Persschouw
1990-05-25
Iets over K.Schilder (m) - slot - Jaargang 34
- nummer 11
De vorige keer hebben wij het oekumenisch karakter van Schilders kerkelijk optreden benadrukt. Wij willen daarover ook in dit artikel nog het één en ander opmerken. K. Schilder begeerde na de vrijmaking een kerk, naar hij zèlf zei, zo breed als vóór 1944. Als man van de smalle geloofsweg koos hij niet voor een smalle kerkweg! 'Hij heeft ook nooit gezegd, dat hij met een bepaald persoon niet meer in één kerk wilde zitten. Hij kon heel goed met een man als H.N. Ridderbos deel uitmaken van één kerkgemeenschap.
Een menselijke selektiedrang is nl. in strijd met de norm, die geldt voor de vergadering van de kerk.
Het moet voor Prot.' Schilder heel wat geweest zijn te-worden beticht van kerkelijke scheurmaking terwijl' hij met heel zijn hart de kerk als totaliteit wilde vasthouden. Het streven naar het gestalte geven aan de ware oekumene zag K. Schilder direkt betrokken op de nadering en verwachting van de jongste dag. Hij geeft daarvan ook getuigenis in zijn reeds eerder geciteerde rede: "Uw oecumenische taak": "Laat ons hiermee besluiten. Wij hebben enkele jaren geleden veel gehoord van een 'beweging', de NSB. Ze gaf parolen uit, maar niet het Woord. Parolen, geen belijdenis. Bedenkt gij, dat het Rijk der hemelen komt met kracht, doch alleen-in de eenheid van belijdenis. Voegt u maar rustig als de katholieke meisjes van Nederland onder uw Oecumenischen Herder.
Hij komt, Hij komt, om d' aard te richten, de wereld in gerechtigheid.
Zijn Geest is al negentien eeuwen lang bezig de druiven in den wijngaard van de 'oecumene' rijp te stoven. Schoffelt als zijn werksters ('zwart doch liefelijk') de paden in dezen Zijnen wijngaard en vangt voor Hem de vossen, die den wijngaard bederven." (,a.w. p.14). De aangehaalde woorden uit Psalm 98 (uiteraard Oude Berijming) waarin de gemeente de belijdenis van de komst van de Here vertolkt treffen wij ook aan als thema, dat als uitgangspunt diende voor een oudejaarsartikel in 'De Reformatie' van 29 december 1933. Ook toen werd het verlangen naar de wederkomst van de Heer in de kerk op een laag pitje gezet. K.S. benadert het ontstellende hiaat in de verwachting van de parousie van de Christus op een pastorale manier en schrijft daarover in het genoemde Reformatieartikel o.a. het volgende: "Dat Christus wederkomt, dat moet ons evenzeer verlangen doen, als Christus' eerste komst de gelovigen verlangen liet naar wat zij brenqen zou. Wij zouden heel wat preekmoti,even kwijt raken, als we ons Abraham, en Jesaja, en de 'rest der verkiezing' moesten voorstellen, even bedrukt 'opkijkende' tegen Christus' eerste komst, als wij het doen tegen zijn tweede. Of, als zij die eerste komst alleen maar hadden gebruikt als troostmotief tegen dit, en dat, en nog iets. Abraham heeft zeer verlangd, dat hij Mijn dag zou zien ... Misschien zegt iemand: ja, maar die gelovigen van de 'oude dag' konden gemakkelijker naar de eerste komst verlangen dan wij naar de tweede. Want de eerste komst was middag, de tweede, die betekent: avond." Schilder vraagt dan vervolgens: "Is het wel waar, dat Christus' wederkomst een avondakte is van de dag des Heeren? Het is waar voor wie direct weet, dat het woord 'avond' hier lets heel anders betekent, dan in alle andere gedachten-verbindingen, waarin wij het woord gebruiken. Voor leder ander Is het nlét waar. Als ik van een 'avond' spreek, denk ik aan een voorlopige ondergang, waarop weer een nieuwe opgang zal volgen. Een avond, dat betekent voor elks besef: een overgang naar een andere morgen."
Tot slot merkt K.S. in zijn artikel op: "Zegt de aannemer, als de meiboom in de kap staat: nu is het avond, de avond in de bouw? Hij wrijft zich in de handen en steekt de vlag uit. Zegt de christen: het is 'avond', als de Bruidegom komt, om het feest der eeuwig-groene 'lente' te beginnen?
Zo hebben wij de eerste en de tweede komst van Christus niet te onderscheiden als middag- en avond komst. Wil men onderscheiden: welnu, de eerste was zóveel eeuwen vóór het hoogtepunt, de voleinding, de doel bereiking, de tweede is die zelf. Ga nu van Christus en zijn wederkomst eens ult. Dan zal de avond morgen worden, dan wordt de hoop vervuld, dan wordt het doel bereikt, dan is de weemoed groot.
Dan klaagt een levend mens wel over zijn zonde, maar niet meer over de geschiedenis, en het geschieden.
Want slechts daarin kan hij, en kan zijn kerk, en kan zijn Koning - 0 wee, daar noem ik weer de Eerste aan het eind - deel hebben aan de verlossing, de uitdrijving van de zonde.
Hij komt, Hij komt om d'aard te richten.
En daarom heeft Hij in zijn grote genade zich weer een jaar lang jubelend gehaast naar ons, zijn ... pruttelaars. "
Het is goed deze dynamische woorden van deze begaafde dienaar van God, die zijn krachten verteerd heeft ten behoeve van de bewaring en vermeerdering van Christus' kerk, diep op zich te laten inwerken!
Enschede O. Mooiweer