Ad Infinitum

1990-04-13
  • Jaargang 34
  • nummer 8
Hoe het kwam, wist het Verstand zelf niet, maar op een goede dag moest het - of neen, laat ik zeggen: hijeen kijkje nemen bij het Gevoel. Hij deed het liever niet, maar hij kon niet anders: hij werd ertoe gedreven.
Wel probeerde hij op allerlei manieren gewaar te worden waar zijn nieuwsgierigheid vandaan kwam. Hij stelde ellenlange redeneringen op vol onomstotelijke uitgangspunten en conclusies, maar kon niet tot een bevredigende slotsom komen.
Lang, heel lang geleden had het Verstand het Gevoel opgesloten in een donkere, vochtige en tochtige kelder. Dat was gemeen, want ze waren broers. En broers behoren elkaar niet op te sluiten, zeker niet in donkere kelders.
Het Verstand was kwaad geweest op zijn broer. Met geen mogelijkheid kon hij zich nu nog herinneren wat de oorzaak ervan was: het was al zö lang geleden. In een driftbui had hij het Gevoel in de kelder gesmeten en de deur op slot gedraaid. En nooit had hij sindsdien naarhem omgekeken, zelfs niet aan hem gedacht (dat wil wat zeggen voor het Verstand!), totdat plotseling die onbedwingbare nieuwsgierigheid bij hem was opgekomen.
Toen hij voor zijn nieuwsgierigheid geen afdoende verklaring kon vinden, liep het Verstand ten einde raad naar de kelder. Hij moest weten wat er van het Gevoel was overgebleven.
Een beschimmeld geraamte, meer zou het wel niet zijn.
Zijn hand trilde toen hij de sleutel in het slot stak. Hij voelde zich als een archeoloog die op het punt staat een uiterst belangrijke vondst te doen.
Het slot ging moeilijk open, want het was danig verroest. Maar uiteindelijk lukte het toch en behoedzaam opende het Verstand de deur. Eerst zag hij niets, want zijn ogen moesten aan het donker wennen. Maar toen hij iets kon onderscheiden, deinsde hij verschrikt terug: er lag geen geraamteop de vochtige vloer, maar het Gevoel zelf in levende lijve kwam langzaam naar hem toelopen.
Hij knipperde met zijn ogen tegen het licht dat door de openstaande deur naar binnen viel. Zijn gezicht en handen waren groezelig en zijn haar en kleren zaten vol spinraggen.
Maar dat was geen wonder bij iemand die zo lang in een kelder had geleefd.
Het Verstand vergat van schrik de deur te sluiten. Het Gevoel beklom de trap, passeerde het Verstand en verliet de kelder alsof het de gewoonste zaak van de wereld was al die tijd zonder eten geleefd te hebben en dan ook nog te kunnen lopen.
Ik dacht dat je dood was, stamelde het Verstand eindelijk.
Hoe kom je erbij, zei. het Gevoel. Ik ga nooit dood.
Dat laatste kon het Verstand evenmin begrijpen als het eerste. Hij kon het ook niet geloven, want dan zou hij het immers eerst moeten zien.
Maar hij was te verbouwereerd om erover te gaan disputeren. Het liefst zou hij zijn broer stante pede weer in de kelder gestopt hebben, maar diepweg leefde bij hem de vraag: zou het Gevoel veranderd zijn? Het Verstand zou het Verstand niet geweest zijn, als hij geen poging waagde deze vraag 'te beantwoorden.
Daarom deed hij zijn best zijn broer met vriendelijkheid op zijn gemak te stellen. Met alle hartelijkheid die hij in zijn stem kon leggen, zei hij: Gelukkig dat je nog leeft. Ik vind het fijn dat ik nu niet meer alleen ben.
Het Gevoel keek zijn broer minachtend aan en liep zwijgend naar de kamer. In zijn hart brandde een felle haat, omdat hij zo lang opgesloten was geweest. De blijdschap over de herkregen vrijheid werd helemaal verdrongen door wraakgevoelens.
Hij ging in een stoel bij het raam zitten en keek naar buiten. Het was stil op straat. Wrokkend probeerde hij een plan te ontwerpen om zich op het Verstand te wreken, maar het lukte hem niet. Hij was nooit sterk geweest in plannen maken. Hij liet zich altijd door de situatie leiden.
Dat was gemakkelijker.
Ineens zag hij dat het Verstand hardlopend de straat overstak en een bakkerswinkel aan de overkant binnenging.
Even later kwam hij weer naar buiten met een gebaksdoos in zijn handen. Het Gevoel kookte bijna over van woede toen de betekenis ervan tot hem doordrong.
