De vrede getekend?
1989-01-06
Op 25 november jl. stelde de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland een verklaring op inzake de leeruitspraken en tuchtmaatregelen in de jaren 1942-1945. Deze verklaring, die u bij dit artikel vindt afgedrukt, is toegezonden aan de Synode van de (vrijgem.) Geref.- Jaargang 33
- nummer 1
Kerken en aan de Landelijke Vergadering van onze Kerken, alsmede aan de plaatselijke kerken dit tot deze beide verbanden behoren.
Op de dag dat de Synode deze verklaring deed uitgaan is aan mij, als oud-voorzitter van de L.V.
van Dronten, door het ANP om een eerste reaktie verzocht. Dit was voor de redaktie van 'Opbouw' aanleiding om mij om een wat uitgebreider commentaar te vragen. Uiteraard kan een dergelijk commentaar slechts op persoonlijke titel gegeven worden.
Het ligt op de weg van onze volgende L.V. om op deze verklaring een officieel antwoord te geven.
Waardering
Ik denk dat we met een zekere blijdschap en waardering van de uitspaak van deze synode kennis mogen nemen. Van de synodes die zich sinds de Vrijmaking met deze materie hebben bezig gehouden, is deze synode van Almere het meest royaal in het erkennen van schuld aan het conflict van 1944. Duidelijk wordt uitgesproken dat de leeruitspraken niet als bindend gehandhaafd hadden moeten worden en dat men van tuchtoefening had moeten afzien. En men betreurt het dat de bezwaarde broeders en zusters, die zich van deze uitspraken vrijmaakten, "de last van de veroordeling wegens scheurmakerij hebben moeten dragen en nog steeds dragen."
Dat wil ik graag als winst noteren.
Voor het front van kerkelijk Nederland is hier toch van ons het odium weggenomen, dat die vrijgemaakten het nebben gepresteerd, n.b. in oorlogstijd, een kerk te scheuren!
Er is nu oog voor de gewetensnood, waarin zij waren gebracht. Ze worden niet meer afgeschilderd als fanatici, die niets-ontziend en met een heilig vuur slechts hun eigen gelijk wilden halen.
De uitspraak van deze synode mogen we daarom rn.i. waarderen als een eerherstel van hen, die van deze handelswijze het slachtoffer werden. Daardoor is in bepaalde opzichten de lucht gezuiverd.
Nogmaals, dat is winst te noemen.
Aanleiding of oorzaak?
Ik zou er een lief ding voor over hebben als ik het bij bovenstaande opmerkingen zou kunnen laten.
Maar ik meen, dat dat niet reëel zou zijn.
Je kunt je afvragen hoe je precies met een schuldbelijdenis om moet gaan. Zeker als het een belijdenis aan eigen adres is. Moet je dan ieder woord gaan wegen en keuren of het wel voldoet aan de eis? Moet je niet alleen al het gebaar royaal honoreren en verder maar 'zand erover'!?
Ik voel met inderdaad niet geroepen om deze verklaring uitgebreid te analyseren en zo op haar innerlijk gehalte te toetsten.
Eén vraag moet me echter wel van het hart. De synode stelt dat de Geref. Kerken "zelf mee aanleiding zijn geworden voor de door haar gewraakte scheurmaking." En even verder zegt ze het te betreuren "dat onze kerken zelf de aanleiding zijn dat broeders en zusters de last van de veroordeling wegens scheurmakerij hebben moeten dragen en nog steeds dragen."
Nu heeft de synode met opzet afgezien van enig historisch onderzoek naar de gang van zaken in 1942 e.v. jaren. Maar wreekt zich dat nu niet in de woordkeus? Er wordt tot twee keer toe gesproken van aanleiding tot scheurmaking en tot het dragen van de last van de veroordeling daarom. Maar wat volledig in het midden blijft is de vraag wat de oorzaak van de breuk is geweest. Waren dat juist niet de synodale leeruitspraken, waaraan men op straffe van schorsing en afzetting gebonden was? Waarvan men zich zelfs niet met beroep op art. 31 D.K.O. binnen het kerkverband mocht vrijmaken?
Dit heeft deze synode kennelijk in het midden willen laten.
En juist daar lag het grote verschil destijds. AI in 1946 verklaarde prof.
