Waameming en werkelijkheid

1990-03-30
  • Jaargang 34
  • nummer 7
(Lezing tijdens de introduktieweek van de Civitas Studiosorum Reformatorum te Delft, op 23 aug. 1989).
1. In de aankondiging van dit verhaal hebben we gezegd: Eenzelfde toestand of gebeurtenis wordt door diverse mensen vaak geheel verschillend gezien en beoordeeld. Op deze uitspraak willen we nu eerst nog wat nader ingaan, mede aan de hand van enkele voorbeelden. Deze voorbeelden ontlenen we aan het dagelijkse leven, maar ook aan gedachten en levenshoudingen die op wetenschappelijke ideeën en onderzoekingen zijn gebaseerd.

2. Een heel bekend verschijnsel is het verschil in beschrijving en beoordeling door verschillende getuigen van de juiste toedracht van een ongeval. Blijkbaar beleven we zo'n plotselinge gebeurtenis op een verschillende manier en is onze waarnem ing erg selectief. Ook staan we snel klaar met een oordeel over de schuldvraag en spreken sympatieën en antipatieën daarin onmiddellijk mee; ze kleuren de beschrijving van de toedracht soms in hoge mate. We zijn blijkbaar snel en gemakkelijk bevooroordeeld.

Eenzelfde soort vooroordeel speelt vaak een rol in onze beoordeling van vreemdelingen, bijv. als het gaat om oorzaken van crimineel gedrag.
Het gevoel dat de ontmoeting met mensen van een ander ras, een andere cultuur, een ander geloof, bij ons oproept is vaak dat van antipatie, van tegenzin. Soms leidt dat zelfs tot georganiseerde confrontaties.
Maar bij anderen, vooral bij hen die in het persoonlijke vlak met vreemdelingen hebben kennis gemaakt, roept zo'n ontmoeting vaak juist sympatie, meeleven en waardering op. Toch gaat het in beide gevallen om de beoordeling van eenzelfde situatie.

3. Ook in het wetenschappelijke vlak krijgen waarnemingen vaak een interpretatie die door vooroordelen wordt gevoed, meestal zelfs zonder dat men zich dat zelf bewust is.

Het vertrouwen op de uitkomsten van natuurwetenschappelijk onderzoek is in onze westerse wereld vaak heel sterk geweest; meten is weten, zegt men dan. Dat is mede gevoed door de resultaten die zijn behaald door de verbinding van de natuurwetenschap met de techniek en van de wiskunde met de economie.
Dat samenspel is uitgegroeid tot een autonoom complex; autonoom omdat het zijn eigen wetten stelt voor intern gebruik en omdat het zich aan de grenzen afschermt tegen invloeden van buitenaf. De gevolgen zijn niet uitgebleven.

Dat afschermen bijv. tegen morele en godsdienstige bezwaren is in velerlei opzicht zelfs vrij agressief gebeurd door ook de mens zèlf te gaan zien als een machine, zij het dan ook als een zeer complexe. Dat is een wijsgerige stroming die al enkele eeuwen oud is en die veel successen heeft geboekt, bijv. in het medische vlak en in de industrie.
Verzet ertegen is onder meer gerezen uit de arbeiderswereld, omdat juist daar het uitbannen van morele waarden in de mensbeschouwing tot mensonwaardige toestanden leidde.
Toch heeft ook het Marxisme - want daarop doel ik - zich van dat autonome complex niet los kunnen maken.
Het heeft alleen het zwaartepunt in de mensbeschouwing verlegd van het natuurwetenschappelijke naar het maatschappelijke, met name naar de economische en sociale aspecten daarvan. Ook dat heeft weer een gesloten wereldbeeld opgeleverd, waarin aan morele vragen, rechtsbeginselen en (andere) geloofsovertuigingen geen eigen plaats en invloed werd gegund.

4. Toen eeuwen terug die natuurwetenschappelijk gekleurde mens- en wereldbeschouwing ontstond was er nog voldoende bijbels-godsdienstig besef en invloed om die nieuwe wetenschappelijke denkwijze in het godsdienstige leven in te bouwen, te incorporeren. Dat leidde er wel toe dat men de wereld ging zien als een mechanisme, als een eens door God geschapen uurwerk, dat door Hem in gang was gezet en sindsdien met de regelmaat van de klok bleef lopen.
Isaäc Newton, die tot het onderzoek veel had bijgedragen, was een beroemd geleerde en tevens een gelovig man. Hij kreeg het met de gedachte aan het gemechaniseerde wereldbeeld knap benauwd: God kon in die gedachtengang immers wel op zijn lauweren gaan rusten, alles liep toch wel door. Toen hem dit als een consequentie van zijn eigen vindingen voor ogen werd gehouden had hij daar eigenlijk geen goed weerwoord tegen.

Zo kon het geloof versmallen tot het vertrouwen op Jezus als vergever van zonde en schuld in het persoonlijke leven, tot zaligmaker, vooral voor later, na het sterven. Toch was dat godsdienstige leven en het rechtsbesef nog voldoende geworteld in de samenleving om een zekere eigen plaats voor kerk en rechtspraak veilig te stellen, soms zelfs tegen de heersende machten in, maar toch ook vaak helaas daarmee samenspannend. In het later opgekomen Marxisme is die verdraagzaamheid uitgebannen om plaats te maken voor het religieuze karakter van de vooral economisch gekleurde mens- en wereldbeschouwing.

5. We komen nu tot een voorlopige eerste conclusie: De werkelijkheid vertoont een aantal aspecten, zoals het natuurlijke, het sociale, het economische, het juridische, het morele en het geloofsaspect. Deze indeling en onderscheiding is wat globaal en kan verder worden verfijnd en aangevuld; maar- voor onze beschouwing is ze nu voldoende om te illustreren dat elk van deze aspecten een universele mens- en wereldbeschouwing kan opleveren door nl. van het vooroordeel uit te gaan dat zo'n aspect ook het wezen van de mens bepaalt. Ook het historische aspect is vandaag in dit opzicht belangrijk, al hebben we dat verder niet genoemd. Wel moeten we ons goed realiseren dat de aanhanger van zo'n wereldbeeld de fundering ervan nooit een vooroordeel zal noemen, maar juist een wetenschappelijk verantwoord oordeel, dat de waarheid omtrent de werkelijkheid aan het licht brengt.

Een beeld kan dit misschien verduidelijken.
Stel u hebt een bundel lampen in alle kleuren van de regenboog.
Als u ze allemaal gelijktijdig ontsteekt hebt u in zijn totaliteit wit licht, zoals het zonlicht. Daarmee beschijnt u de omgeving, die dusdoende in haar echte kleuren en vormen kenbaar wordt. Nu stellen in dit beeld de afzonderlijke kleuren de verschillende aspecten voor van de wereld om u heen, uw omgeving.
Ontsteekt u nu alleen een lamp van één bepaalde kleur, bijv. groen, dan zal uw omgeving ook groen oplichten, de overheersende kleur groen aannemen. Een ander, die alleen het rode licht ontsteekt, zal echter een rode wereld ontwaren; een derde ziet de werkelijkheid voornamelijk in allerlei schakeringen blauw, omdat hij alleen de blauwe lamp aan heeft.
Als men nu de waarnemingen en ervaringen onderling uitwisselt, blijkt dat men soms over hetzelfde praat - de vormen bijv. zijn voor allen dezelfde - maar op een ander moment lijkt het wel of men in totaal verschillende werelden leeft: De een in een groene, de ander in een rode en een derde in een blauwe wereld.
De spraakverwarring ontstaat dus niet omdat er verschillende aspecten zijn, elk met zijn eigen universele betekenis, maar omdat men aan één van die aspecten van de werkelijkheid een allesoverheersende waarde toekent, een waarde die in betekenis ver
uitgaat boven die van alle andere en die de structuur van alles bepaalt, de mens inbegrepen.

6. De vraag rijst nu waardoor dit komt, die kennelijk onontkoombare noodzaak om zo'n centraleallesbeheersende visie te ontwikkelen. Het antwoord is: Het zit in de aard van de mens als zodanig om de werkelijkheid als een eenheid, een totaliteit, te beleven, te zien. Wij willen de wereld als een kosmos zien en niet als een chaos. Nu zijn er wel wetenschappers die de werkelijkheid beleven als een chaos, als iets dat ontstaan is uit een toevallige samenloop van omstandigheden, door kansrekening enigszins te benaderen.
Maar daarmee heeft men langs een omweg toch weer een samenhang aangenomen, nl. die welke statistisch en niet deterministisch wordt beschreven. En dat is weer één aspect, ten grondslag liggend aan een éénzijdige beschouwingswijze, die over de grenzen van de wiskunde heen tot een allesbeheersend beginsel wordt verklaard. Het gaat ook hier dus weer om éénkleurig licht, om de verabsolutering van één aspect.

7. Nu heeft de wetensèhappelijke analyse van de verschillende werkelijkheidsaspecten in onze westerse wereld een schat aan kennis en inzicht aan het licht gebracht. Ook heeft dit de basis gevormd voor een ongekende welvaart in de ontwikkeling van techniek, economie en geneeskunde.
Er zijn veel redenen om.
dit zeer te waarderen. Maar het heeft ons wel een wereld gebracht die eenzijdig van aard is en door autonoom verklaarde wetten is omkaderd.
En omdat de werkelijke wereld veelkleurig is en eindeloos rijk aan variaties, kan men er niet straffeloos een deel uitlichten en tot grondnoemer van alles verklaren zonder het verband met de totaliteit te verliezen.
Het is ermee als met een ballonnetje dat steeds maar verder wordt opgeblazen: Het barst tenslotte. In onze wereld van vandaag is dit proces zich bezig te voltrekken omdat we de natuur hadden buitengesloten. Ze paste eigenlijk alleen in ons schema, ons systeem, als de leverancier van grondstoffen en als stortplaats van afvalstoffen. We spreken daarom ook van milieu, van de omgeving waarin zich onze samenlevingsprocessen afspelen. In het Engels heet het 'environment', in het Duits 'Umwelt'. Het is eigenlijk een heel bedenkelijke en onthullende benaming van die andere wereld, waaraan wij onze grondstoffen ontlenen en waarin wij ons afval weer dumpen. Het is een wereld die verder niet meedoet, die ligt buiten de grenzen van ons autonoom geachte leefgebied. Het is zelfs zo dat wij ook de zgn. derde wereld in zeker opzicht als een deel van dat milieu zijn gaan zien; als een voor ons vreemde wereld die wel mee mag doen als het maar niet ten koste gaat van onze eigen wereld die we steeds veilig willen stellen.
De reacties van de natuur op de wijze waarop wij haar hebben gezien en behandeld beginnen de laatste jaren merkbaar te worden. Wij zijn daar nerveus onder, voelen ons bedreigd. Wij bedenken tegenmaatregelen, maar zijn toch de natuur nog maar heel weinig anders gaan zien dan als öns milieu waarover wij beschikken.

8. Daarbij komt nog dat de eenzijdige kijk op de mens, vanwege de ver doorgevoerde wetenschappelijke specialisaties binnen het bovengeschetste systeem, geen bevrediging meer schenkt en vaak een vervreemdend effect heeft. We zoeken de remedie in de intensivering van onze bestaande methoden öt we onttrekken ons aan deze gespecialiseerde wereld door te vluchten in mystieke beschouwingen die ons een totaalbeeld moeten geven. Ik denk hierbij aan oosterse godsdiensten, aan holistische theorieën, aan de zg. New Age-beweging. Zij moeten dienen om de vervreemding op te heffen die zich van velen meester maakt in onze eenzijdige cultuur.

In al die beschouwingswijzen - ook in die van het d66rgaan op de bestaande manier - ligt in feite de erkenning van de centrale religieuze positie van de mens in de kosmos.
Toch zijn er velen die dat ontkennen; die de mens bijv. in een ogenschijnlijk nederige positie plaatsen van een brokje natuur, ontstaan als resultaat van een miljoenen jaren vergend evolutionair proces, op een planeet als een stipje in een uithoek van het onmetelijke heelal. Maar in feite zit in die eenzijdige beschouwingswijze nu juist de bevestiging van de religieuze positiekeuze die men wil ontkennen. Niemand ontkomt daaraan, niemand kan de verantwoordelijkheid voor de geschapen werkelijkheid ontvluchten. Want dat is nu precies waarin de mens mèns is.

9. Wij komen daarmee aan onze eigen positiekeuze. Die houdt allereerst in dat we de aarde, onszelf en onze naaste aanvaarden als deelhebbend aan de creatuurlijke werkelijkheid die van Christus is en in Hem haar bestaan heeft. "Hij kwam tot het zijne" (Joh. 1:11a) "in Hem zijn alle dingen gechapen" "alle dingen hebben hun bestaan in Hem"
(Col. 1:16, 17).

Dat betekent voorts de erkenning dat wij onze menselijkheid, ons mens-zijn-in-verantwoordelijkheid tegenover God en zijn schepping dagelijks weer willen ontlopen: "en de zijnen hebben Hem niet aangenomen"
(Joh.1:11b).

Dat zegt verder dat wij ons autonome ik, ons zélf moeten verlaten om ons tesamen met de ganse creatuur aan Hem toe te vertrouwen: "Doch allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden ..."
(Joh. 1:12).

Dat betekent ook dat wij in onze omgang met de schepping zorgvuldig zijn, de in Christus geschapen en verloste structuren erkennen en respecteren: "Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken, en door Hem, vrede gemaakt hebbend door het bloed van Zijn kruis, alle dingen weer met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is." (Col. 1:19,20).

Dat zegt ons dat wij ons ook bij studie en onderzoek door liefde laten leiden en niet door gewin. Dat wij ons wachten voor eenzijdigheden en de eenheid en volheid van de creatuurlijke werkelijkheid in Christus voor ogen houden, ook als wij ons bekwamen in allerlei gespecialiseerde takken van wetenschap.
Want de Schepping is meer dan de natuur, zij omvat ook de geschiedenis, de cultuur, de samenleving in al haar structuren. Christus is niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen (naar Matth. 5:17).

10. Want tenslotte wordt, bij alle mensen en ook bij onszelf, de hoedanigheid van elke menselijke ervaring bepaald door de religieuze interpretatie die men er zelf aangeeft. Ook een wetenschappelijke studie ontkomt daaraan niet en we hebben boven gezien hoezeer die ervaringen door allerlei eenzijdigheden en verabsoluteringen gekleurd kunnen zijn. Ook christenen zijn daartegen niet immuun, wanneer zij technisch-wetenschappelijk onderzoek doen, noch wanneer zij zich inzetten voor bijv. wetenschappelijk onderzoek van de Bijbel naar zijn tijdelijke aspecten.
Allen zijn we geneigd daarbij Christus te elimineren door Hem een functionele plaats toe te dichten: Als profetische figuur, als godsdienstleraar of rabbi, als historievormer, als wonderdokter, als een wat wereldvreemde idealist of als wat dan ook.
Zo willen wij best op onderscheidene wijze en terecht Zijn aandeel in de ontwikkeling van de strijd der geesten erkennen, mits Hij maar niet erkend wordt als degene die Hij in werkelijkheid ten volle is: De Messias, de Christus der Schriften, "door wie-8-Uedingen zijn en wij door Hem." (1 Cor. 8:6), "in wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn." (Kol. 2:3).

"Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad" (Ps. 119:105). We moeten echter niet in dat licht staren, want dan raken we verblind. Maar we moeten letten op het pad dat door het woord van God verlicht wordt. "Want bij U is de bron van het leven, in Uw licht zien wij het licht" (Ps. 36:10). Heel praktisch houdt dit ook in dat wij niet domweg vakken leren om zo vlot mogelijk door de examens te rollen, maar dat wij elkaar helpen bij het verstaan van de achtergronden en de betekenis van het door ons gekozen vakgebied, ook voor de wereld van vandaag en voor die van morgen. Want daarvoor heb je elkaar nodig, in Christus.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief