Een vissersontbijt op het strand
1990-04-27
Het lijkt een prachtig begin van een film: De ochtendnevel over het water van het meer. De beginnende dag.- Jaargang 34
- nummer 9
Schimmige figuren op het water, verdofte geluiden. Dan zwenkt de camera naar het strand: Een man, alleen bij een rokerig houtvuurtje. Er ontspint zich een gesprek.
Dat is het begin van één van de laatste ontmoetingen van Jezus met zijn discipelen, of om het met Johannes te zeggen: Zo openbaarde Jezus zich aan zijn discipelen. Voor de discipelen is het een vreemde tijd tussen Pasen en Pinksteren. Ze weten niet precies wat ze moeten doen. Ze zijn terug gegaan naar Galilea, zonder precieze opdracht van Jezus. Ze weten wél dat Jezus hen daar ontmoeten wil. Maar hoe het nu met hun leven verder moet, daar schijnen ze toch geen zicht op te hebben. Petrus zegt op een gegeven moment: Ik ga vissen. En zes anderen zeggen: Wij gaan mee. Wat moeten we van die handelwijze denken?
Sommigen zien het als een bewijs van wanhoop, anderen als een bewijs van gezond verstand.
Men neemt het leven weer op. Zoals Saul, die, toen hij gezalfd was tot koning, weer achter de ploeg ging.
Maar - wat hadden ze moéten doen, in deze tijd tussen Pasen en Pinksteren?
Daarover speculeren is weinig zinvol. We moeten ons eerder afvragen: Wat wil Johannes ons met deze geschiedenis vertellen? Of: Wat wil Jezus zijn discipelen leren met deze gebeurtenis?
Zeven discipelen hebben hun oude handwerk weer opgenomen. Maar ze vangen niets. En als ze dan na een vruchteloze nacht de oever naderen, zien ze een man aan de kant staan. Hij roept hen aan en vraagt: Hebben jullie iets te eten? Een normale vraag als vissers de oever naderen. Vis werd verkocht aan de rand van het water. Vis was het volksvoedsel. Vis en brood was dagelijkse kost. Maar de vissers kunnen de voorbijganger niet helpen. Ze hebben niets gevangen. En dan zegt de vreemdeling: Werp uw net aan de rechterkant uit. Kenners zeggen dat het mogelijk is dat iemand van de kant af meer kijk op een rondzwemmende school vis heeft dan vissers op het water zelf. De vissers doen het ook zonder aarzelen. En met succes! Het net komt tot scheurens toe vol met vissen.
Toeval?
Johannes heeft iets in de gaten.
Johannes herkent iets. Is zoiets al niet eens eerder gebeurd? We denken aan de geschIedenis van Lukas 5. Een zelfde gebeurtenis, een wonderbare visvangst. Veel mensen willen deze twee verhalen in elkaar schuiven. Ze zeggen dan: Kijk, er is eens iets gebeurd met een wonderlijke visvangst maar de schrijvers weten niet precies waar de klepel hangt ook al hebben ze de klok horen luiden. Dit verhaal zou aan het Johannesevangelie geplakt zijn om het voor de vergetelheid te behoeden.
Johannes zegt dat Jezus zich aan de oever van het meer openbaarde.
Hij laat zich zien. Hij laat zich kennen. En Hij doet dat op een ontroerende wijze.
Hij geeft een teken. Er gebeurt hetzelfde als wat in Lukas 5 wordt beschreven.
In Lukas 5 wordt verhaald hoe de discipelen geroepen zijn.
Jezus heeft hen nodig. Hij heeft in de eerste plaats hun boot nodig, als drijvende kansel. Daarna volgt dan die grote visvangst en Simon en zijn gezellen worden discipelen. Daar waren ook de zonen van Zebedëus, dus ook Johannes, bij. Toen heeft Jezus gezegd dat ze vissers van mensen zouden worden. Nu, op deze vroege morgen gebeurt het opnieuw.
Een teken. Een nieuw begin. En Johannes heeft het als teken herkend al heeft hij Jezus zelf nog niet herkend. En hij zegt tegen Petrus: Het is de Here.
Johannes heeft het door, maar Petrus reageert. Hij reageert zoals altijd: impulsief. Hij grijpt zijn opperkleed en springt overboord. Petrus gaat er op af, impulsief zoals altijd.
Maar het wekt ook onze verbazing.
Je zou nu juist van Petrus verwachten dat hij zich een beetje achteraf zou houden, dat hij zich een beetje koest zou houden en niet meer zo haantje de voorste zou willen zijn.
Het betekent op zijn minst dat hij in zijn hart geen afscheid heeft genomen van Jezus. Hij gaat naar Hem toe. Ook als we schuldig zijn hoeven we niet weg te schuilen voor God.
We moeten Hem tegemoet gaan ook al klaagt ons geweten ons aan. Het is niet zo dat het God niet uitmaakt wat u doet, integendeel. Maar we moeten niet een beetje achteraf en onopvallend staan te doen of er eigenlijk niks aan de hand is. Zo van: We hebben misschien wel iets misdaan, maar wie niet? Petrus gaat zijn Heer tegemoet, rechtuit. Een Heer, die hem veel te verwijten heeft maar die hem niet afwijst.
Jezus zit bij een houtvuurtje. Daar heeft hij brood en vis al klaar. Voor een maaltijd. Een maaltijd van alledag.
Een vissersmaal aan het einde van een werknacht. Een maaltijd, dan is er dus sprake van gemeenschap, van samenzijn, van saamhorigheid.
Aan de oever van de zee wordt hun opdracht om vissers van mensen te zijn hernieuwd.
Ze hebben een net vol vis gevangen.
Zoveel, dat het net bijna scheurde.
Zoveel, dat het bijna boven hun krachten ging. Zo zullen ze ook mensen vangen. Maar niet in eigen kracht. Ze zullen zich nauwkeurig moeten houden aan de aanwijzingen die de Meester hen geeft. Anders is het vissen zonder resultaat. Maar als ze Zijn aanwijzingen volgen zullen ze vangen; meer dan ze verwachten.
Een nieuw begin, dat na Pinksteren pas ten volle zal uitbloeien. Voorlopig zitten de discipelen nog aan het vissersontbijt. Verbaasd en bedremmeld.
Want er is iets.
lets merkwaardigs. Niemand durfde Hem de vraag te stellen: Wie zijt Gij?
Was dat dan nodig? Nee, want ze wisten dat het de Here was. Waarom zou iemand het dan willen vragen?
We merken ook hier dat Jezus om zo te zeggen niet helemaal 'de oude' was geworden. Er was iets vreemds aan Hem. Toch wisten ze dat het de Here was. Zoals Maria van Magdala op de Paasmorgen niet geweten had wie ze voor zich had, zo zijn ook de discipelen een beetje bevreemd.
Maria Magdalena herkende Hem toen Hij haar naam noemde. En zo herkennen de discipelen Hem aan zijn wijze van optreden. Dezelfde als bij het prille begin. Met hetzelfde teken. En ze hebben een maaltijd samen, tafelgemeenschap, een teken van verbondenheid op deze vertrouwde plaats, waar het allemaal begon. Aan de oevers van het meer in het boerse Galilea eten ze samen zoals ze dat vroeger zo vaak gedaan zullen hebben. Johannes heeft erbij gezeten. Vol met vragen.
Vragen waarop hij later antwoord heeft gekregen en vanuit dat antwoord schrijft hij zijn evangelie opdat wij geloven dat Jezus de Messias, de Christus is, de Zoon van God. En opdat wij, door te geloven in Zijn naam, leven hebben.
Wij zijn eigenlijk de vissen, die de discipelen gevangen hebben door hun dienst aan het evangelie. Zo kunnen ook wij gemeenschap hebben met Christus. Ook wij kunnen Hem ontmoeten aan de ochtend van iedere nieuwe dag. Samen met Hem eten kunnen we niet meer, of - liever gezegd - nog niet. Maar wat dat eten wil uitdrukken: samenzijn - dat kan wel. Trouwens, er is nog die andere Maaltijd. De Maaltijd des Heren, waar Hij met ons gemeenschap wil hebben. Jezus is daar de Gastheer.
Misschien zijn we wel wat bedremmeld als we aangaan, net als de discipelen. De discipelen, die allen, Petrus voorop, ontrouw waren geweest aan hun Meester. Voordat Jezus daarover begint en met name Petrus aanspreekt is daar al zonder woorden het teken van verzoening: de maaltijd. Hij richt ook voor ons de maaltijd aan. Teken van verzoening.
Voor mensen die verzoening nodig hebben en die zoeken door Hem tegemoet te gaan. Schuldig maar zonder vrees.