Mens en engel in Gods nieuwe schepping (2)

1990-06-08
  • Jaargang 34
  • nummer 12
Ef. 3, 8-13
8 Aan mij die in aanzien beneden
alle heiligen sta is bij wijze van
gunst de opdracht verleend aan
de heidenen de rijkdom van
Christus te boodschappen - (een
schat) die niemand op het spoor
zou zijn gekomen! -

9 en in het licht te stellen, hoe de
bestuursinrichting er uitziet in het
geheime plan dat sinds onheugelijke
tijden is achtergehouden bij
God die alles schiep,

10 opdat nu aan de machthebbers
en gezagsdragers in de hemelgebieden
door middel van de
gemeenGods rijkgeschakeerde
w jsheld bekend zou worden

11 overeenkomstig het ontwerp van
eeuwen her, dat Hij gemaakt had
in Christus Jezus, onzen Heer,

12 dank zij wien wij weer vrijuit met
God kunnen spreken en naar
Hem toegaan in vertrouwen doordat
we in Hem (Christus) geloven.

13 Daarom vraag ik u de moed niet
te laten zakken bij de verdrukkingen
die ik terwille van u te verduren
heb; ze zijn immers juist een
eer voor u!

De gemeente demonstreert Gods schepperswijsheid
Ik hoop, dat we nu (zie het eerste deel van dit artikel in het vorige nummer) ongeveer de gedachtengang verstaan die deze brief beheerst, en zo een achtergrond hebben gekregen waartegen we onze tekst kunnen plaatsen.
Verrassend komen hier die door Christus overwonnen hemelse machthebbers nog eens terug. Het is nl. Gods bedoeling, zegt Paulus, dat nu die machten door middel van de gemeente kennis krijgen van Gods rijk geschakeerde wijsheid.
Het eerste dat ons treft is, dat hier die geestelijke machthebbers nog eens weer op hun nummer worden gezet: hun plaats is er een onder Gods zonen, onder ons, mensen, dus. Jezus zei eens: "Een dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet"
(Joh. 15, 15). Wat een baas voor plannen heeft t.a.v. zijn zaak, hangt hij zijn bedienden niet aan de neus.
Hij bespreekt ze wél met zijn zoon die onderdirecteur is. De bedienden krijgen te zijner tijd wel te zién, wat er verandert. Zo krijgen ook de engelen daarboven kennis van Gods nieuwe schepping doordat ze het begin van die nieuwe schepping hier beneden waarnemen, t.w. het leven van de christengemeente.
Ze krijgen - en dat is het tweedekennis van Gods nieuwe schepping, zei ik. Want dat is - gezien de opzet van heel de brief, en gezien ook het feit dat God in dit verband wordt aangeduid als 'de Schepper van het heelal' - de bedoeling van de woorden 'de rijk geschakeerde wijsheid' Gods'. Hij gaat hier om Gods schepperswijsheid, zoals Spreuken 8 die bezingt. Hoezeer in Gods schepping juist zijn wijsheid uitblinkt, blijkt uit het feit, dat die wijsheid verzelfstandigd en verpersoonlijkt wordt. Ze wordt voorgesteld'als een kind dat om Vader heen speelt, als Hij aan de arbeid is. Kostelijk, die tekening!
Stel u voor (b.v.) een houtbewerker die iets moois maakt in zijn werkplaats.
Z'n dochtertje van drie dribbelt om hem heen tussen de krullen en spaanders. En wel verre van hem af te leiden inspireert ze hem juist bij de arbeid. Af en toe kijkt hij haar aan met een blik, stralend van geluk, of krijgt ze een aai over haar bol.
(Even terzijde: wij. nuchtere mensen, laten toch asjeblieft wel ruimte voor kunstenaars, dlebi] machte zijn in woord of beeld de dingen voor te stellen, zoals wij ze met onze verzakelijkte ogen misschien niet zien, maar zoals ze ten diepste toch wel zijn? U zou toch voor geen geld Spr. 8 uit de bijbel willen missen'? Paulus gaat in elk geval op dit spoor van de verpersoonlijking van Gods wijsheid nieuwtestamentisch verder, als hij Christus noemt: de wijsheid Gods (1 Cor. 1, 24).) Nu, een eerste staaltje van die schepperswijsheid van God krijgen de engelen te zien in het leven van de christengemeente. De goede engelen zien het met vreugde aan.
Als er naar Jezus' woord al blijdschap is bij de engelen Gods over één zondaar die zich bekeert (Lc. 15, 10), hoeveel te meer dan over een gemeente, bestaande uit zoveel verschillende van nature elkaar vijandige mensen, die toch in goede harmonie leven. Maar de boze engelen zien het tot hun ontzetting en woede. Ze ervaren het als een vernedering, dat er een nieuwe mens is opgestaan die aan hun regiem is onttrokken. En meer nog: ze zien hun vonnis nu heel dicht bij komen.
Ze wisten wel van de komende straf: uitgebannen duivelen smeken Jezus hen niet te straffen vóór de bestemde tijd (Mt. 8, 29). Maar nu wordt het echt dreigend: ze zien op aarde een mensheid gevestigd, op wie ze geen greep meer hebben, een bruggehoofd van de komende wereld, waarin voor hen geen plaats meer zal zijn.

De gemeente als informant van de engelen
De functie van de gemeente op dit punt (als informant van de engelen) moeten we weer zien in de lijn van de informatie die Christus zélf door zijn hemelvaart aan de engelen verstrekt. Petrus zegt (1 Petr. 3, 19): door zijn hemelvaart heeft Hij aan de geesten die. sinds de dagen van de zondvloed in voorarrest zaten eenproclamatie doen uitgaan. Aan deze boze geesten is in Christus' hemelvaart als het ware hun dagvaarding ter hand gesteld. Ze weten nu, dat ze eerstdaags voor Gods rechterstoel zullen moeten verschijnen. Nu, die dagvaarding wordt nog eens bevestigd en onderstreept in wat ze op aarde zien gebeuren onder mensen die in de souvereiniteitsoverdracht aan Christus delen. Met name de eenheid tussen jood en heiden - en in 't algemeen: de eensgezindheid binnen de gemeente - is, zo schrijft Paulus in Fil. 1, 28, voor Christus' en onze tegenstanders 'een aanwijzing van hun verderf", Zij trekken daaruit als onontkoombare conclusie: wij hebben verloren, en zijn verloren.
Wat hun reactie is, vertelt Johannes in Op. 12, 12, waar hij een stem in de hemel hoort zeggen: "Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hem maar weinig tijd meer rest". Paulus ervaart dat ook aan den lijve: aan het slot van onze tekst spreekt hij van de verdrukkingen die hij verduren moet terwille van de gemeente waaraan hij schrijft. Als een kat in het nauw slaan de duivelen fel toe, om Paulus te treffen en zijn werk in de grond te boren.
En hoe reageert Paulus daar op zijn beurt nu weer op? Om te beginnen, stelt hij. met een laconisme dat het geloof kenmerkt, vast: die verdrukkingen zijn een eer voor u. D.W.Z.: als de boze geesten het mij zo lastig maken, omdat ik u het evangelie bracht, dan is kennelijk hun duidelijk geworden, dat u naar het evangelie leeft; en dat is in u te prijzen. Als u zich niet zo duidelijk profileerde als een stukje nieuwe schepping, zouden de duivelse machten het mij niet zo lastig maken.
Hij prijst hen dus. En zijn advies is dan ook niet: matig u, als 't u blieft, wat; kom wat minder duidelijk in uw nieuwe hoedanigheid naar voren.
Nee, hij zegt: moedig doorgaan. U kent toch uw domicilie: de hemel, waar God woont. Dáár hebt u in en met Christus een plaats gekregen. U kunt daar vrij in en uit lopen, en God alles zeggen (v. 12).

Vrijheid: het uitzicht van héél de schepping
Leven wij uit dit besef: dat wij als gemeente het begin van Gods nieuwe schepping zijn? Laten wij het nu ook duidelijk zien aan mensen en engelen, dat Gods vrede hier vaste voet heeft gekregen? Blijkt het uit onze onderlinge verhoudingen? En wijzen we zo heen naar het herstel van álle dingen? God belooft ons nl. meer dan we nu hebben. Niet alleen wij mensen waren vroeger ons leven lang gehouden tot dienstbaarheid, zoals Hebr. 2, 15 het uitdrukt. Nee, dat geldt van héél de schepping, zegt Paulus (Rm. 8, 20). Maar hij voegt er aan toe: ook de schepping zelf zal van de dienstbaarheid aan het verderf verlost worden tot de heerlijke vrijheid van Gods kinderen.
Gedragen wij ons tegenover de natuur om ons heen als mensen die dat verwachten, dat wolf en lam zullen samenleven, zoals nu jood en griek?
Ervaren wij ook de tegenstand van de boze machten die wij zo tegen ons ontketenen als een compliment van God. Het is toch wel niet toevallig, dat in het oudste verhaal van de . bijbel waarin we van den satan horen (in het boek Job) de Heere zelf den satan opmerkzaam maakt op het vrome leven van zijn knecht. Zo groot is het vertrouwen in Jobs trouw aan Hem, dat God den duivel zelfs een tijdlang vrij spel tegenover dezen geeft. Denkt u, dat de Heere zijn gemeente zolang zou blootstellen aan het vertwijfeld tekeer gaan van den Boze, als Hij niet vertrouwde, dat zij door de kracht van Christus' Geest stand zal houden?
Laten wij samen, en ook ieder persoonlijk de druk van den Boze, hoe die zich ook uiten mag (in tegenstand van mensen, in ziekte of aanvallen van zwaarmoedigheid) toch ook zó ervaren: als een blijk, dat God er vertrouwen in heeft, dat we zullen overwinnen, en daarom als een bemoediging om de strijd vol te houden. En laten wij met des te meer volharding tot God gaan in het gebed, in vertrouwen, dat Hij om Christus' wil ons hoort. Onze hulp isA toch in de Naam van den Heere die hemel en aarde gemaakt heeft; in Hem die ook de nieuwe hemel en de nieuwe aarde eens zal voltooien?
Hem, den alleen wijzen God, zij door Jezus Christus de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid (Rm. 16, 27).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief