Vraag naar heilshistorische prediking (4, slot)

1990-06-22
  • Jaargang 34
  • nummer 13
De korrektie
Ik wil tenslotte nog met een voorbeeld mijn bedoeling verduidelijken.
Wat was ook al weer mijn bedoeling?
Wel, ik wilde een korrektie aanbrengen op de heilshistorische preekmethode. Ik wilde voorkomen dat we de bijbel gaan uitzetten op de lineaire tijdslijn met als kwalijk gevolg dat de Heilige Schrift te sterk met het verleden geassocieerd wordt. Dat euvel wordt niet verholpen door aandacht te vragen voor de toekomst-gerichte kracht die aan de oude bijbel inderdaad eigen is, want we hebben dan wel een gevuld verleden en een gevulde toekomst maar het heden blijft leeg. En prediking is toch een zaak voor het heden.
Vandaar dat ik me moeite gegeven heb om nog een andere kracht die in de bijbel werkzaam is zichtbaar te maken. Naast de finipetale (= naar het einde strevende) beweging sprak ik van een centripetale (= naar het midden strevende) trek in de Schriften. Het is deze trek die aan de geschiedenis een sabbatskarakter verleent, want in dat centrum dat de bijbel bij herhaling bereikt, heerst de rust van het voltooide: verleden en toekomst worden in het heden samengetrokken. En dat heden is aan geen datum gebonden.

Johannes
Ik ontleen mijn voorbeeld aan de vierde evangelist die ons in het elfde hoofdstuk van zijn beschrijving de prachtige geschiedenis van de opwekking van Lazarus vertelt. Johannes, zegt de traditie, heeft van alle ooggetuigen die Jezus' verkeer onder ons persoonlijk hebben meegemaakt, het langst geleefd. Johannes heeft dus op zijn oude dag nog helemaal behoord tot de mensen van de tweede generatie, dat wil zeggen tot mensen zoals wij die het allemaal alleen van horen-zeggen hebben vernomen. De oude evangelist voelde hoe de mensen in de gemeente van de tweede en derde generatie hem aankeken: ja, jij hebt Hem zelf meegemaakt. Jij was er bij toen Jezus weldoende rondging, genezende allerlei ziekten en kwalen. Als bij 6ns een geliefde ziek of gestorven is, kunnen wij niet naar de Heiland toe om te vragen: ach, leg toch uw handen op. Nu heeft Johannes zijn evangelie geschreven mede met het doel om te laten zien dat die tussentijd, tussen Jezus' eerste komst en zijn wederkomst, in principe niet minder rijk is dan de tijd dat Hij hier was en de eeuwigheid dat we met Hem zullen zijn. Want: ..Zalig wie niet ziet en toch gelooft" (Joh. 20 : 29). Niet het zien maar het geloof maakt zalig. Dat is nu zo en dat is ook al zo geweest in de tijd dat er iets te zien was. Johannes 11 maakt prachtig duidelijk hoe de Here Jezus met een heden van genade komt dat het verleden van zijn omwandeling en de toekomst van zijn verschijning in één punt samentrekt, getuige het stralende woord in het midden van het hoofdstuk: ..Ik ben de opstanding en het leven .....(vs 25).

