Schilder en de politiek

1990-04-27
  • Jaargang 34
  • nummer 9
Was prof.dr. K. Schilder een politicus?
Neen, een staatsman was hij niet en hij was nog minder een politicus in de zin van een sluwe vos, die met veel overleg te werk ging. En ook de practische politiek was geen sterk punt van hem.
Maar Schilder was wel een Evangeliebelijder, die vanuit Gods Woord de principiële achtergronden van de politiek onderkende. Vanuit zijn anti-revolutionaire visie achtte hij het ook zijn roeping te waarschuwen voor valse ideologieën.
Mij is gevraagd vooral aandacht te schenken aan de na-oorlogse periode, de tijd, die ik als vrijgemaakt antirevolutionair zelf heb meegemaakt.

Toch is het nodig ook enkele opmerkingen te maken over de vooroorlogse jaren. Het is nl. niet zo, dat de Schilder van na de oorlog,
wat de politiek betreft, een ander was dan de Schilder van tijdens en voor de oorlog.
Zo wees hij al in de 20er jaren op het eigensoortig verband tussen kerk en politiek. "Een trouw lid van de kerk heeft toch ook in de dingen der politiek zijn standpunt te bepalen, zijn beginsel te verdedigen, aldus Schilder.
Hij waarschuwt er ook voor, dat de kerk in het slop dreigt te raken, omdat men voorde zog. terreinenleer de plaats van de kerk miskent. De kerk dreigt 'Heilsanstalt' te worden waar de techniek van het christelijk sterven gedoceerd wordt. Na de oorlog wordt dit onderwerp actueler, als het beginsel van de souverein iteit in eigen kring misbruikt wordt om kerk en politiek gescheiden te houden.
Schilder bestreed ook bepaalde visies van Karl Barth, mede omdat daardoor de christelijke politiek ondermijnd werd. Nadrukkelijk ook keerde hij zich tegen het optimisme ten aanzien van de werking der gemene gratie op publiek terrein.
In en na de oorlog ging hij in hetzelfde spoor verder.

Zijn geharnast verzet tegen het nationaal socialisme berustte ook mee op de beschouwing, dat geloof, kerk en politiek niet van elkaar gescheiden mogen worden. De kerk moest zich hierover ook uitspreken, omdat de kerk het Woord van God moet spreken in en tegenover alle gevaren, die ons bedreigen.

AI direct na de bevrijding vroeg Schilder aandacht voor het feit, dat kerkelijke deformatie ook voor de politiek gevolgen had. Helaas moest hij ook op politiek terrein tot zijn verdriet 'slappedanigheid' constateren.
Hij waarschuwt er ook voor, dat de ramp voor de natie begint met kerkverraad, met kerkmiskenning. In hetzelfde artikel gebruikte hij ook de later veel misbruikte uitdrukking "Wilt gij geen landverrader zijn, wees dan geen kerkverrader' '.
Wanneer je dit na zoveel jaren leest, vraag je jezelf af of het wel juist was, dat Schilder zo fel reageerde.
Na wat Schilder in de oorlogsjaren overkomen was, is het te begrijpen, dat hij door verbittering verstrakt was. Wat hij kerkelijk meemaakte moet juist Schilder met zijn oecumenische gezindheid diep getroffen hebben. Mijn indruk is ook, dat hij door zijn opstelling hoopte anderen van hun ongelijk te overtuigen.
Daarom brandde hij soms het felst los tegen hen, die het dichtst bij hem stonden. Ik denk met name aan de felle discussie met prof. Zuidema naar aanleiding van diens bespreking van het boek van A. Zijlstra 'Tenzij'. En de vurige Zuidema en de felle Schilder stonden toch dicht bij elkaar.
Naar mijn stellige overtuiging was deze reactie van Schilder niet juist.
In 1946 werd de verhouding van Schilder tot de ARP nog moeilijker.
In geding is niet, zo stelde hij, het interkerkelijk karakter van de ARP, maar de principiële trouwen zedelijkheid.
Antirevolutionair zal ik blijven tot de jongste snik, maar laat de ARP zelf antirevolutionair blijven.
Dan kunnen wij ook bij de partij blijven.
Schilder wijst er daarbij op, dat de deformatie niet in de kerk, maar in het hart van de mens begint. Vandaar werkt ze echter naar alle levenskringen door.
In die tijd keert hij zich ook tegen de 'doorbraak' van de zendingsmensen.
Dit naar aanleiding van het geschrift 'Eis van recht' van ds. H. v.d. Brink, aanbevolen door een aantal mensen uit de kring van de zending.

In 1947 kwam nadrukkelijker de vraag naar voren, of men als vrijgemaakt gereformeerden zelfstandig in de politiek zou optreden.
In tegenstelling met verschillende vrijgemaakten was Schilder lid van de ARP gebleven.
Met de Calvinistische wijSbegeerte had hij al enkele jaren daarvoor gebroken. Daarbij gaat het, aldus Schilder, om de achtergrond van heel ons denken, maar bij de politiek gaat het om bepaalde geconcretiseerde beginselen.
Toch had zich juist in die tijd in Berkel een voor Schilder bijzonder grievende zaak voorgedaan. Zijn goede naam was aangetast doordat men geschreven had over de NSB 1945, de Nieuwe Schilderbeweging, die in de leer schijnt geweest te zijn bij een beweging met gelijkluidende beginletters.
Toch vond Schilder ook dit geen reden om voor de ARP te bedanken.
Anderzijds wilde hij ook geen afkeuring uitspreken over hen, die daar anders over dachten.
Op 21 juni 1947 wordt in De Reformatie een bezwaarschrift gepubliceerd tegen het zog. millioenplan van de ARP. Ook Schilders naam stond eronder. Dat geschrift had niet de opzet met de ARP te breken, maar door het gebeurde in de kerk was het christelijk leven in een crisis geraakt. Ook in de ARP waren duidelijk symptomen van principiële achteruitgang, ja van afval.
In die tijd kwam ook een discussie op gang over de vraag, of het ethisch conflict geen belemmering vormde voor samenwerking in de politiek. Helaas heeft die term nogal verwarring gewekt, omdat men daar niet altijd hetzelfde onder verstond.
Bij de discussies in de vrijgemaakt gereformeerde kringen over de ARP bleek, dat er overigens ook nog al verschil van mening was. Daarom kwam in april 1948 het 'Amersfoorts congres' bijeen met als doel het bestuderen van de huidige politieke situatie bij het licht van Gods Woord, dus in gebondenheid aan de belijdenis van de Geref. kerken.
Op dat congres had niet Schilder, maar A. Zijlstra, die een radicale breuk met de ARP wilde, de leiding.
Wel hield Schilder een toespraak.
Daarin zei hij o.m., dat men de gehoorzaamheid in de kerk niet abstraheren mag van de gehoorzaamheid in de politiek. Men kan geen herder zijn op het terrein van de kerk en meteen verwoester zijn van de staat of omgekeerd. Ik ken die terreinenscheiding niet, zei Schilder. Daarmee is de zaak voor veel practische dingen niet beslist. Het hangt af van de omstandigheden, waarvoor samenwerking gevraagd wordt, voor welk doel en onder welk beding. Het congres deed tenslotte een uitspraak, waarin een aantal bezwaren tegen het beginselprogram en over het ethisch conflict waren opgenomen.
Naar aanleiding van dit congres deed Schilder in De Reformatie de volgende uitspraak: "Want wij weten het natuurlijk ook wel, dat geen enkele politieke partij ooit uit één kerkinstituut zal gerecruteerd zijn, alsmede dat geen enkel kerkinstituut aan één politieke partij steun zal verlenen." Hierin is het GPV Schilder bepaald niet gevolgd.
Een samenspreking van 'Amersfoort' met de ARP-leiding mislukte, omdat er door de ARP geen uitspraak over het ethisch conflict gedaan werd. In die tijd deed Schilder ook nog al wat aanvallen op vooraanstaande AR-mensen. Voor mij was dat aanleiding om aan Schilder te vragen, of ik mij niet beter als medewerker van De Reformatie kon terugtrekken. Schilder vond daar geen enkele reden voor aanwezig.
Juist in deze situatie moest ik blijven.
Daarom ben ik ook tot zijn dood toe medewerker gebleven, hoewel ik toen ook al actief was in de ARP.
In die tijd werd ook duidelijk, dat Schilder probeerde de vrijgemaakt gereformeerden, die verschillend over de politiek dachten, af te remmen.
Hij zag doordrijverij naar welke kant ook als een gevaar voor de kerk.
Heb toch in vredesnaam geduld, zo vroeg hij. Het goed vrijgemaakt zijn is niet afhankelijk van de politieke keus.
Schilder had ook vroeger wel in die zin gesproken, maar hij zei het nu veel duidelijker.
Dat was ook verstandig gezien de meer gespannen verhoudingen in de vrijgemaakte gereformeerde kerken.
Hoe zeer hij juist in het laatst van zijn leven allen trachtte bijeen te houden, komt het duidelijkst uit in zijn laatste schooldag rede 'Zei us en Zeloten'. Hij waarschuwde daarin voor ijveraars zonder verstand. God wil geen kerkje met een verzameling van mensen, die elkaar liggen.
Deze rede maakte een diepe indruk.
Er waren er, die zeiden, dat Schilder nu ook de weg kwijt was. Voor anderen, met name voor hen die antirevolutionair waren, betekende zijn rede dat we ons weer helemaal goed vrijgemaakten voelden.

Dit waren slechts enkele facetten.
Daar is uiteraard nog veel meer te zeggen over Schilder en de politiek.
Ik hoop echter hiermee in elk geval duidelijk te hebben gemaakt, dat Schilder ook in het politieke leven een Evangeliebelijder was, die vanuit Gods Woord de principiële lijnen aangaf, daarbij geen tegenstellingen verbloemend, maar tegelijk zich inzettend voor de eenheid van alle Christusbel ijders.

(referaat gehouden op het Schildersymposium te Amsterdam, 6 april 1990)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief