hun vrouwen. Voor die laatste kategorieën hebben we een speciaal programma opgezet. Echt uniek is, dat we ook voorzieningen hebben getroffen voor de scholing van de kinderen van de studenten. Ik mag wel zeggen dat we daar een beetje trots op zijn!
3. In ons theologisch onderwijs zijn praktische en theoretische vorming geïntegreerd. Gedurende alle studiejaren, te beginnen met het eerste, lopen de studenten een aantal uren stage in een gemeente.
Hoe is de studie verder opgezet?
Welke vakken moeten de studenten in de vijf jaar dat ze in Bangui zijn in elk geval gehad hebben?
Ons studie-programma telt zes hoofdvakken: Oude Testament; Nieuwe Testament; dogmatiek; kerkgeschiedenis; praktische theologie; missiologie. Binnen die vakken kunnen de studenten zich in de loop van hun studie specialiseren. Behalve het klassieke theologische onderwijs wordt er in de kolleges ook aandacht geschonken aan de Afrikaanse kultuur: de studenten moeten kennis nemen van de Afrikaanse literatuur, van de mondelinge Afrikaanse traditie en van de specifiek Afrikaanse theologie.
Afrika en Europa
Kunt u nog verdere verschillen aangeven tussen het theologisch onderwijs in Afrika en dat in Europa?
Naar mijn indruk is het theologisch onderwijs in Europa veel theoretischer van aard. Ik neem een scheiding waar tussen het geloof en de vroomheid aan de ene kant en de theologische vorming aan de andere.
De theologie zoals ik die in Europa heb waargenomen, leidt bijna een eigen leven, los van het kerkelijk leven.
Kunt u tenslotte enkele hoofdzaken noemen betreffende het christelijk leven in Bangui, die naar uw mening belangrijk zijn voor onze kerken in Nederland?
Wij hier in Afrika zijn heel spontaan in ons leven vanuit het evangelie. Ik denk dat jullie in Europa daar wel wat van kunnen leren! Toen ik in Frankrijk was, viel het me op dat de christenen daar zoveel geremder zijn. Ik geloof niet dat je dat alleen kunt schuiven op de volksaard en de kulturele inslag, zoals men dat zo vaak doet. Het lijkt me, dat het ook te maken heeft met de spontane liefde tot God. Ik zal een voorbeeld geven.
Bij ons is de zondag een dag die we helemaal reserveren voor God. Jullie hebben dat wel gemerkt: we nemen uren en uren de tijd voor de kerkdienst! In Frankrijk merkte ik, dat men daar veel koeler mee omging.
Na de kerkdienst staan er weer allerlei andere dingen op het programma.
Het is alsof het leven met God minder beslag legt op het hart.
Dat zou ik dus aan de kerken in Nederland willen meegeven: laat het christelijk leven toch vooral spontaan zijn, uit één stuk!