Vraag naar heilshistorische prediking (3)
1990-06-08
Een herinnering- Jaargang 34
- nummer 12
Het is al weer lange jaren geleden dat ik via een gemeentelid in kontakt kwam met een oudere dame die wel christelijk opgevoed was maar de kerkgang in haar leven had verwaarloosd, mede door ellendige ervaring met kerkelijke vertegenwoordigers.
Het kontakt leidde wel ergens toe en op een gegeven dag had ik de vrijmoedigheid haar voor een kerkdienst van onze gemeente uit te nodigen. Welwillend als ze was gaf ze daaraan gehoor en zij bezocht een dienst waarin ik zelf voorging.
Omdat ik nieuwsgierig was hoe zij het gevonden had, bracht ik haar in de loop van de volgende week een bezoek om h,ar te vragen naar haar bevindingen. Wat aarzelend zei ze tegen me: ach, weet u, dominee, geschiedenis heeft me nooit zo geïnteresseerd.
Het was alsof ik een klap in m'n gezicht kreeg, al heb ik haar dat gelukkig niet laten merken. De opmerking van deze mevrouw heeft mij sindsdien aan het denken gezet.
Zou het kunnen zijn dat wij teveel geschiedenis in onze preken doen?
Nu hoor ik de lezer denken en mij tegenwerpen: zou het niet kunnen zijn, dominee De Jong, dat niet 'wij', maar dat 'u' teveel geschiedenis in uw preken doet? Goed, dat wil ik mede in rekening brengen. Maar toch denk ik met name aan 6nze preektrant waàrvoor zo kenmerkend is dat er een heleboel uitleg van de tekst in zit. Ja, maar is dat niet de kracht van onze prediking, zult u zeggen. Ja en nee, is mijn antwoord.
Een preek is geen bijbellezing. Dat zien wij wel eens over het hoofd, is mijn indruk. Een preek is geen bijbeluitleg, maar gebruikt als het goed is de bijbeluitleg om voor het heden te boodschappen. Preken kunnen onder ons wel eens hinderlijk blijven hangen in het 'toen' en 'daar' van de tekst in plaats van het 'hier' en 'nu' van ons leven te bereiken. Die mevrouw had mijn preek ervaren als een geschiedenisles en dat heb ik niet haar kwalijk genomen maar mijzelf aangetrokken.
Een teveel aan geschiedenis?
Dit teveel aan geschiedenis dat onze preken nog wel eens ontsiert, wijt ik aan de scholing van onze predikanten in de heilshistorische preekmethode.
Van deze methode is veel goeds te zeggen en ze kan in het algemeen zeker als verrijkend voor de prediking gewaardeerd worden.
Waar ik nu aanmerking op maak is dat er soms een teveel van het goede is en dat de prediking door het teveel nadruk leggen op het historisch karakter van het heil voor de gemeente een afstandscheppende bijsmaak kan krijgen. Eerder schreef ik dat de bijbel de geschiedenis niet beschrijft maar gebruikt om ons voor God te stellen. Datzelfde zou ook van onze preken gezegd moeten kunnen worden.
Toch moet Ik van de andere kant ook weer zeggen dat geschiedenis zo verteld kan worden dat je de afstand in tijd totaal vergeet en je je bij het gebeuren onmiddellijk betrokken voelt. Ligt dat aan de boeiende manier van vertellen? Ten dele. Belangrijker is dat de gebeurtenissen die verhaald worden van zo groot gewicht zijn dat ze niet kunnen worden opgesloten binnen de tijd dat ze zijn voorgevallen. In die zin kan er niet gauw een teveel aan geschiedenis worden verteld. Ik moet dus nuanceren als ik het heb over een teveel aan geschiedenis in de prediking. Er is geschiedenis en geschiedenis. Er is geschiedenis,.ook in de bijbel, die zo 'zeer de geur en de smaak van 'toen' en 'daar' aan zich heeft, dat we haar terecht met de vergetelheid associëren. Een teveel daarvan schaadt in de prediking zonder meer. Maar er is ook een geschiedenis waarin we de hand van God als het ware tasten kunnen en wanneer ons die geschiedenis verteld wordt smelt het tijdsverschil weg zoals een vlassnoer wanneer het vuur geroken heeft. Vergetelheid maakt dan plaats voor aktualiteit. Het euvel waarvoor ik nu waarschuw, doet zich m.i. voor wanneer geschiedenis-1 voorrang krijgt op geschiedenis-2, anders gezegd: wanneer het archeologische de overhand krijgt op het theologische.
Theologische geschiedenis
Wat is theologische geschiedenis?
De term is een laatste poging mijnerzijds om onder woorden te brengen wat ik bedoel. Wij staan in de bijbel voor een geschiedenis waarin het hoofdzakelijk de Here God is die handelt, Hij dus van wie de Schrift zelf zegt dat duizend jaren voor Hem zijn als een dag en een dag als duizend jaren (11 Petr. 3 : 8). Het is uiteindelijk tegenover Hem en tegenover zijn handelen dat de tijd inkrimpt en de tijden verkort worden.
Omgekeerd, waar men met Hem niet meer rekent daar sekulariseert de tijd en neemt ze groteske proporties aan: miljarden jaren naar achteren en naar voren - alsof de eeuwigheid in de tijd gepropt moet worden.
Theologische geschiedenis noem ik nu geschiedenis waar de eeuwigheid niet in is gestopt maar haaks middenop wordt gezet en wel met zo'n kracht dat de uiteinden naar het midden toekrullen.
Nog eens kom ik nu terug op mijn eerdere bewering dat naar het mij voorkomt de bijbel het lineaire en het cyklische verbindt, in die zin dat er van Godswege een voorwaartse en een zijwaartse drang in de tijd zit, een finipetale en een centripetale kracht, een opdringen naar het einde en naar het midden. Die beweging naar het einde is ons bekend genoeg, want we denken meestentijds lineair. Voor die beweging naar het midden echter wijs ik op twee reeksen van koncentrische cirkels, konisch in- en uitlopend, die het bijbelse beeld (evenzeer als de beweging naar het einde) beheersen. De eerste reeks is: Adam (mensheid)Abraham (Israël) - Juda - DavidZoon van David - Christus - gemeente (uit Israël) - gemeente (uit de wereld). De tweede is: adama (aardbodem) - beloofde land (Kanaän)- stamgebied Juda - Jeruzalem - Sion - Christus - Jeruzalem- 'Judea en Samaria' (Hand. 1 : 8)- het uiterste der aarde. Het plan van God dat gestart is met' Adam op de adama' vindt z'n voltooiing wanneer de nieuwe mensheid op de nieuwe aarde zal leven. Maar de ontwikkeling daarheen verloopt via een beweging naar het midden. Voor beide reeksen is de figuur van de zandloper behulpzaam. Van beide reeksen vormt Christus het centrum en alle fases van de beweging staan Hem geestelijk even na. Christus is het die aan de geschiedenis vanuit het midden het merk van de rust, het karakter van de sabbat geeft, zodat ze een beweging is naar punten die er tegelijk al zijn. "Eer Abraham was, ben Ik", zegt Christus tegen de Joden, en Hij beweert van de aartsvader dat deze zijn dag gezien heeft (Joh. 8 : 58 en 56). Niet maar vanuit de verte gezien, bedoelt Hij. in de zin van 'voorzien', maar gezien in de zin van 'beleefd', zoals een mens bijbels gesproken ook de dood kan zien in de zin van 'ondergaan'. Waar Gods openbaring in Christus aan de orde is daar smelten de tijden ineen en dromt het hele gebeuren van de wereldgeschiedenis zich samen rondom dit 'moment suprême' der historie. In plaats van een lineair lopende tijdslijn krijgen we zo een in hevigheid toenemende reeks van draaibewegingen, van Omhoog ingezet, die telkens tot rust komen in een punt dat aan de tijd ontheven is.
Nee, dat laatste zeg ik verkeerd: .:.in een punt dat zo'n geweldige uitstraling heeft dat begrenzing door de tijd daarbij wegvalt.
Van de unieke kombinatie van finien centripetale krachten die het gebeuren beheersen is de sabbat het stralende teken. Ook de heilshistorische prediking zou bij dit sabbatskarakter gebaat zijn. Daarvan wil ik de volgende keer tot slot een voorbeeld geven.