De tussentijd
Een geschiedenis als die van Lazarus' opwekking uit de doden kan vooral bij rouwenden een geweldige jaloezie wakker roepen: waarom toen wel en nu niet? Waarom daar wel en hier niet? Maar nu beschrijft Johannes deze gebeurtenis zo dat de nabestaanden van toen onze lotgenoten worden ... Here, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn", zeggen zowel Martha als Maria (vss 21 en 32). Dat is een woord dat bij ons een herkenning moet oproepen, wij zouden het gezegd kunnen hebben: ..Meester, indien Gij nu geleeft hadt, zou onze geliefde niet gestorven zijn". Heel dit gebeuren vertelt de evangelist op zo'n wijze dat hij het als het ware in die tussentijd tussen Jezus' eerste komst en zijn wederkomst verplaatst, zodat deze geschiedenis in onze levenssituatie binnenkomt en wij er niet langer als vreemden tegenover staan. Lazarus is ziek en Lazarus sterft, maar Jezus doet niets (vs 6). Precies zoals wij dat kunnen ervaren, dat wij in noodsituaties zijn hulp inroepen en dat het toch teleurstellend stil blijft. Hoe nodig dan dat er juist in dat verband staat: ..Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief" (vs 5). Hij heeft ons ook lief. Toch grijpt Hij vaak niet in, al bidden wij daar nog zo vurig om. Ja, zult u zeggen, maar bij Martha en Maria was het maar even dat de Heiland zich afzijdig hield. Daarna gaat Hij over tot dat zeer grote wonder dat Hij Lazarus uit het graf terugroept. Dat is waar.
Toch moet u niet te gauw op dat eklatante mirakel op het allerlaatste einde van deze vertelling toesnellen.
U moet eerst die situatie op u in laten werken die de Here Jezus door zijn afwachten en niets doen geschapen heeft. Want dat is 6nze situatie waarin wij Hem evenzo kunnen ervaren: afwachtend en niets doend. Het grootste gedeelte van Johannes 11 is dus gelijk aan die tussentijd, de tijd tussen dat Jezus er was en er zal zijn. En deze tussentijd die het grootste gedeelte van dit hoofdstuk beslaat, gebruikt de Heiland voor zijn woord. Wat een woorden, voorafgaand aan deze dodenopwekking!
De tussentijd is de tijd van het Woord.

Het gesprek met Martha
Martha komt in dit hoofdstuk veel sterker naar voren dan Maria. Alsof zij tegenover Lukas' beschrijving in 10: 38 e.v. een herkansing krijgt. Zij begint als straks Maria: ..Here, indien Gij hier geweest waart enz ..... , maar toont met haar volgend woord dat ze naar de Heiland open en verwachtingsvol is: ..Ook nu weet ik dat God U geven zal al wat Gij van God begeert" ... Uw broeder zal opstaan", zegt Jezus. En Martha antwoordt: ..Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage". Daarmee verschuift Martha het evangelie naar morgen. Let op: eerst kijkt ze om, naar het bijzijn van Jezus waar het evangelie ons bericht van doet: 'indien Gij hier geweest waart ...', en dan kijkt ze vooruit, naar het bijzijn van Jezus dat met de jongste dag z'n aanvang neemt: 'ik weet dat hij zal opstaan ten jongsten dage'. Maar voor de tijd daartussen ziet ze geen heil. Precies zoals wij vaak denken: was Jezus er nog maar, of: was Hij maar terug. Maar het hier en nu blijft leeg. Met het antwoord dat de Here daarop aan Martha geeft stapt Hij precies in dat lege gat van hier en nu: ..Ik ben de opstanding en het leven ..;". 'Ik ben'. Nu niet: 'Ik was', of: 'Ik zal zijn', maar: 'Ik ben', tegenwoordige tijd. De Here gaat met ons wanneer wij om onze doden treuren niet enkel naar het verleden, naar de tijd dat Hij onder ons was. Ook niet enkel naar de toekomst, de tijd dat Hij voor altijd bij ons zal zijn. Maar Hij zoekt ons voor alles in het 'hier en nu' op: Ik ben. Dit te laten zien is speciaal eigen aan Johannes, al is het ook dat deze evangelist alleen maar expliciet maakt wat impliciet in de hele bijbel aanwezig is. Maar inderdaad, Johannes in het bijzonder weet bij tijd en wijle het gisteren en morgen van Jezus kunstig samen te trekken in vandaag. Denk maar aan uitdrukkingen bij hem als: ..De ure komt en is nu" (5 : 25). De Here Jezus is volgens Johannes zeker Degene 'die was en die komen zal', maar voorop 'die IS', zoals hij dat in de Openbaring (1 : 4) ook van God zelf zegt.

Geloof
..Gelooft gij dat?", vraagt Jezus na zijn 'Ik ben'-uitspraak. Inderdaad komt het hier alles op geloven aan.
Want zien doen we deze werkelijk heid niet. Het hier en nu is de periode van het 'niet-zien-maar-geloven', van de afwezigheid van Jezus naar aardse maatstaven. De schare moet tot geloof worden gebracht door het zien van het wonder (zoals we Jezus horen bidden voordat Hij Lazarus opwekt, vs 42), maar Martha die reeds discipel is wordt opgewekt te geloven nog zonder het wonder te zien. "Gelooft gij dat?"-Prachtig is Martha's antwoord: "Ja, Here, ik heb geloofd dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou". Zij spreekt de Here niet letterlijk na: ja, Here, ik geloof dat ieder die in U gelooft in eeuwigheid niet zal sterven (zie de vss 25 en 26).
Dat zou voor iemand die zojuist een geliefde verloren hèeft ook een overspannen getuigenis zijn. Maar ze wil wel op de hoogte van Jezus' geweldige uitspraken komen. Dat zit in het 'ja, Here' opgesloten. En óm daar te komen trekt ze zich met haar antwoord terug op de grondbelijdenis van de christelijke gemeente: Jezus Christus, Gods Zoon. Alsof ze wil zeggen: wanneer ik bij dit geloof blijf, dan zult U mij ook op het hoge niveau van uw woorden brengen, houden en weer terugbrengen als ik er vanaf val. Het is dus een woord van ingehouden geloofskracht dat Martha hier spreekt. Niet geëxalteerd, niet schril én snerpend boven zichzelf uit. Dat zou het geweest zijn als ze gezegd had: ja, Here, dat is ook zo, eigenlijk is Lazarus helemaal niet dood. Niet bij Jezus maar bij haar zou zo'n woord onecht geweest zijn. Nee, ze is 'down-toearth', staat met pelde benen op de grond, geeft niet meer voor dan ze is, maar maakt zich in haar bescheiden nuchterheid toch oersterk in de wortel-belijdenis van het christelijk geloof. 'Jezus Christus Gods Zoon' ., daar moet het van komen, wil ik niet slechts over de dood heenkijken, maar zelfs niets anders dan leven zien. Zover moet Hij mij brengen, zover zal Hij mij brengen. Hij kan het, Hij wil het en' Hij zal het. Ja, Here, ik geloof.

Ten besluite
Op het slot van deze geschiedenis wekt de Here Lazarus op uit de doden.
Maar let wel, dat is pas aan het einde. Vóór dat geweldige wonder uit vindt eerst het gesprek tussen Jezus en Martha plaats. Het gesprek waarin Jezus zijn Woord laat horen en Martha daarop met geloof reageert.
Het wonder van de opwekking komt aan het einde van het hoofdstuk, zoals het voor ons komt aan het einde van de tijd. En daarvoor ligt de schijnbaar lege tijd dat Christus naar zijn menselijke verschijning niet meer en nog niet bij ons is. Toch is Hij er, door zijn Woord en Geest.
En wel met een vol heil: 'Ik BEN de opstanding en het leven'. De voorrang is aan het heden. Vanuit dit heden begint het verleden te glanzen en licht ook de toekomst op. Het is waar, wij blijven voor ons geloof aangewezen op de heilsgeschiedenis, op de heilsfeiten die hebben plaatsgevonden in een tijd die aan ons is vooraf gegaan. En toch betekent dit niet dat wij voor ons geloof terug moeten naar het jaar-nul. Het jaar-nul, met de gevoelswaar.de van verachtelijkheid die daarin meekomt, is een produkt van het vooruitgangsdenken dat lineair gedresseerd is. Pas wanneer wij dat lineaire kombineren met het cyklische, het eindezoekende met het middelpuntzoekende van de bijbelse beweging, gaan we de juiste verhouding ontdekken tussen verleden, heden en toekomst. We komen dan immers terecht bij "Jezus Christus die gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid" (Hebr. 13: 8).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief