Terloops

1990-06-08
  • Jaargang 34
  • nummer 12
Aan Babels stromen
Psalm 137 is een treurpsalm. Gods volk is in ballingschap en dat is geen pretje. Grote aantallen joden zijn uit het eigen land weggevoerd en verblijven ver van huis 'aan Babels stromen'. En daar worden ze met hun neus op de feiten gedrukt. De sabbatsviering loopt gevaar en onrein vlees is vlak bij de deur.
We weten uit het boek Daniël, dat de machthebbers in Babel de Israëlieten dwingen om de eigen wetten te vergeten en zich aan te passen.
Daniël weigert, maar dat kan niet van allen worden gezegd. De profeet Ezechiël moet profeteren, dat de Israëlieten hun brood onrein zullen eten onder de volken, waarheen God hen heeft verstoten (Ez. 4 : 13) en de profeet antwoordt dan namens het volk: 'Ach, Here HERE! zie, ik ben (nog) nooit verontreinigd geweest...' De vrome joden hebben het moeilijk gehad met de gang van zaken. Ze willen naar Gods wetten blijven leven.
Er zijn er ook, bij wie het alleen om het uiterlijk vertoon gaat. Jesaja wijst hier op (29 : 13): 'Omdat dit volk Mij slechts met woorden nadert en met zijn lippen eert, terwijl het zijn hart verre van Mij houdt, en hun ontzag voor Mij een aangeleerd gebod van mensen is ...' Vóór de ballingschap wees Jesaja hier al op en tijdens de ballingschap wijst Jeremia er op, dat God Zich zal laten vinden, als Zijn kinderen Hem maar zoeken met hun ganse hart (29: 13).
Zo is God voor en tijdens de ballingschap met Zijn volk bezig geweest.
De profeten hebben zich ingespannen om het volk te brengen tot een lévend geloof en 'tussen de bedrijven door' hebben ze laten zien, dat God er niet alleen is voor de joden, maar ook voor de heidenen. Gods ogen gaan over de gehele aarde (2 Kron. 16 : 9). De vromen in Babel vragen zich af, of God nog wel iets voor hen doen kan, of ze soms buiten Zijn bereik vallen.
Maar God ziet ze wel. Wanneer het volk maar naar God vraagt met het hart, dan zal God een keer brengen en hen weer verzamelen en terugbrengen (Jer. 29: 1 e.v.), want alles valt binnen Zijn bereik. Vergeleken met Hem zijn volken slechts als een druppel aan een emmer en als een stofje aan een weegschaal (Jes. 40 : 15). En daarom moeten 'alle einden der aarde' (Jes. 45 : 22) zich tot Hem wenden, want al die einden zijn bij God bekend en Hij wil er zijn.
De profeten hebben voor en tijdens de ballingschap laten zien, dat er meer gaande is dan het wegvoeren van een volk. Het verleden is belangrijk, maar vooral ook wat komen gaat, is van belang. Gods zaak loopt niet dood in de ballingschap, maar gaat er dwars door heen, de toekomst in, tot de volheid des tijds.
Dán zal het geschieden dat ... Er zullen er in Babel zijn geweest, die het niet hebben volgehouden. Er zijn er in ieder geval ook geweest, die telkens weer moed hebben gekregen én genomen om verder te gaan.
Ze vroegen zich wel af in Psalm 137 : 'Hoe zouden we des HEREN lied zingen op vreemde grond?' Maar ze deden het toch.
En later zullen ze Psalm 126 hebben gezongen: 'We ontkwamen ...' Wij leven niet in ballingschap, ook al voelen we ons wel eens vervreemden en ontheemden.

In lied 301 staat o.a.:
'Wij moeten Gode zingen
om alle goede dingen.
al zijn wij vreemdelingen ..,

Al leeft uw volk verschoven
in 't land van vuur en oven,
in 't land van Babylon,
al is de hemel boven
voor mensen doof en stom,
nog moeten wij U loven
met stem en fluit en trom."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief