Mens en engel in Gods nieuwe schepping (1)
1990-05-25
Ef. 3, 8-13- Jaargang 34
- nummer 11
8 Aan mij die in aanzien beneden
alle heiligen sta is bij wijze van
gunst de opdracht verleend aan
de heidenen de rijkdom van
Christus te boodschappen - (een
schat) die niemand op het spoor
zou zijn gekomen! -
9 en in het licht te stellen, hoe de
bestuursinrichting er uitziet in het
geheime plan dat sinds onheugelijke
tijden is achtergehouden bij
God die alles schiep,
10 opdat nu aan de machthebbers
en gezagsdragers in de hemelgebieden
door middel van de
gemeente Gods rijkgeschakeerde
wijsheid bekend zou worden
11 overeenkomstig het ontwerp van
eeuwen her, dat Hij gemaakt had
in Christus Jezus, onze Heer,
12 dank zij wien wij weer vrijuit met
God kunnen spreken en naar
Hem toegaan in vertrouwen doordat
we in Hem (Christus) geloven.
13 Daarom vraag ik u de moed niet
te laten zakken bij de verdrukkingen
die ik terwille van u te verduren
heb; ze zijn immers juist een
eer voor u!
Aandacht voor de engelen
Engelen vallen wat buiten onze gezichtskring, vrees ik. En dat niet enkel in de letterlijke zin: dat we ze nooit of zelden te zien krijgen; maar ook in dié zin, dat ze nauwelijks functioneren in ons geloofsbewustzijn.
Natuurlijk, wij zijn geen Sadduceeën, dat we het bestaan van engelen en geesten zouden loochenen.
Wij kennen vaak ook nog wel een paar verhalen van zendelingen of evangelisten die door hun vijanden met rust werden gelaten, omdat een engel hen bleek te begeleiden. En we zijn bereid zulke verhalen te geloven. Maar wat onze geloofservaring betreft, behoren engelen toch niet tot onze dagelijkse wereld.
Met de boze geesten staat het trouwens even anders. We staan met enige bevreemding te kijken naar een Luther die den duivel een inktpot naar het hoofd smeet; en verhalen die oude mensen vroeger nogal eens ten beste gaven over den duivel dien ze op het nachtkastje hadden zien zitten, hoorden wij schouderophalend aan. Daarentegen ervaren christenen hun neiging tot het kwaad doorgaans wel degelijk als verzoeking van den satan. De bede 'verlos ons van den Boze' is voor ons, denk ik, geen louter nazeggen van wat Jezus ons leerde, maar komt uit een hart dat den duivel uit bittere ervaringen van nabij kent.
Nu is het opvallend, hoeveel aandacht het NT schenkt aan de wereld der geesten, boze zowel als goede.
Nee, niet dat we een volledig beeld ervan krijgen. Niemand van ons is in staat met behulp van de bijbelse gegevens haarfijn uit te leggen, hoe die wereld in elkaar zit en wat zich daar afspeelt. En toch: niet enkel uit terloopse opmerkingen blijkt, hoezeer iemand als Paulus zich geregeld bewust is geweest niet alleen van het bestaan van geesten, maar ook van onze verhouding tot hen.
Denkt u maar aan 1 Cor. 6, waar hij een gemeentelid bestraft dat in een ruzie met een broeder recht zoekt bij ongelovigen. Paulus vraagt dan (v. 3): "Weet gij niet, dat wij over engelen oordelen zullen?" (Tussen haakjes: bent u zich dat nog bewust?) Ook afgezien van zulke zijdelingse zinspelingen stelt de apostel de geestenwereld in zijn verhouding tot ons, gelovigen, ook wel heel opzettelijk aan de orde, en geeft in forse lijnen het kader aar) voor ons geloofsbewustzijn op dit punt.
Dát nu gebeurt met name in de brief waaruit onze tekst is gekozen. Het gebeurt eveneens in de daarmee nauw verwante brief aan Colosse.
En later, in de tweede generatie christenen, zal de ons verder niet bekende schrijver van de brief aan de Hebreeën ditzelfde punt nog eens heel uitdrukkelijk en heel breedvoerig aan de orde stellen: hij begint zijn brief met de verhouding tussen mensenzoon en engelen te tekenen, en hij wijdt daar twee hoofdstukken aan. Ja, zoals verderop (in hfdst. 10) blijkt, blijft dit thema de brief beheersen.
Drie brieven dus maar liefst die uiteindelijk op dit stramien blijken te zijn geborduurd, elk van de drie weer met een eigen toespitsing.
Een eenhoofdig bestuur
Als we nu onze tekst lezen, rijst de vraag: waarom haalt Paulus hier, als hij het heeft over zijn taak als apostel, die geesten in de hemelgebieden erbij? Dat Paulus speciaal door den Heere ervoor bestemd was het evangelie aan heidenen te brengen, is ons bekend: hij spreekt daarover bij herhaling. En wat die blijde boodschap voor de heidenen inhield, is ook duidelijk: hij heeft het pas nog gezegd, nl. in v. 6, dat de heidenen medeërfgenamen zijn van de belofte in Christus Jezus. Maar wat hebben die bovenaardse machten daarmee te maken?
Om dat te begrijpen, zullen we even terug moeten naar hoofdstuk 1. Daar komen we ze nl. ook al tegen in de verzen 20-22, waar staat dat God Christus gezet heeft aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam die genoemd wordt, niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw.
En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld. En in datzelfde eerste hoofdstuk lezen we, evenals in onze tekst, bovendien van Gods voornemen t.a.v. de bestuursinrichting in de volheid des tijds (v. 10).
Helaas heeft het NBG daar, evenals in onze tekst, het desbetreffende Griekse woord niet goed begrepen.
Paulus gebruikt een woord dat wij in de vernederlandste vorm nog altijd kennen: 'economie'. Eigenlijk betekent dat 'het huisbeheer'; maar dan wordt het ook in ruimere zin gebezigd van de bestuursinrichting van een stad of van een land. En hiér is bedoeld: de inrichting van het wereldbestuur.
Paulus zegt: de Heere heeft mij geopenbaard, wat al van oudsher zijn plan was geweest t.a.v. het wereldbestuur.
God wilde nl., als Hij de tijd ervoor gekomen achtte, het bestuur van de wereld, van hemel en aarde samen, weer eenhoofdig maken.
De ot tijd had nl. een versnippering van bestuur te zien gegeven. Wat de volkerenwereld betreft, lezen we in Ot. 32, 8.9, dat God Israël voor zichzelf reserveert, maar elk van de andere volken aan een engel toewijst.
(Leest u het maar eens na in de Groot Nieuws Bijbel of in De voorzeide leer van ds. Vonk.) En het boek Daniël onthult ons in hoofdstuk 10, hoe de twist tussen volkeren achter de schermen wordt uitgevochten tussen de engelen van die volkeren.
En afgezien van die door God toegewezen engelen, aan wat voor geesten hadden de volkeren buiten Israël zich zélf bovendien nog verkocht!
Voor allerlei gewaande machten, met name ook hemellichamen, bogen zij zich. En Paulus zegt enerzijds wel, dat een afgod niets voorstelt, maar hij zegt er in één adem bij: wat de heidenen aan de afgoden offeren, offeren zij aan de boze geesten (1 Cor. 10, 19.20). Hoezeer het een loos verzinsel is, als ze denken in b.V. de zon met een god te maken te hebben, toch is het een reële, persoonlijke boze geest die hen in de macht heeft en hen ertoe brengt zulke schepselen te vereren in plaats van den Schepper.
Een veelheid van bovenaardse machten dus, waaraan de heidenen onderworpen waren, trawanten van den duivel.
Ook Israël onwrij
Wat een gespletenheid in het bestuur van de wereld. En wat een unieke positie had Israël in vergelijking met de andere volkeren. Ja, en toch: was feitelijk de scheidslijn wel zo scherp? Zeker: Israël was het bijzonder eigendom van den Heere en leefde onder Diens bewind. Zo wou Hij met geen volken handelen.
Maar toch constateert Paulus, dat de vrijheid van Gods kinderen onder het OT beperkingen kende; dat ook zij eigenlijk - zij het in andere zin dan de heidenen - onderworpen waren aan vreemde, bovenaardse machten. Dát horen we in de brief aan Colosse, en ook in de brief aan Galaten. Als er leraren optreden die het onderhouden van de ot spijswetten en van de ot feestkalender verplicht willen stellen, dan zegt Paulus: gaan jullie nu opnieuw die armzalige en machteloze hemellichamen dienen? (Col. 2, 8-23; Gal. 4, 1-11). Deze practijken gaan in de richting van het aanbidden van zon en maan. (De feestkalender werd nl. uiteindelijk goeddeels bepaald door de stand van deze hemellichamen, denk b.v. maar aan het nieuwemaansfeest.) Natuurlijk weet Paulus wel, dat er verschil is. Maar hij drukt zich zo kras uit om de mensen wakker te schudden, om hen te behoeden voor een terugvallen uit de vrijheid in Christus naar de gebondenheid van het OT.
Paulus heeft door den Geest scherp leren zien, hoe onvrij ook het leven van den Israëliet was geweest. Hij was zoon en erfgenaam, zegt hij in Galaten, maar verschilde in niets van een slaaf, zolang hij nog minderjarig was, omdat hij werd bevoogd door de wet (4, 1.2).
Of het dus goede - of in elk geval ten goede bedoelde - machten waren, waaraan hij als Israëliet zich moest onderwerpen, of boze, waaraan hij zich als heiden met zijn verduisterd verstand onderwierp, in beide gevallen was de mens slaaf van machten in de hemelse gewesten. En dat was de wereld op zijn kop. De mens, aan wien God heel zijn schepping had onderworpen, was dienstbaar geworden aan geestesmachten die eigenlijk hem hadden moeten dienen.
Knechten te paard en zonen te voet. De caricatuur van Ps. 8.
Herstel van de wereld van den beginne
Wel, aan die volkomen scheve toestand is God nu in Christus een einde komen maken. Niet weer aan engelen heeft God de wereld die komen gaat onderworpen, zegt de Hebreeërbrief-schrijver (2, 5). Nee, want Ps. 8 noemde toch den mens als degene aan w.iens voeten God alles - maar dan ook alles, zonder uitzondering, had onderworpen? En dat gaat nu echt gebeuren. De totale onderwerping, nee, die is er n6g niet. Maar het begin is er in Jezus Christus. Hij, de nieuwe mens, de mensenzoon uit Dan. 7, de tweede Adam, is wel tijdelijk ook zelf aan engelen onderworpen geweest, omdat Hij lijden en sterven moest, maar is nu verheven in Gods troon.
En Hem moeten nu alle engelen dienen.
Dat is het dus, wat alle drie brieven (Efeze, Colossenzen, Hebreeën) ons willen duidelijk maken: God is bezig de wereld van dein beginne te herstellen.
Hij redt niet maar mensenzielen door Jezus, maar Hij maakt in Hem een nieuwe schepping. En Hij begint met die schepping onder één hoofd te plaatsen, nl. onder den mens Jezus Christus. In de brief aan Efeze werkt Paulus dat uit in deze richting, dat hij aanwijst, hoe in dezen nieuwen Mens naast den jood ook de heiden is opgenomen. Dáár heeft de apostel bij het spreken van overheden en machten in de hemelse gewesten, die door Christus zijn overwonnen en aan zijn zegekar gebonden (4, 8) dan ook vooral de boze machten op het oog, die de heidenen verleid hadden tot hun zedeloos leven. Leest u maar het begin van hoofdstuk 2: "Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden, waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de stijf van deze wereld, u richtend naar den overste van de macht der lucht, van den geest die nu werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid ...". En straks, in hoofdstuk 6, komt Paulus daar nog eens op terug (v, 12) "wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees (d.w.z. tegen mensen), maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten".
In de brief aan Col osse daarentegen legt hij meer het accent op het onttronen door Christus van de machten die Israëls leven in het dwangbuis van spijswetten en feestvoorschriften hadden gekluisterd. (Zie met name 2, 15: "Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk te kijk gezet na zijn overwinning op hen door Chritstus", waarop onmiddellijk volgt: "Laat dus niemand u oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat...". Zij behoeven niet meer te rekenen met grootheden met wie Christus voorgoed heeft afgerekend.)
Christus - en wij in Hem - de nieuwe mens
Er komt een nieuwe schepping.
Maar Gods orde van scheppen is ditmaal anders dan in Gen. 1: het eerste schepsel is nu de nieuwe mens, terwijl in de eerste schepping de mens het laatst geschapen was.
En over dat eerste nieuwe schepsel gaat het in Efeze. Hoort u maar: Het is Gods geschenk, dat wij behouden zijn door het geloof, zegt Paulus, "want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken"
(2,10). Het was Christus' bedoeling, zo heet het al verder, "de twee (d.w.z. jood en heiden) in zichzelf tot één nieuwen mens te scheppen"
(2, 15). De apostel roept ons op (4, 24) "den nieuwen mens (als een gewaad) aan te trekken, die, in overeenstemming met God, geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid".
En die nieuwe mens zijn wij, jood en heiden samen. Ja, maar wij in Christus.
Ten diepste is Hij de nieuwe mens, het begin der schepping Gods. Zo noemt Hij zichzelf dan ook in de brief aan Laodicea (Op. 3, 14).
En alleen omdat wij met Hem één zijn, kunnen ook wij die naam dragen en kan Jacobus van ons zeggen: God heeft ons verwekt door het Woord der waarheid, om zoveel als een begin van zijn schepselen te zijn (1, 18).
Dezelfde benaming voor Hem en voor ons. Zo nauw horen Hij en wij samen. Paulus zegt: zoals bij een hoofd een Iichaam hoort, zo hoort de kerk bij Christus (Ef. 1,22). En een hoofd gaat niet alleen op stap: het lichaam gaat mee. Zo onlosmakelijk is het één aan het ander verbonden.
Vandaar dat Paulus zeggen kan in 1, 3, dat God ons met alle geestelijke zegen heeft gezegend in de hemelse gewesten. We zijn geneigd te vragen: Wij ook al in de hemelse gewesten?
Staat Paulus nog wel met beide benen op de grond? Maar hij weet, wat hij zegt: in 2, 6 lezen we het opnieuw: "God heeft ons met Christus opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten".
Paulus is goed bij zijn zinnen. Maar hij doorziet, hoe onze situatie is: onlosmakelijk verbonden aan Christus. Had Jezus, toen Hij op het punt stond uit deze wereld heen te gaan naar den Vader, niet zelf bedongen: "Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij die Gij Mij gegeven hebt bij Mij zijn om mijn heerlijkheid te aanschouwen"
(Joh. 17, 24)? Zijn hemelvaart, Zijn troonsbestijging, is de ónze. En van ons geldt wat van Hem geldt: verheven boven alle engelenmachten.
Alles, niet alleen op aarde, maar allereerst ook in de hemel, gebracht onder één hoofd: Christus, Alles onder Zijn voeten gelegd, en daarmee ook onder de onze (vgl. Rom. 16,20).
(wordt vervolgd)