Priesters en oudsten (3)
1992-07-17
Pa~us'a~eDten Als Paulus zijn bekende, uit en ten treure geanalyseerde uitspraken doet, dat de man het 'hoofd' van de vrouw is, dat zij 'onderdanig' moet zijn, moet 'zwijgen', 'zich moet laten leren', 'ondergeschikt moet blijven', geen 'gezag mag uitoefenen' - zie de uitvoerige analyses in het 'studierapport' - valt op dat hij in veel gevallen geen argumenten daarvoor aanvoert. Hij stelt dat het zo moet zijn, handhaaft de bestaande orde. Maar enkele malen doet hij meer. Tweemaal wordt het feit dat de man het hoofd is van de/zijn vrouw parallel gezet met het feit dat Christus het hoofd is van de man/de gemeente, waarbij eenmaal aan de reeks wordt toegevoegd: zoals God het hoofd is van Christus (Ef. 5:23; 1 Kor. 11:3). Maar het blijft bij een vergelijking, 'zoals', en Paulus zegt niet met zoveel woorden: "omdat Christus ..., daarom moet, op analoge wijze, de man het hoofd zijn van de/zijn vrouw". Voor zo'n redenering zou ook geen bijbelse grondslag te vinden zijn.- Jaargang 36
- nummer 15
Men kan alleen vermoeden dat deze parallellie voor Paulus een soort normatieve orde weergeeft: het één geldt evengoed als het ander. En daarmee wil hij, gezien de spits van zijn betoog, de vrouwen op haar ondergeschikte positie wijzen. Maar een bewijskrachtig argument is deze analogie niet, en de analogie is uiteraard beperkt; God: Christus = Christus:gemeente/man = man:vrouw geldt slechts vanuit een heel bepaalde optiek. Man en vrouw zijn beide schepselen, en Christus is als hoofd van zijn gemeente (die evenzeer vrouwen omvat) ook direct het hoofd van de vrouw, niet pas via de man (nog afgezien van wat 'hoofd' precies betekent, waarvoor ik verwijs naar het 'studie rapport').
Er zijn echter drie passages waarin Paulus wel degelijk bijbelse argumenten aanvoert om zijn lezers te overtuigen: 1 Kor. 11:7v.; 14:34; en 1 Tim. 2:13v., waarbij ook verwezen wordt of lijkt te worden naar Genesis. We mogen die argumenten, omdat hij ze uit de Bijbel put, wegen en net als de Joden in Berea (Hand. 17:11) "de Schriften bestuderen of het inderdaad zo is" als Paulus zegt. In'1 Kor. 14:34 ontzegt Paulus de vrouw het recht publiek(?) onderwijs te geven en (zo?) gezag uit te oefenen, "zoals ook de wet het zegt", waaraan hij in vs. 37 toevoegt, dat wat hij schrijft "een gebod van de Heer is."
Omdat we in geen van de vier Evangeliën zo'n gebod van Christus aantreffen, en we ook niet mogen aannemen dat Paulus dit zegt op grond van een speciale openbaring, zullen we in het O.T. moeten zoeken, in de wet. Paulus vindt daarin, uitgaande van het éne Woord in beide Testamenten, "een gebod van de Heer". Men kan (vgl.
'studierapport' p. 83) veronderstellen dat dit niet op een concreet gebod, één tekst slaat, maar op de algemene teneur van de aan Israël gegeven wet, waaruit blijkt dat de man gezag heeft over zijn vrouw. Dat zou de facto betekenen krachtens de bijbelspatriarchale gezagsverhoudingen, die Israël met de wereld deelt, dus krachtens een tijd- en cultuurgebonden gezagsorde. Dat lijkt niet erg overtuigend en bovendien hebben we boven geconstateerd dat, zo men hier de term 'gebod' al wil gebruiken, het niet gaat om een 'uitgedrukt gebod' maar om overgenomen sociale norm. Het lijkt waarschijnlijker dat Paulus gedacht heeft aan Gen. 3:16, waar Eva als straf te horen krijgt dat haar man "over haar zal heersen". De tekst gebruikt een werkwoord dat het uitoefenen van macht, beslissingsbevoegdheid, controle aanduidt, gebruikt van God als koning, van vreemde overheersers (Richt. 15:11) en het onder controle houden van jezelf (Gen. 4:7; Spr. 16:32). De betekenis is dus wel duidelijk, maar het is zeer de vraag (zie 'studierapport' p. 41v.) of ook hier wel van een gebod van God te spreken is. God kondigt aan wat de gevolgen van de zonde zullen zijn, de "ontwrichting van de verhouding tussen man en vrouw", de verstoring van de gelijkwaardige partnerschap van Gen. 2:18, die in Gen. 3:12 begon. Maar zo'n strafwoord - het is al vaak gezegd kan toch niet de structuur leveren voor de gezagsverhoudingen binnen de gemeente, die ontstaan is door Gods genade en verlossing, een nieuwe schepping?
Anders argumenteert Paulus in 1 Tim. 2:13v., waar hij voor het 'ondergeschikt zijn' verwijst naar Gen. 2:18-
Adam werd eerst geschapen, daarna pas Eva - en Gen. 3 - niet Adam liet zich door Satan verleiden, maar Eva.
Bij de bespreking hiervan kunnen we ook het in 1 Kor. 11:7v gebruikte argument betrekken, waar de stelling dat de vrouw in de eredienst het hoofd bedekt moet houden, gebaseerd wordt op de visie dat de men Gods evenbeeld is, de uitstraling van diens heerlijkheid, terwijl de vrouw (slechts) "de glorie van haar man is". Immers - dat is toch wel de functie van Paulus' woorden in vs. 8v. - de man is niet genomen uit de vrouw, maar andersom; de vrouw is geschapen om de man.
Deze argumenten baseren zich op feiten in het scheppingsverhaal vermeid - Adam eerst geschapen, Eva (eerst) verleid, de vrouw genomen uit de man - die door Paulus geïnterpreteerd worden als aanwijzingen voor het bestaan van een specifieke gezagsverhouding. Maar we constateren dat Genesis zelf (als we Gen. 3:16, dat zeker geen gebod is, buiten beschouwing laten) die conclusie niet trekt. Paulus gebruikt vooral Genesis 2 en 3, en slechts als hij stelt dat de man Gods evenbeeld is, de afstraling van diens heerlijkheid, lijkt hij terug te grijpen naar Genesis 1. Maar dit 'bewijs' is moeilijk te vatten, want Gen.
1:27 zegt duidelijk: "En God schiep de mens (adam, als 'soortnaam', niet de man Adam) naar zijn beeld; naar zijn beeld schiep hij hem; man en vrouw schiep hij hen". Dus de mens is Gods beeld, man zowel als vrouw. Het lijkt een 'rabbijnse' exegese uit het enkelvoud 'hem' af te leiden dat alleen de man Gods beeld was, terwijl de samenhang anders uitwijst. Het rabbijnse element kan men wellicht ook terugvinden in het spreken over 'de heerlijkheid' die de man ontving. Dat was de kabod of doxa van de mens (man), die door de zondeval verloren zou zijn gegaan, maar die de mens volgens 2 Kor. 3:18 ("wij allen"!) door de wedergeboorte terugkrijgen.
Is de vrouw dan 'gedegradeerd' omdat zij door Satan is verleid? Misschien richt hij zich tot haar, omdat zij het gebod niet zelf rechtstreeks van God gehoord heeft. Maar uit Genesis blijkt nergens dat Eva als zodanig toeqankelijk voor verzoeking was. Uit Gods reactie blijkt nergens dat Eva een grotere schuld heeft, al probeert haar man haar de schuld in de schoenen te schuiven (Gen. 3:12v.). Het verhaal in Genesis biedt, als we Gen. 3:16 niet als goddelijk gebod kunnen zien, geen argumenten voor de onderschikking van de vrouw. Zelfs als zou de onderschikking een gevolg zijn van de zondeval, dan nog is het gebeuren zelf daarvoor geen argument: man en vrouw zijn even schuldig, worden beide gestraft. Het zou gevaarlijk zijn uit Gen. 3 af te leiden - zoals in de kerkgeschiedenis wel gebeurd is - dat vrouwen meer dan mannen toegankelijk zijn voor verleiding en bekoring.
Wel is het waar dat de sterke beperkingen die Israëls godsdienst haar vanwege haar geslacht oplegde (zie boven onder 'priesters') haar meer toegankelijk maakte voor wat Van der Toorn 'verboden emoties' noemde (hfdst. 8, 'Vrouwen en de Volksreligie').
Maar dat is een historisch verschijnsel, geen scheppingsgegeven. Tenslotte ontleent Paulus een argument aan de scheppingsvolgorde: eerst de man, dan de vrouw, "als precies bij hem passende helper". Het is inmiddels duidelijk genoeg dat deze laatste woorden geen enkele onderschikking uitdrukken. Zegt dan de volgorde iets over een gezagsverhouding?
Dat is onwaarschijnlijk, gezien Gen. 1:27: man en vrouw schiep Hij hen, beide naar zijn beeld. Maar die volgorde maakt wél verschil in een patriarchale kultuur, waar 'oudste', eerstgeborene zijn van grote betekenis was. De oudste zoon volgt zijn vader als familiehoofd op, neemt onder zijn broers een speciale plaats in (Gen. 43:33; 49:3), erft de voorvaderlijke zegen en krijgt een dubbel deel van de erfenis (Deut. 21:17). Hij volgt zijn vader op in diens beroep (volgens de Babyloniërs een door de goden ingestelde orde), blijft wonen in het familiehuis, de boerderij. Hij zorgt voor de zich daar bevindende familiegraven en erft de familiegoden. Hij heeft erfrechtelijk een speciale positie, omdat hij status en rechten van de vader als pater fami/ias overneemt. En omdat het waarnemen daarvan toen een exclusieve mannenzaak was, hebben dochters geen erfrecht. In die patriarchale cultuur is 'de eerste zijn' beslissend voor status en gezagsverhoudingen. In zo'n cultuur zal Paulus' argument ook overtuigingskracht bezitten. Maar als die patriarchale cultuur verdwenen is, het eerst(geboren) e zijn geen formele rol meer speelt (behalve in het koningshuis, waar archaïsche normen op meer terreinen zijn blijven gelden), verliest Paulus' argument aan kracht. Temeer waar het een conclusie uit het scheppingsverhaal is, en het verhaal van Genesis zèlf die conclusie niet trekt, de vrouw niet expliciet aan het gezag van de man onderwerpt. Het argument heeft voor ons even weinig overtuigingskracht als het eveneens aan de 'natuur' (maar in feite gaat het om de cultuur van die tijd!) ontleende argument over de haardracht (1 Kor. 11:14), dat daarom in onze kerken natuurlijk ook geen geldigheid bezit.
Trouwens, is het überhaupt wel terecht om uit de volgorde en manier van de schepping van man en vrouw conclusies te trekken inzake status en gezag? Dat Eva na Adam geschapen werd had een heel speciale reden.
God heeft bij de schepping der dieren van meet af paartjes - manlijk en vrouwelijk - tegelijk in het leven geroepen: paarvorming terwille van de voortplanting als een 'natuurlijk' principe, geheel buiten de dieren zelf om. Maar bij de mens zou het anders zijn, omdat het om meer ging dan voortplanting en sexualiteit. Liefde en partnerschap, samen delen in Gods liefde en opdracht stonden voorop, en Eva werd daarom op een speciale manier apart geschapen, om een einde te maken aan het alleen zijn van Adam: zo wilde God het en zo ervoer Adam het ook zelf (Gen.2:18-20). God maakt Eva pas als ze gemist wordt en hij brengt haar zelf naar Adam, die haar begroet als zijn gelijke en zijn echte partner. Die speciale gang van zaken breng vanzelf mee dat Eva ná Adam geschapen wordt. Maar dan lijkt het toch in strijd met de tendens van het scheppingsverhaal uit dit "na Adam" en uit het "genomen uit Adam" te willen afleiding dat Eva daarom aan hem ondergeschikt is? Het gaat toch juist om het tegendeel: gelijkwaardigheid, partnerschap en liefdesrelatie als scheppingsgevens, omdat het zo "goed" was.
Maken we de balans op dan moeten we tot de voor gelovige kerkleden vermoedelijk toch wel schokkende conclusie komen dat de argumenten die Paulus aanvoert om de onderdanigheid van de vrouw aan de/haar man te adstrueren op grond van de Bijbelgedeetten zelf waaraan hij die bewijzen ontleent niet overtuigen. Ze hebben overtuigingskracht binnen het patriarchale cultuurpatroon, waarbinnen hij leefde en dacht en exegetiseerde en dat was ook meestal het patroon van de oude christelijke kerk Als dat patroon ingrijpend verandert ontstaat een nieuwe situatie en dan lezen we op bepaalde punten de Bijbel ook anders, omdat Bljbellectuur, exegese en toepassing door mensen gedateerd zijn. Want wij zijn altijd mensen van onze tijd en cultuur. Dat hoeft niet bang te maken, want ik hoop dat het bovenstaande heeft duidelijk gemaakt dat diezelfde Bijbel het ons mogelijk maakt ook in heel andere culturele omstandigheden te ontdekken wat Gods wil is.
Iedere bijbellezer weet dat veel wetten en voorschriften uit de boeken van Mozes niet meer gelden, niet alleen maar omdat het 'ceremoniële wetten' waren. Sommigen zijn verdwenen omdat ze gedateerd waren, omdat de Wetgever zich wegens de menselijke zwakheden moest aanpassen bij de sociale omstandigheden van die tijd ("Hebreeuwse slaven"). Andere zijn weg, omdat ze door revolutie en secularisatie onder de voet gelopen zijn. Tussen beide categorieën moet je goed onderscheiden. Op veel punten grepen Gods wetten in humaniteit, in ethisch en religieus gehalte uit boven wat in die tijd gemeengoed was, maar op veel punten sloten ze zich ook aan bij de patriarchale cultuur van hun tijd. Die cultuur is door handhaving of overname van elementen daarvan in de bijbel niet gecanoniseerd, niet voor alle eeuwen normatief geworden. Als we dat geloven, sluiten we de bijbel op in de cultuur van zijn ontstaanstijd en zouden we in veel opzichten nu met Gods gebod geen kant meer uitkunnen.
Als echte hoorders van het Woord moeten we met onderscheiding des Geestes lezen, "onderzoekend of deze dingen zo zijn". Dat betekent niet dat wij zelf zullen uitmaken wat in Gods Woord vandaag nog gezag heeft en wat niet, want het is de Bijbel zelf die ons daarbij de weg wijst. Bovendien, de kern van ons geloof wordt door deze zaken niet geraakt. Het gaat om cultuurgebonden vormen en voorschriften, die met de sociale structuren van de ontstaanstijd van de Bijbel verweven zijn, om religieus gezien randverschijnselen. De weg gewezen door de Bijbel en zo met een open oog voor wat cultuurhistorisch bepaald en dus aan verandering onderhevig is, kan de gemeente naast oude ook nieuwe schatten uit het Woord tevoorschijn halen. Door cultureel bepaalde barrières uit de weg te ruimen kan de gemeente zich beter toerusten voor haar taak vandaag en de volle ontplooiing van door God gegeven talenten mogelijk maken. Dat is ook een kwestie van hells- en openbarlnçsqeschiedenis.
In de patriarchale wereld, waarin Israël en de Bijbel ontstonden, had de vrouw in het algemeen, al kende ze zeker vaak geborgenheid en bescherming, een slechte positie. Dat blijkt niet alleen uit de reinheidswetten, het huwelijks- en erfrecht, maar ook uit de praktijk. Achteruitstelltnq, onderdrukking, sexuele vernedering of uitbuiting (denk aan de al of niet sacrale prostitutie, het veelvuldige concubinaat, de polygamie) waren veel voorkomend en bij zich misgaan werd ze vaak strenger gestraft dan de man, vooral op sexueel gebied. Bij schulden van haar man werd zij eerst als schuldslaaf verkocht, soms van haar kinderen gescheiden en gedoemd tot harde arbeid. Het is in dat licht gezien mooi dat het Oude Testament daar via de wetten verbetering in brengt, maar het is in allerlel opzicht het begin van een lange weg. Het is bemoedigend dat de bijbel in Gen. 3:16 stelt dat de overheersing door de man geen scheppingsordinantie is, maar een gevolg van zonde en verwording, geen natuurlijke zaak maar deformatie. Dat de Bijbel de vrouw anders bekijkt blijkt met name uit de eerste twee hoofdstukken van Genesis. Het valt op dat de oud-Oosterse, vooral Babylonische scheppingsverhalen, die de schrijver van Genesis kende en waarop hij ook reageerde, geen aparte schepping van de vrouw kennen. De Bijbel wel en dat betekent rehabilitatie. Is het eigenlijk niet fantastisch dat Genesis 1, in deze patriarchale cultuur, waarin de vrouw een mindere status heeft, duidelijk stelt dat beide, man en vrouw door God geschapen zijn, belde naar zijn beeld en dat ze samen een ideale partnerschap vormen? Dat klinkt als evangelie. Het is daarom toch wat onbegrijpelijk dat de kerk in haar behandeling van de vrouw zolang de in Gen. 3:16 vastgestelde verwording als norm lijkt te hebben gehanteerd, en zich meer heeft laten leiden door de bij zonde en straf behorende ge- en verboden, dan door de wet van Christus die door genade vrijmaakt. Christenvrouwen die dat doorhebben en daaronder lijden moeten we heel serieus nemen. Laten we niet aarzelen uit dit inzicht praktische consequenties te trekken. Niet alles wat in de Bijbel "tot de ouden gezegd is", zelfs met goddelijk gezag, blijft altijd gelden; de geboden zijn vaak in hun strekking en diepgang en geldigheid beperkt en gedateerd (vgl. Matth. 5:21,27,38). Hun plaats wordt ingenomen door nieuwe vormen en normen. Niet naar menselijke willekeur, maar "geheel anders", omdat wij Christus hebben leren kennen en de Bijbel zelf ons de weg wijst en ons afleert alles angstvallig maar bij het oude te laten.