Wij in Gods wereld (2)
1990-06-22
Wetteloosheid- Jaargang 34
- nummer 13
Omdat de wettige eigenaar - Godniet wordt erkend, is de cultuurontwikkeling niet gezond, maar door en door ziek. De stad van de mens wordt steeds onmenselijker. Grote culturele prestattes, in onafhankelijkheid en eigenzinnigheid verricht, lopen uit op wangedrochten. De individuele mens die zichzelf zoekt, zorgt ervoor dat de gemeenschap in ontbinding raakt. De vereenzaming, de vervreemding en daardoor de verslaving en de criminaliteit nemen onrustbarend toe, vooral onder jongeren.
De hoogmoedige, machtige en godloze cultuur heeft een keerzijde in onzekerheid, verwarring, richtingloosheid en bedreiging. De mens die pretendeert met wetenschap en techniek een louter menselijke wereld te kunnen scheppen, die zich onafhankelijk opstelt en met zijn rede - de wetenschap - meent het licht in de wereld te ontsteken, roept als toekomst een steeds dreigender duisternis over zich uit. Een nacht zonder dageraad.
Een paar voorbeelden die die uitzichtloosheid laten zien: Onze materialistische, individualistische cultuur wordt gekenmerkt door een enorme dynamiek, die dramatische vormen aanneemt. Steeds meer mensen kunnen fysiek of psychisch de ongebonden jacht op de toekomst niet bijhouden. In 1995 zullen we meer dan één miljoen arbeidsongeschikten hebben.
Een eenzijdige benadering van arbeid als alleen productieve arbeid laat steeds minder ruimte voor arbeid in de zin van cultuuroverdracht, terwijl dat juist vanwege de grote cultuurproblemen meer dan ooit nodig is.
Nog eén paar voorbeelden: Terwijl onze maatschappij vergrijst en de zorgvráág daardoor toeneemt, neemt tegelijk de zorgcapacitèit àf.
En terwijl wij de toekomst in materieel opzicht zeker willen stellen, wordt die toekomst vanwege de onmogelijkheid om daaraan bij een groeiende wereldbevolking te voldoen, steeds dreigender. Immers, indien ook de tweede en derde wereld hetzelfde welvaartsniveau moeten bereiken als de eerste wereld, zullen wetenschap, techniek en economie zich nog sneller moeten ontwikkelen dan nu al het geval is.
Maar dit betekent dat de problemen van deze adembenemende ontwikkeling ook weer groter zullen worden.
De mens, in zijn streven naar 'de stad van de mens', wordt met toenemende cultuurspanningen geconfronteerd, die zich kunnen ontladen in cuttuurrampen. Zowel de spanningen als de dreigende rampen zijn tekenen dat de 'stad van de mens' zich tegen de mens zelf keert.
Christelijke cultuurvisie
Daarmee ben ik toegekomen aan het laatste onderdeel van mijn verhaal.
Is er in deze cultuur nog uitzicht voor christenen?
Het is bij het zien van de geschetste ontwikkeling goed te benadrukken dat de 'menselijke wereld', de 'stad van de mens', niet ongedaan kan maken dat we leven in Gods schepping, in Zijn wereld! De lijn van de zondeval en de secularisatie als afstand van het Evangelie van Christus is de overheersende geestelijke lijn in onze cultuur geworden. Op die lijn worden de cultuurmachten ontwikkeld.
Maar het is een cultuur die leeft van Gods schepping, die misbruik maakt van alles wat God aan mogelijkheden heeft gegeven. Zondeval en secularisatie parasiteren op Gods werk in schepping en verlossing.
Juist omdat we mogen weten, dat de zondeval en de secularisatle de schepping van God en de verlossing door Christus niet ongedaan kunnen maken, en het licht van het Evangelie niet kunnen doven, en juist omdat temidden van alle menselijke hoogmoed en pretenties God in Christus regeert en de belofte van een nieuwe hemel en aarde zal waarmaken, juist daarom is en blijft er perspectief.
Dat is het perspectief van schepping, zondeval, verlossing én herschepping. Dat is het eeuwigheidsperspectief.
In dat perspectief mogen leven, betekent dat niet de mens in het middelpunt staat, maar dat alles op God gericht hoort te zijn. Ja alles, heel ons cultuurwerk hoort godsdienst te zijn. Het dienen van God mag zich niet beperken tot een onderdeel van ons leven, het betreft héél ons leven, al onze cultuurarbeid. Die arbeid krijgt de juiste richting door de liefde tot God en de liefde tot de naaste en daarin door liefde tot heel Gods schepping.
Dat betekent in de eerste plaats een bekering van ons hart. Een hartwaarin de vreze van God woont. Een hart dat gekenmerkt wordt door de verborgen omgang met God in Christus door de Heilige Geest. Niet meer wij leven, maar Christus leeft in ons. Dat is het hart dat weet, dat zijn schat niet op deze aarde is, maar in de hemel. Leert Christus ons dat niet: "Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn?"
(Matth. 6:21). Dat is het hart, dat zijn uiteindelijke vervulling niet verwacht in de tijd, maar in de eeuwigheid, waar God alles en in allen zal zijn.
Christenen moeten elkaar voortdurend voorhouden, wat Gods Woord als waarschuwing laat klinken en wat in onze materialistische tijd uitermate actueel is: "Want wat zou het een mens baten, als hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel?" (Matth. 16:26). Wanneer we daarnaar zouden luisteren en handelen, zou dat een fundamentele culturele ommekeer betekenen.
Het besef van 'tussen de tijden' te leven, tussen de eerste komst van Christus en Zijn tweede komst, betekent dus allerminst afstand doen van onze cultuurarbeid. Maar die arbeid richten op God. Het eeuwigheidsperspectief zoeken. Ons in liefde tot God wenden en met die liefde in ons hart terugkeren in de wereld om ons heen, in de godloze-cultuur. Die liefde behoedt ons voor vluchten en passiviteit. Gods belofte van de herschepping bewaart ons voor moedeloosheid.
Juist de gespletenheid en spanningen van de godloze cultuur bieden ruimte om ons cultuurwerk coram Deo - voor het aangezicht van God - te doen. Steeds weer zullen onverwachte en onvermoede cultuurmogelijkheden zich voordoen. Wie denkt daarbij in onze tijd niet in het bijzonder aan de verrassende ontwikkelingen achter - aan wat we vroeger noemden - het ijzeren Gordijn?
Wie al mocht twijfelen aan Gods regering, de voor ons onverwachte doorbraak in ijzeren dictaturen is toch de bevestiging van Gods regering? Hij schept zelfs in een dóór en dóór atheïstische cultuur als die van het marxisme voor onze broeders en zusters daar - en daarom ook voor ons - niet vermoede, nieuwe mogelijkheden.
Die mogelijkheden zijn er in alle cultuursectoren als we onze ogen van het geloof open houden. De liefde tot God en de naaste zorgt voor een omkering van de richting in wetenschap, techniek, economie, politiek, landbouw, gezondheidszorg enz. Alleen, die omkering zal nooit 'tussen de tijden' het volmaakte brengen. Ook dat moeten christenen blijkbaar weer leren. Bij de bekering van het humanistisch volmaaktheidsideaal komt er geen christelijk volmaaktheidsideaal voor het hier en nu in de plaats. Juist het besef van 'tussen de tijden' te leven houdt de erkenning in, dat de gevolgen van de zondeval ons leven en de cultuur blijven kenmerken. Alleen-de weg van het gebod van God - de weg van de liefde - houdt de problemen binnen de perken en houdt daarin de cultuur leefbaar en betrekkelijk gezond.
Samenvattend, met het oog op het eeuwigheidsperspectief zullen we elk aards volmaaktheidsideaal afwijzen, zullen we afstand doen van een jacht op de toekomst en zullen we in de cultuur als godsdienst de versnelling in de cultuurontwikkeling afremmen en ombuigen. We moeten trachten tot een meer stabiele cultuur te komen. En we moeten proberen terug te winnen, wat verloren is gegaan.
Leven in Gods wereld, betekent cultuurwerk uit liefde verrichten en vol verwachting leven. Zoals de verlossing in Christus werkelijkheidswaarde heeft, omdat ons vrijspraak van zonde en schuld geschonken is, zo zal de belofte van de herschepping vervuld worden: "Wij verwachten ... naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont."
(2 Petr. 3:13). Leven in Gods wereld, is leven in een wereld waarover het licht van de verrezen Morgenster straalt. Halleluja.