Twintig jaar christelijke hulpverlening (4)
1990-05-25
Sedert 1987 ben ik als medewerkster bij de Stichting voor Jeugdzorg en Maatschappelijk Werk werkzaam. Na mijn studie psychologie te hebben afgerond aan de Rijksuniversiteit in Utrecht wilde ik graag gaan werken in de ambulante geestelijke gezondheidszorg. En na de geboorte van onze zoon vorig jaar september, combineer ik mijn werk als psycholoog met andere taken thuis. Een plezierige afwisseling!- Jaargang 34
- nummer 11
Al tijdens mijn universiteitsjaren sprak van de verschillende therapievormen de gedragstherapie mij het meest aan. Momenteel ben ik bezig met een vervolgopleiding tot gedragstherapeut. In de gedragstherapie gaat men er vanuit dat zowel normaal als abnormaal gedrag wordt aangeleerd. Gedrag dat iemand hindert in zijn leven - 'abnormaal' gedrag - wordt evenals normaal gedrag gezien als een complex van gewoonten, die iemand zich in de loop van zijn leven heeft eigen gemaakt. Deze gedachte heeft iets heel positiefs: gewoonten kun je aanleren en afleren. Dus ook 'lastige gewoonten' kun je afleren en vervangen door betere. Overigens moet men bij gedrag niet alleen aan uiterlijk waarneembaar gedrag denken. Ook de innerlijke beleving, gevoelens en gedachten komen in gedragstherapie aan de orde. Ik zal dit wat verduidelijken.
In onze ontwikkeling tot volwassene leren we naast lopen, fietsen en lezen nog vele andere dingen: hoe je je 'hoort' te gedragen, wat goed en slecht is, en hoe je naar jezelf en anderen moet kijken. Dit zijn waarden en normen waarmee we in dit leven komen te staan. Soms kunnen deze er ten onrechte toe leiden dat we ons verdrietig, depressief, of minderwaardig voelen. Bijvoorbeeld gedachten als "Ik doe het toch niet goed genoeg", "Ik moet doen, wat anderen van mij verwachten", "Anderen zijn beter dan ik", "Als ik een fout maak, moet ik mij schuldig voelen". Als we er vanuit gaan dat we deze gedachten en opvattingen door 'levenservaringen' geleerd hebben, dan betekent dat dat we ze ook kunnen veranderen. We kunnen negatieve opvattingen afleren en daar voor in de plaats positieve opvattingen (gedragingen) aanleren.
Zo simpel als het hier staat, zo moeilijk kan dat echter in de praktijk zijn.
Gedragstherapie kan daar evenwel bij behulpzaam zijn.
Tijdens mijn studie ben ik aktief geweest op een christelijke studentenvereniging, de C.S.F.R. Daar ben ik ook na gaan denken over de verhouding theologie en psychologie. Wat hebben die twee elkaar te vertellen? Een moeilijke vraag waar niet zo één twee drie een antwoord op gegeven kan worden. Nog moeilijker is het soms in de praktijk; waar ligt de grens tussen pastorale en therapeutische hulpverlening? Waar die grens ook ligt, één ding moet wel duidelijk zijn: de pastor en de therapeut moeten elkaar niet voor de voeten lopen of uit de weg gaan. Een goede samenwerking doet wonderen. Dat is ook het voordeel van een instelling als de stichting, waar tussen de hulpverlener en de ambtsdrager een goed kontakt bestaat.
Mijn voorkeur gaat er naar uit om bij een christelijke instelling te werken.
Het werken daar maakt het eenvoudiger om met een bredere blik naar kliënten te kijken. Als hulpverlener ontmoet je niet alleen een medemens met zijn problemen, maar een medebroeder/zuster, die in deze voor hem/haar soms moeilijke wereld zijn of haar weg moet zien te vinden als schepsel van God.
En daarbij begeleidend bezig te mogen zijn beschouw ik als een groot voorrecht.
| Ria van den Berg-Prins is als psychologe verbonden aan de Stichting voor Jeugdzorg en Maatschappelijk Werk. Dit artikel is het vierde in een serie van zes artikelen in het kader van het 20-jarig bestaan van de stichting. Aan de hand van het thema 'twintig jaar christelijke hulpverlening' worden zo de medewerkers alsmede het werk van de stichting aan u voorgesteld. |