Nooit, gromde hij, nooit zal het hem gelukken zoete broodjes met mij te bakken.
Toen het Verstand glimlachend en opgeschroefd vrolijk de kamer binnenkwam, kookte het Gevoel echt over. Hij sprong uit zijn stoel, sloeg de doos met gebak tegen de grond en begon zijn broer in het wilde weg te stompen. Het Verstand had al een aantal fikse slagen moeten incasseren, voordat hij zich begon te verdedigen.
Hij vocht als een leeuw. Maar het Gevoel had het voordeel van de eerste klappen goed uitgebuit, terwijl zijn woede hem bovendien een onmenselijke kracht gaf. Na enige ogenblikken zakte het Verstand ineen.
Het Gevoel wreef zich vergenoegd in de handen. Hij bukte zich en doorzocht de zakken van zijn broer.
Triomfantelijk viste hij de sleutel van de kelder tevoorschijn. Daarna nam hij het Verstand in zijn armen, droeg hem de trap af de kelder in en sloot hem op.
Het Gevoel kon nu alles doen wat hij wilde en genoot bijzonder van zijn vrijheid. Maar veel, veel later kreeg hij plotseling medelijden met zijn broer. Aanvankelijk probeerde hij het van zich af te duwen. Maar hoe zou het Gevoel een gevoel kunnen verloochenen? Zijn medelijden werd zo groot, dat hij naar de kelder liep.
Als het Verstand verstandiger is geworden, mag hij eruit, dacht hij.
Hij legde zijn oor tegen de kelderdeur en luisterde. Er was niets te horen.
Ben je daar nog? riep hij.
Uit de kelder kwam een kwaadaardig gegrom dat hem deed schrikken.
Even aarzelde hij. Maar het medelijden was te sterk om zich op de vlucht te laten drijven.
Als je met een bescheiden plaatsje genoegen neemt, zal ik je vrijlaten.
Het Verstand dacht-bliksemsnel na.
Hier lag een onverwachte kans om vrij te komen en het Gevoel zijn verdiende afstraffing te geven. Het was onbegrijpelijk. Zo zag je maar weer dat het Gevoel geen verstand had!
Het Verstand maakte een onderdanige stem en zei honingzoet: Ik zal heel bescheiden zijn en jouw leiding erkennen.
Het Gevoel kreeg tranen in zijn ogen van ontroering en schuldbesef. Misschien had hij zijn broer altijd verkeerd beoordeeld. Hij voelde zich gelukkig hem nu te kunnen vrijlaten.
Moeizaam opende hij de deur.
Toen de kelderdeur geopend werd, moest het Verstand zich op de lippen bijten om zich te beheersen. Als hij te agressief deed, zou het Gevoel kunnen schrikken en de deur weer sluiten. Daarom liep hij heel rustig, traag zelfs, maar met een verbeten gezicht, als iemand die uit een belastingkantoor komt, de trap op en de kelder uit. Toen hij veilig en wel in de gang was, keek hij vluchtig om: de sleutel zat nog in het slot.
Ik ben je erg dankbaar, zei hij. Ik zal me altijd blijven herinneren dat je zo goed voor me bent.
Hij stak zijn armen uit om zijn broer te omhelzen. Het Gevoel haalde een zakdoek uit zijn zak en bette zijn ogen. Hij was bijzonder getroffen door de dankbaarheid van het Verstand.
Het Verstand aarzelde nu geen seconde meer. Hij sloeg zijn armen stevig om zijn broer heen en duwde hem onmerkbaar in de richting van de openstaande kelderdeur. Het Gevoel was te ontroerd om te beseffen wat er gebeurde. Haarscherp berekende het Verstand zijn mogelijkheden.
Het was een voordeel dat zijn broer nog steeds met de zakdoek in zijn ogen wreef. Daardoor werd alles veel gemakkelijker.
Het Gevoel stond nu met zijn rug vlak voor de deuropening. Plotseling voelde hij de armen van zijn broer niet meer om zich heen. Hij keek op en haalde de zakdoek voor zijn gezicht weg. Op hetzelfde ogenblik kreeg hij zo'n stevige stoot tegen zijn borstkas, dat hij achterover viel en van de trap af tuimelde. Bijna gelijktijdig werd de deur dichtgesmeten en de sleutel omgedraaid.
Lang, heel lang zat het Gevoel weer opgesloten in de kelder. Totdat het Verstand onverwacht werd aangegrepen door een onbedwingbare nieuwsgierigheid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief