Wat is scholastiek?
1992-07-17
In ons kerkelijk en vooral ook theologisch spraakgebruik valt nogal eens de term "scholastiek".- Jaargang 36
- nummer 15
Door de bank genomen komt dat woord over als een verwijt van abstract en splinterig theoretisch redeneren, met allerlei spitsvondige onderscheidingen en indelingen, en nogal ver van de praktijk verwijderd.
Erg "schools" dus. In ons niet-wetenschappelijk spraakgebruik kunnen we en mogen we een dergelijk gebruik van het woord scholastiek, wel eens zo vlotweg hanteren, al blijft het wat aan de oppervlakte.
1. Scholastiek als wetenschappelijk verschijnsel
Historisch en wetenschappelijk gezien doen we daarmee echter niet geheel recht aan het grote, en zeg ook maar gerust "grootse" historische verschijnsel van de middeleeuwse scholastiek in kerk en theologie. Maar dat mag. Dat bedoelen we immers ook niet altijd te doen als we in een discussie wel eens gebruik maken van het woord scholastiek. Wanneer we echter in een theologische discussie op een wetenschappelijk verantwoorde wijze deze term willen gebruiken, en dan meestal in een afkeurende zin vanwege wetenschappelijke bezwaren, dan is het noodzakelijk precies te weten wat we onder deze kritische aanduiding moeten verstaan. Want niemand zal ontkennen dat we toch ook in de wetenschappelijke theologie streng logisch moeten denken, vele soms subtiele onderscheidingen moeten maken en tevens methodisch te werk moeten gaan. Allemaal zaken die we in de scholastiek op hoog niveau kunnen aantreffen. Maar niet daarom is scholastiek verkeerd. Wat is er dan wel tegen "scholastiek" in te brengen?
2. Geen neutrale definitie
Nu wordt het direct al moeilijk. Scholastiek is nl. allereerst een verschijnsel uit de geschiedenis, uit de theologie in de middeleeuwen. De humanistische wetenschapstraditie in onze huidige Westerse cultuur gaat er van uit en probeert dat iedereen wijs te maken, dat historisch onderzoek naar zo'n verschijnsel religieus-neutraal kan zijn en ook béhoort te zijn. Men wil dan immers niets anders doen dan de harde feiten registreren, althans daarmee beginnen.
Dat klinkt aardig en goed, maar de reformatorische wijsbegeerte heeft ons leren inzien dat er geen religieus-neutrale wetenschap bestaat, ook geen neutrale geschiedeniswetenschap. Ten diepste gezien ook geen opzichzelf staande neutrale "feiten". Daar ga ik nu niet nader op in, maar wel stuit ik, bij het pogen een eerlijke en juiste idee te vormen over wat "scholastiek" is, al direct op het harde feit, dat dit verschijnsel in de diverse wetenschappelijke historische studies di~daarover bestaan, nogal verschillend wordt beschreven en gewaardeerd. Dat is ook het geval binnen de kring der r.kath. auteurs die zich geestelijk verwant weten aan de scholastiek en die dat ook willen weten.
Potestantse schrijvers leggen vaak andere accenten wanneer zij het verschijnsel van de scholastiek beschrijven.
In elk geval: goede kennisverwerving over dit verschijnsel is geen simpele zaak. Niet voor niets zijn er lange artikelen en dikke boeken over geschreven, vooral in roomskatholieke kringen.
3. Blijvende actualiteit
Voor de reformatorisch-wijsgerige visie is "scholastiek" een altijd nog zeer actuele kwestie, en bepaald geen afgedaan middeleeuws verschijnsel. In deze benadering is de scholastiek echter niet in de eerste plaats een wetenschappelijke methode, al is zij dat ook, maar is zij primair een geestelijk, een religieus verschijnsel, zoals ik in dit artikel nader uiteen zou willen zetten. In verband hiermee wijkt onze opvatting inzake de actualiteit van de scholastiek af van de meeste traditionele beschrijvingen.
