Barmhartigheid in de Thora (2)
1990-06-08
Het zevende gebod, Deut. 22:13-23:14- Jaargang 34
- nummer 12
Nu iets over het zevende gebod: "Gij zult niet echtbreken". Zonden op dit terrein nam de HERE zeer hoog op.
Aanrandingen, perversiteiten en immoraliteiten op seksueel gebied behoorden tot de weinige dingen waarop Hij de doodstraf stelde.
Geen wonder, want daardoor werd Israëls heiligheid aangetast en de grens tussen kerk en wereld uitgewist.
Misschien hebben wij er wel te weinig oog voor, dat ook deze harde straf van barmhartigheid getuigde, omdat de HERE daardoor ons levensgeluk op seksueel gebied beschermde.
Maar nu als er in Israël sprake was van een gedwongen huwelijk? Nam Mozes dat ook zo hoog op? Werd er dan ook gesproken over 'een schanddaad in Israël' en over 'kwaad uit uw midden wegdoen?' Nee. Dan moest er tegenover zo'n stel barmhartiger opgetreden worden dan vroeger in de gereformeerde wereld wel gedaan is. De jongen moest met dat meisje trouwen.
Tenminste als haar vader het goedvond. Anders moest hij hem wel de bruidsprijs betalen, maar kreeg hij haar niet. Dan had hij dat brutale stukje maar niet moeten uithalen.
De oudsten kwamen er in zo'n geval niet aan te pas. Dit was uitsluitend een zaak tussen de vader van het meisje en die jongen. Proeft u weer de barmhartige geest waarin dit probleem geregeld werd? Misschien kunt u er als diakenen iets van leren.
Steek zo'n stel in voorkomende gevallen de helpende hand toe.
Meestal kunnen die best een briefje van duizend gebruiken.
Het achtste gebod. Deut. 23:15-24:15
Ik kom bij het achtste gebod: "Gij zult niet stelen". Dat bespreekt Mozes aan de hand van elf praktijkvoorbeelden, alle even belangwekkend.
Ik kies er een paar uit. Alweer om u de barmhartige, evangelische geest van deze wetgeving te laten proeven.
Stel u voor, er komt straks een slaaf van buiten Kanaän uw land binnenvluchten.
Wat moet je dan met die man? Terugsturen? Dan was de stakkerd nog niet jarig. Een hand afhakken of een brandijzer op z'n voorhoofd zetten vond de heidenwereld heel gewoon. Z6 is de wereld zonder God. Hardvochtig en wreed.
De man had gèld gekost! Gèld! Hij behoorde tot iemands bezittingen.
Nu, alles goed en wel, maar zo hard zou Israël als volk van de goede God Jahweh niet mogen redeneren. Terugsturen?
Uitleveren? Geen sprake van. Barmhartig zijn en die man zelf laten kiezen waar hij wil gaan wonen.
Op economisch gebied moet je vooral niet hard zijn. En het recht van eigendom moet je zeker niet zo ver doordrijven dat je onbarmhartig wordt. Bijbelse, economische gerechtigheid is vooral barmhartigheid, Deut. 23:15v. Nog een paar voorbeelden.
Misbruik maken van iemands nood.
Dat is ook zonde tegen het achtste gebod. Komt er straks een arme drommel naar je toe, die wat van je lenen wil: een os om mee te ploegen, een ezel om op te rijden, wat geld of zaaizaad - vraag dan geen rente. Help hem belangeloos. Want het achtste gebod eist: niet stelen, maar geven, royaal en belangeloos gèven! Deut. 23:19.
En daarbij vooral niet krenterig en wetticistisch te werk gaan. Als jij hongerig langs een akker of wijngaard loopt, hoef je heus niet te redeneren: "Dat koren en die druiven zijn van boer zus en zo. Daar is geen halm van mij bij en daar moet ik dus afblijven, want een hándvol stelen is ook stelen. Dat maakt niets uit. Stelen is stelen. Het gaat om het principe, nietwaar?"
Wie zo redeneerde, kende Gods barmhartigheid nog niet goed. Zo'n trosje druiven plukken noemde Mozes nog geen stèlen. Kom, kom, dat moest onder broeders kunnen lijden.
AI moest je natuurlijk geen zak vol gaan plukken of je sikkel in buurmans koren slaan. Dat is geen aardigheidje meer. Dan ga je elkaar beroven. Dus aan de ene kant geen krenterigheid en pietluttigheid, maar aan de andere kant ook geen vrijpostigheid, Deut. 24:6.
Zo moet je ook nooit iemands handmolen als pand meenemen. Hoe moeten die mensen dan brood bakken?
Je mag best garanties vragen, maar daarbij niet iemand in z'n leven treffen, Deut. 24:6.
En als je ooit van iemand een pand eist, denk er dan om dat je als rijke meneer nooit brutaal z'n huis binnenstapt, zelf iets pakt en zegt: "Geef me dat maar mee". Nee, u blijft netjes buiten staan, al bent u nog zo rijk, en u laat hem naar binnen gaan en u zijn pand buiten overhandigen, Deut. 24:10v. Proeft u weer de geest van dit gebod? Hoffelijkheid en barmhartigheid in acht nemen tegenover arme mensen.
Wars zijn van alle plompheid en grofheid. Als diakenen fijne manieren kennen bij het overhandigen of overmaken van uw financiële steun.
Dat is volgens Mozes allemaal de milde, barmhartige, weldadige, absoluut niet schriele, nog minder gierige, maar royale, levengevende en levenbevorderende geest van het achtste gebod. Gij zult niet stelen, maar geven, royaal geven.
Het negende gebod, Deut 24:16-25:16
Ik wil nu onze wandeling door het boek Deuteronomium besluiten met een enkel onderdeel uit Mozes' bespreking van het negende gebod: "Gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste". Ook daarmee verbood de HERE een heel complex van dingen waardoor wij het recht van de HERE zouden kunnen krenken.
In dat verband spreekt Mozes over de wijze van straffen, het recht van de arbeider op z'n loon, het recht van een dode op zijn naam, maar ook - en dat interesseert ons nu het meest - over het recht op barmhartigheid.
Alweer zoiets verrassends en verfrissends.
Veel christenen denken bij recht en rechtspraak vaak meteen aan straffen en klagen dan dat er tegenwoordig veel te lichte straffen worden uitgedeeld. Maar Mozes gebruikt het gebod van de rechtspraak om te spreken over de toepassing van het rècht op barmhartigheid. Ja, u verstaat het goed: het recht!
En dan gebiedt hij in dat kader: het recht van een vreemdeling moet je niet buigen. En het kleed van een weduwe moet je niet tot pand nemen.
En wanneer je je oogst binnenhaalt, moet je je akker niet tot de laatste halm kaalscheren en de takken van je wijngaard niet nog een keer nazoeken. Laat wat zitten voor de armen, de weduwen, de wezen en de vreemdelingen. Vergeet niet dat je zelf slaven bent geweest in Egypte. "Daarom gebied Ik u dit te doen", zei de HERE, Deut. 24:22.
Barmhartigheidswerk was dus een kwestie van Goddelijk recht. Een weduwe in Israël had er verbondsmatig recht op, dat men nooit haar kleed tot pand zou nemen. En vreemdelingen hadden er in Israël rècht op de restanten van de oogst mee te nemen. Dat was geen gunst, maar een rècht dat Jahweh, Israëls Grootkoning, had ingesteld. Alle daden van hulpvaardigheid en menslieveridheid zouden in Israël - en onder ons natuurlijk nog veel meerniet allereerst moeten steunen op de subjectieve basis van onze gevoelens van medelijden, maar op die van de gerechtigheid, die Hij als verbondseis van zijn volk vorderde.
Daarom noemde de Here Jezus barmhartigheidswerk een zaak van gerechtigheid, Matth. 6:1v.
In Spr. 3:27 staat een uitspraak die dezelfde geest ademt. Daar zegt Salomo: "Onthoud het goed niet aan wie er recht op heeft (NV: aan wie het toekomt), terwijl het in uw macht is het te doen". Of nog wat letterlijker vertaald: "Onthoud nooit iets goeds aan wie er de heer van is ...".
Onze trouwe, letterlijke SV las: "Onthoud het goed van zijn meester nIet ..." Hier heet de hulpbehoevende dus zelfs kras de heer of meester van het goede. Hij kan er, verbondsmatig gesproken, zekere rechtmatige aanspraken op laten gelden.
Dus als wij bij machte zijn iets goeds te doen waaraan onze naaste juist behoefte heeft, wie is er dan heer en meester van dat goeds? Daarop antwoordt Salomo in de geest van de Thora: die hulpbehoevende!
Wat zouden veel christenen in de loop van de eeuwen met minder schaamtegevoel de steun van de diakenen aanvaard hebben; als zij beter onderwezen waren over hun recht op barmhartigheid in de christelijke gemeente. Hulpvaardigheid en mededeelzaamheid zijn onder Gods volk weldaden waartoe de gever verplicht is en waarop de ontvanger recht heeft, vgl. Gal. 6:10, Hebr. 13:16.
Mozes onderwijst niet uitputtend, maar nitbeeldend
U hebt intussen ook uit mijn bloemlezing weer gezien, dat Mozes van Gods wet meer een uitbeeldende dan een uitputtende bespreking gaf.
Het ging er de HERE immers niet om Israël in de Thora een dik wetboek te geven, waarin Hij Israëls leven tot in de puntjes regelde. Een net van wetten zonder één maas erin. Integendeel, Hij wilde het een levensleerboek bezorgen, waaruit het een barmhartige, evangelische gezindheid kon leren.
Natuurlijk, Gods geboden waren ook als bindende voorschriften bedoeld, maar nog meer als voorbeelden voor alle ongenoemde gevallen, die zich in het leven zouden kunnen voordoen. Vandaar dat het zowel in het Verbondsboek als in Deuteronomium wemelt van zinnen als: "Wanneer het gebeurt dat ..." of "Als het geval zich eens voordoet dat... "
Wanneer Israël die wél genoemde gevallen goed op zich liet inwerken, kon het zelf wel uitmaken hoe het diende te handelen in de duizend en één gevallen die de HERE niet genoemd had.
Vandaar dat die evangelische Wet van Mozes ook voor ons nog volop Gods wil openbaart. Ja, die evangelische Wet! Want als er mensen zijn - voor mijn part heten ze dubbel gereformeerd - die in die Thora of Wet van Mozes iets hards willen inpraten en interpreteren, dan zeg ik dat ze er nog nooit iets van begrepen hebben. Waar denken die eigenlijk aan als ze Psalm 119 zingen?
De Thora eist van ons christenen niet minder, maar meer
Ja, de Thora van Mozes is liefelijk.
Zij druipt om zo te zeggen van barmhartigheid.
Maar zo'n prachtige onderwijzing als wij, 'gemeente van het Nieuwe Verbond, nadien mochten ontvangen, heeft Mozes met alle respect voor de Thora Israël nog niet kunnen geven. Want wij mogen nu in onze Here Jezus Christus het toppunt van Goddelijke barmhartigheid bewonderen.
Wat heeft Hij al niet weggegeven?
Hij is arm geworden, terwijl Hij zo rijk was om ons door zijn armoe rijk te maken, 2 Cor. 8. Hij gaf gezonde armen en benen, ogen en oren weg.
Hij leerde zelfs onze vijanden lief te hebben. En wat heeft Hij dat zelf volmaakt gedaan. Hij heeft voor hen aan het kruis gehangen. Elke beweging deed Hem zeer. Hij zal ook niet makkelijk opzij gekeken hebben.
Maar die moordenaar naast Hem schonk Hij vergeving van zonden en het eeuwige leven. O, die liefde en barmhartigheid van Jezus. Voor vriend en vijand.
"Meent niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden", sprak Hij, "Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen", Matt. 5:17. Mozes vroeg om zo te zeggen nog maar een halfvolle maatbeker gehoorzaamheid, maar Jezus wil hem tot de rand gevuld zien. Daarom eist Hij van ons als christelijke gemeente niet minder, maar nog meer barmhartigheid dan Mozes van Israël vroeg, vgl. Hebr. 10:28v.
Wij hebben gezondigd!
Mag ik u tenslotte voorstellen enige ogenblikken tot onszelf in te keren om de torenhoge schuld te overdenken die wij als westerse christenheid op ons geladen hebben door ons tekort schieten in barmhartigheid tegenover blank en bruin? Wij hebben alle reden om ons diep voor de HERE te verootmoedigen vanwege onze verachting van de Thora en de bede van Psalm 79 tot de onze te maken: "Reken ons de ongerechtigheid der voorvaderen niet toe, uw barmhartigheid kome ons haastig tegemoet".
Neem nu alleen maar het Nederlandse aandeel in de slavenhandel.
Hollandse schepen voeren naar de Slavenkust, ruilden zwarte Afrikaanse mensen voor kralen en andere prullen en vervoerden hen in barstensvol gestouwde ruimen naar Curaçao. Notabene met in de kajuit de Statenbijbel, waarin Mozes nog zo had gewaarschuwd: "Wie een mens rooft, hetzij hij hem reeds verkocht heeft, hetzij deze nog in zijn bezit wordt aangetroffen, zal zeker ter dood gebracht worden", Ex. 21:16. Onze Westindische Compagnie verdiende tussen 1635-1645 gemiddeld zo'n f 840.000,- per jaar met deze groothandel in zwarte mensen.
Intussen voerden wij thuis een sabbatsstrijd, waarbij we ons druk maakten over breien en koken op zondag. Blind voor de barmhartige, ruimhartige en sociale geest die Mozes in het vierde gebod had aangewezen.
Mozes had geboden: "Geef die arme drommel een zak wijn", Maar wij gunden "Keesje, het Diakenhuismannetje" soms amper een sigaar. Het lijkt wel alsof de diakonieën zich van die blaam nooit meer geheel zullen kunnen zuiveren, al doen ze nog zo hun best.
Als de volkeren van Europa meer hadden gehandeld naar de barmhartigheid van de Thora, dan zag de wereld er nu heel anders uit. Dan hadden we met onze slavenhandel en kolonialisme geen rassentegenstellingen en met onze armenverdrukkingen geen klassenstrijd tevoorschijn geroepen. Maar nu lijkt de hele problematiek van de rijke en arme landen, ontwikkelingshulp, 'gerechtigheid'-doen, gezagscrises, stakingen, industrialisatie, de worsteling van kapitalisme Eln socialisme uitzichtloos, omdat we 'Mozes' hebben verworpen en de Geest der barmhartigheid gesmaad. Voor die verwording had christelijke onderhouding van de Thora 'ons' veelszins kunnen behoeden.
Laten wij ons daarvan voor ons deel nog zoveel mogelijk bekeren, door zeer royaal diakonaat te beoefenen in de geest van de Thora, zoals die vervuld is door Jezus Christus, Gods vleesgeworden barmhartigheid, met wiens Woord ik nu al het gesprokene samenvat (Luk. 6, vs. 36): "Weest barmhartig gelijk uw Vader barmhartig is".