In de gangbare opvattingen is scholastiek een typisch middeleeuws verschijnsel.
In onze opvatting is de middeleeuwse scholastiek slechts een zeer duidelijke, zelfbewuste en zich verantwoordende vorm en fase van scholastiek. Een vorm die terecht beschouwd wordt als exemplarisch, als kenmerkend voor scholastiek. Een vorm waarin de toenmalige wetenschap zich uitvoerig rekenschap begon te geven van haar eigen aard en methode. Men zegt echter veel te weinig als men meent dat de scholastiek in de middeleeuwen is begonnen en nu nog alleen typerend is voor het meer conservatieve deel van de rooms kath. denkers. Want scholastiek is, zoals we nog zullen zien, meer dan een wetenschappelijke methode. Straks, als we eerst iets gezegd hebben over de "methode" die de scholastiek 66k is, zullen we zien, dat we kunnen spreken van vroeg-christelijke scholastiek, van middeleeuwse, maar ook van namiddeleeuwse en moderne, hedendaagse (neo)scholastiek. Niet alleen in de theologie, maar ook in andere wetenschappen.
Niet alleen bij roomskatholieken, maar ook bij protestanten, zowel bij vrijzinnigen als bij orthodoxen, en bij alles wat daartussen zit. Want "scholastiek" is, behalve wetenschappelijke methode ook en vooral en primair een geestelijke instelling, een levens-en denkHOUDING. Niet slechts een theologisch d.w.z.theoretisch schema, maar een "religieus grondmotief", geen wetenschappelijk "paradigma", maar een geestelijk beginsel.
4. TSB en Seminarie
lets te weten over de methode van de scholastiek is m.i.uitermate boeiend voor ons als Nederlands Gereformeerden.
Onder ons is er nl., evenals in de middeleeuwse scholastiek, een nuanceverschil in de waardering van de theologie. Daarmee hangt ook samen een verschil van opvatting over de meest wenselijke vorm van opleiding tot predikant. Dat probleem heeft ook alles te maken met scholastiek, niet slechts in orthodox-gereformeerde kringen, maar ook aan de rijksuniversiteiten, en wel tot op vandaag. M.i. zou het nuttig kunnen zijn in het openbaar in onze kerken de vraag te bespreken of in de huidige situatie voor de opleiding van onze predikanten niet een opleiding op H.B.O.-niveau voldoende zou zijn. De wetenschappelijke studie in de theologie kan dan in de bestaande universiteiten blijven, en daarmee veelal ook buiten de sfeer van een kerkelijk toezicht. Hetgeen echterik geef het toe - een gedachte is die niet past in een scholastiek denkklimaat.
Het "Seminarie" onder ons is beslist niet tegen wetenschappelijke theologie, maar staat er misschien wat gereserveerder en (althans in beginsel) kritischer tegenover dan de hoofdstroming in onze kerken. Kenmerkend voor laatstgenoemde is de "Theologische Studiebegeleiding" (TSB), die er op toeziet dat onze a.s. predikanten een ge~egen theologische opleiding ontvangen aan een of andere universiteit, dus "op academisch niveau". De TSB vult zulk een opleiding nog een beetje aan.
5. Methode van de scholastiek
Een vergelijkbaar nuanceverschil, dat zelfs uitgegroeid is tot hevige twisten tussen Thomas van Aquino c.s. en de zgn.kloostertheologen, begon met het verzet van laatstgenoemden tegen de nieuwe methode die sommige middeleeuwse theologen, met name Thomas van Aquino, invoerden voor de bestudering van Gods Woord. Die methode kan ik, daar er erg veel aan vast zit, in ons blad slechts zeer kort en wat ongenuanceerd weergeven. Het ging daarbij om de methode dat in het onderwijs aan de a.s. geestelijken eerst een schriftgedeelte moest worden gelezen (de lectio), dit vervolgens moest worden uitgelegd, en daarna werden er "problemen" (quaestiones) geformuleerd. Niet alleen bij moeilijk te verklaren schriftteksten of bij teksten die op het eerste gezicht iets anders of zelfs het omgekeerde zeiden dan andere teksten, maar ook werden problemen geformuleerd als de gelezen en geëxegetiseerde tekst volkomen duidelijk was. Dan werd de eigenlijke inhoud of gedachte van de tekst in een stelling geformuleerd en beschouwd als een waarheid waarover je vragen kon stellen, o.a. over het verband met andere "waarheden". Vaak, en wel plm. vier eeuwen lang, nam men gemakshalve zijn uitgangspunt in een handboek met leerstellingen, vnl. het handboek van P.Lombardus (de "sententiën"). Dat ging dus boven de directe betekenis, het historisch verband en de volgorde van de gelezen schriftgedeelten uit. In een latere fase werden deze "problemen"
(quaestiones) geconfronteerd met tegengestelde opvattingen. Je kon bij wijze van experiment en tot verfijning en verdieping van de kennis ook het tegendeel van een gevonden waarheid poneren en dan tegenover elkaar staande verdedigingsbetogen organiseren ("sic et non"). Het ging dan om de vraag of een logische oplossing voor die problemen te bereiken was via een dialoog, of,zoals men het toen noemde, in het dispuut (quaestiones disputatae). Uiteindelijk was de bedoeling met het verstand, en met de methode van logisch onderscheiden en door-denken en verfijnen, de geloofsgeheimen beter te leren kennen. Dat alles onder het motto van Anselmus: "Fides Quaerens Intellectum" ("F.Q.I."!), d.w.z. het geloof ts vanzichzelf uit zoekende naar kennis, naar meer en diepere geloofskennis. Het resultaat is dan: theo-Iogie. Een internationaal bekende Franse theoloog uit onze tijd (magister M.D.Chenu O.P., ook aanwezig op het 2e Vaticaanse Concilie), drukte het zo uit in één van zijn vele studies over de middeleeuwse theologie: "Door de theologie voort te brengen bereikt het geloof logisch zijn hoogste volkomenheid."
Theologie wordt in deze gedachtengang beschouwd en ervaren als een betere kwaliteit geloofskennis. Daarbij werd niet altijd onderscheiden tussen geloof en geloofskennis. Vandaar ook de belangrijke en vaak overheersende positie van de godgeleerden in de r.kath.(alléén r.k.??) kerk: het "theologisch-clericale complex". Dit presenteert zichzelf dan uiteraard in het vrome jasje van "dienstbaarheid", met de onfeilbaar lerende paus als "servus servorum" (dienstknecht van de dienstknechten) aan de top, en bepaald niet aan het voeteneind.
6. Het verzet der monniken
De zojuist heel kort aangeduide theologische methode werd bewust en uitvoerig beredeneerd en verdedigd door Thomas van Aquino. Zij riep echter direct ernstige verdenking en kritiek op van de zijde der monniken, die eeuwenlang, eveneens bewust. een andere methode voor de ontwikkeling van de theologie hanteerden. Centraal in deze monastieke theologie stond niet de spitse logische redenering, maar "de lichtende en liefdevolle aanbidding"
(Chenu). De intellectuele arbeid der theologen moest strikt binnen het circuit van de schriftuitlegging blijven. Zij wilden bewust geen "leeraars" in een "school" worden ("schoIastieken"), laat staan "leraars der kerk" (de zgn.magisters) want, zo schrijft "magister" Chenu: zij waren "de overtuiging toegedaan dat de wijsheid van het evangelie zich niet leent voor wetenschappelijke constructie". De magisters (leraars, scholastieken, schoolmeesters) moesten niet denken dat de toekomstige zalige "aanschouwing", waarvan volgens de Schrift het geloof een voorstadium is, nu al garandeert dat de aardse procedures die het intellect onderneemt bij de beschouwing van de geloofsmysteries, juist zijn. Mede om deze reden keert Bernard van Clervaux zich al tegen Abaelard en tegen de nieuwe "scholen". Men leze de Chr.Encyclopedie I blz.41 (1956) over Abaelardus' betekenis: het kon geschreven zijn over veel hedendaagse theologen, die ook best bereid zijn allerlei christelijke geloofstradities (voorlopig) te accepteren, mits en inzoverre zij rationeel "plausibel" te maken zijn, en dan op grond dáárvan.
7. Vertrouwen op de rede
De scholasticus daarentegen, zo schrijft Chenu, heeft "een uiterste vertrouwen op de rationele procédé's van het intellect bij zijn doordringen in het mysterie". Wat zonder logische fouten goed is afgeleid uit de Schrift heeft hetzelfde waarheidsgehalte en gezag als de Schrift zelf. Daardoor werden theologische waarheden (en hun "wetenschappelijk verantwoord"
gezag) steeds meer vereenzelvigd met de Schrift zelf (en haar goddelijk gezag). Men zag het geloof als "een incarnatie van de goddelijke waarheid in het weefsel van onze geest", en het bereikt door zijn innerlijke drang naar "weten", in een theologische ontwikkeling zijn hoogste volkomenheid. De logica moet dan ook onmiddellijk het geloof op de voet volgen. (Vandaar dat wij destijds als eerstejaars theologiestudenten een jaar lang wekelijks een college moesten volgen in de logica als "hulpwetenschap" voor de theologie. Alsof je daardoor kon leren goed logisch te denken! Het was eigenlijk een lachertje, maar wel met een onbewuste en onchristelijke filosofische achtergrond).
8. Heilige Godsgeleerdheid
Ook in de "scholastieke theologie" moest echter het geloof de hoofdrol blijven spelen, het moest de uitgangsbasis blijven. Dáárom kon het geleerde resultaat van het geloofsintellect ook "heilige godgeleerdheid" heten: doctrina sacra. Men zal zich herinneren de titel van Kuypers grote boek: Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid. Daarmee werd o.a. bewust bedoeld de "samenvloeiing van vroomheid en geleerdheid". Iets wat bij de "wereldse" of "seculiere" wetenschappen (als wetenschap) meestal niet aan de orde wordt geacht. (Uitgezonderd bij Voetius). Het klassieke gereformeerde handboek voor de reformatorische dogmatiek "Synopsis purioris theologiae" noemt de theologie zelfs hoogheilig (summa sacra)!
Men zal in dit scholastieke klimaat niet gemakkelijk spreken over de heilige scheikunde of de heilige economie, zelfs niet over de heilige rechtsgeleerdheid. Die wetenschappen hebben immers niet als uitgangspunt de door God geopenbaarde heilige waarheden! Zij zijn immers slechts bezig "op het terrein der natuur", op "het terrein der gemene gratie", of ook ~el: op "het terrein der alge!T1eneopenbaring". En daar hanteren zij het instrument der "natuurlijke rede". Aldus 66k onze gereformeerde theologische tradities. Ziehier alvast een concreet voorbeeld van wat scholastisch denken is.
9. De geestelijke achtergrond van de scholastiek
Op de achtergrond van deze ontwikkelingen in de methodiek der theologie was een diepere geestelijke inspiratie werkzaam. Daarom zei ik al eerder dat de scholastiek veel méér is dan een methode van theologiseren. Toch is die diepere ondergrond (waarover hieronder en in mijn volgende artikel meer) meestaal niet expliciet aanwezig in de discussies over de scholastieke methode. Tussen deze methode en haar geestelijke bron of inspiratie zijn nl. nog een meestal impliciete theoretische (filosofische) én een geloofsmatige (levensbeschouwelijke) werkelijkheidsvisie werkzaam. Ook daarover hieronder meer in détail.
10. Het grote probleem van geloof en wetenschap
Deze nog nader te bespreken geestelijke basis van de scholastiek speelde al een rol vanaf vrijwel het begin van het christendom. Reeds in de tweede eeuw, bij de zgn.apologeten (= verdedigers), worstelden de christenen met de filosofie van hun tijd. De middeleeuwen echter zijn in filosofisch en theologisch opzicht beroemd en berucht geworden vanwege het grote, welhaast centrale probleem van de verhouding van geloven en weten.
Daarover zijn bibliotheken vol geschreven. Vooral ook door theologen, want die zaten dagelijks met het probleem van de onderlinge verhouding tussen geloof en kennis. Zij beseften terdege dat geloof iets anders was dan "pure" verstandelijke kennis, maar ook wisten ze dat er een verband tussen die twee is. Zelfs Thomas van Aquino corrigeerde nog door nadere nuanceringen zijn eigen opvatting dat het geloof eigenlijk een verstandskwestie was ("Fides est aliquid rationis"). De middeleeuwen hebben dit probleem niet tot een oplossing kunnen brengen die ons christelijk-wijsgerig denken kan bevredigen. Trouwens de theologen uit de Reformatietijd evenmin. Men kwam niet verder dan het genoemde verband te erkennen en men verschilde dan verder in het leggen van de accenten. De twee polen waartussen men heen en weer laveerde, waren "scholastiek" en "mystiek", theologische theorie en geloofsbevinding, geleerdheid en vroomheid, leer en leven, geloven en toeeigening.
Uiteraard ook met eindeloze verwijten over en weer inzake "eenzijdigheden". Zonder dat men helder kon zien dat deze "èenzijdigheden" geen twee halve waarheden waren, die elkaar slechts moesten aanvullen, maar twee dwalingen die elkaar niet verdragen, elkaar over en weer onbedoeld oproepen, maar ook bestrijden.
11.Dualistische grondhouding
De grote meerderheid vluchtte, zoals altijd, in de schijnoplossing van de "wisselwerking" en de vermijding van "eenzijdigheid". Een beroemd voorbeeld is Voetius' openingsrede van de theologische faculteit in 1634 van de (toen nog a.s.)'Utrechtse Universiteit. Die rede was getiteld: over de godsvrucht die met de wetenschap (niet alleen met de theologie!) verbonden moet worden (Oratio de pietate cum scientia conjungenda). Men besefte echter niet dat ook deze "praktische" en gemakkelijke "oplossing" slechts mogelijk was op de basis van een functionalistische werkelijkheids- en o mensbeschouwing. Daaraan ontbrak echter een filosofisch-juiste juiste visie op de aard en samenhang, op de eenheid en op de totaliteit van het geschapene. Tot zover de theoretische buitenkant van de genoemde problematiek.
Beide tendenzen (scholastiek en mystiek) hadden echter één gemeenschappelijke, niet als problematisch ervaren, dieper gelegen levens- en denkhouding. Het kenmerk daarvan was een dualiteit, een onderscheiding van twee werelden, of "twee terreinen".Dat was het levensbeschouwelijke dualisme van natuur en genade, waaruit tal van andere dualismen voortkwamen, zoals dat van wetenschap en geloof, van kennen en vertrouwen, van algemene en bijzondere openbaring, van lichaam en ziel, van kerk en wereld, van geloven en toe-eigenen, enz.enz. Daarover meer in het slot van dit artikel, in het volgende nummer.
M. de Jonge, Voorburg
Aanvulling op het artikel 'De voorzeide leer' in nummer 12: Onder het kopje is als eerste uitgever genoemd de firma Liebeek & Hooymeyer te Barendrecht.De grote stimulator in dit bedrijf v.w.b. de serie 'De voorzeide leer' is geweest onze - thans overleden - broeder J. Wesdijk.