Schilder: "indien het komt tot gedachtenwisseling, zullen we 't heel weinig hebben over de geschorsten, en evenmin over de schorsingen, maar heel veel over de kerkrechtelijke theorieë n die achter deze schorsingen liggen." Ik heb de indruk dat het gesprek hierover nog steeds moet beginnen.
| Verklaring van de Gen. Synode van de Geref. kerken (syn.) inzake de vrijmaking. "In de serie 'DE NAZATEN', uitgezonden door de IKON in het najaar van 1987, kwam ook de Vrijmaking van 1944 ter sprake. Professor dr. G.C. Berkouwer (toenmalig synode-praeses) bracht daarbij tot uiting, dat hij zich mee-schuldig achtte aan het conflict. De synode heeft zich naar aanleiding van die verklaring en van de reacties die deze verklaring opriep, opnieuw bezonnen op haar eigen houding ten opzichte van het gebeuren van die dagen. Terugkijkend naar de gebeurtenissen van 1944 en volgende jaren, willen wij onze droefheid uitspreken over het aandeel van onze kerken in de scheur die toen in de Gereformeerde Kerken in Nederland is gekomen. Wij erkennen dat onze kerken in die tijd in haar zorg voor de zuiverheid van de leer, te zeer een struikelblok hebben gelegd voor broeders en zusters. Onze kerken kunnen zonder de leerbeslis singen over verbond en doop, zoals blijkt uit de terzijdestelling in 1959; en daarom hadden de leeruitspraken, toen bleek dat zij niet de gewenste rust brachten maar integendeel tegenspraak opriepen, niet als bindend moeten worden gehandhaafd. Onze kerken hebben te weinig oog gehad voor de gewetensnood van broeders en zusters, en zijn zo zelf mee aanleiding geworden voor de door haar gewraakte scheurmaking. Daarom hadden onze kerken van tuchtoefening moeten afzien. En ook al is wat is gebeurd niet meer te veranderen, wij betreuren ten zeerste dat onze kerken zelf de aanleiding zijn dat broeders en zusters de last van de veroordeling wegens scheurmakerij hebben moeten dragen en nog steeds dragen. Wij vragen de kerken met ons te bidden om de Geest Die heel maakt." |
Perspectief?
Biedt de bewuste verklaring van de Synode van Almere perspectief voor een toenadering van onze kerkverbanden tot elkaar? Ik ben bang van niet.
Overigens haast ik me om te zeggen, dat voor een dergelijke toenadering op zichzelf een verklaring m.b.t. '1944' van welke aard of inhoud dan ook allerminst noodzakelijk is. Na 44 jaar is de Vrijmaking al lang en breed een kerkhistorisch feit geworden. En om elkaar als kerken te kunnen vinden is het allerminst noodzakelijk tot overeenstemming te komen in de waardering van de Vrijmaking. Netzomin als we tot zo'n gelijk oordeel zouden moeten komen m.b.t. 1834 en 1886, 1892 en 1967 in gesprek met resp. de Hervormden, de Chr. Gereformeerden en de Vrijgemaakten.
Uiteindelijk mag als enige voorwaarde tot eventuele vereniging met welke kerk dan ook worden gesteld, dat we welkaar vinden in ons gemeenschappelijk geloof in het gezaghebbende Woord van God en in de 'onbekrompen en ondubbelzinnige' aanvaarding van de Gereformeerde belijdenis.
Nu, in dit opzicht is er zeker op landelijk niveau, helaas weinig dat hoop biedt op toenadering tot de (syn.) Geref. Kerken op korte termijn. De besluiten die de L.V. van Dronten moest nemen m.b.t. tot de G.O.S. (inmiddels omgedoopt in G.O.R.) zijn hiervoor illustratief genoeg.
De (syn.) Geref. Kerken weten vandaag hun "zorg voor de zuiverheid van de leer" nog nauwelijks vorm te geven. Zo schreef dr. J. Plomp vorig jaar in een slotbeschouwing aan het einde van een boek dat de ontwikkeling binnen zijn kerken na de Tweede Wereldoorlog beschrijft: "Aan de Schrift komt wel het hoogste gezag toe.
Maar juist daarom moet de individuele uitlegger de ruimte hebben om een verklaring te geven die van de traditionele afwijkt. De geloofsgemeenschap moet bereid zijn zich door die enkeling te laten overtuigen.
Alleen in uiterste gewetensnood, maar eigenlijk nooit, zou de kerk gebruik mogen maken van haar recht te beslissen welke uitleg de juiste is." (J. Plomp, Een kerk in beweging, Kampen, 1987, blz. 186).
Hier zijn we in een wel totaal ander klimaat dan in 1944. Dit is het wat ons vandáág gescheiden houdt. En daarover zal het gesprek moeten gaan wanneer we ooit nog eens op plaatselijk of landelijk niveau om de tafel zullen zitten. Had het gesprek onzerzijds niet al eerder in deze richting gestuurd moeten worden toen vorige synodes van de (syn.) Geref. Kerken zich tot ons kerkverband richtten?
In elk geval, door de verklaring van de Synode van Almere kan de vrede helaas niet als getekend worden beschouwd.
Schuld voor God
Wat is overigens m.n. in de verklaring van de Synode van Almere mis, is het besef van schuld tegenover de HEERE. Nogmaals, een schuldbelijdenis moet je met grote voorzichtigheid beoordelen. Maar juist wanneer een kerk zich mee schuldig weet aan zo'n vreselijke zonde als het scheuren van het lichaam van Christus, mag toch worden verwacht dat men dat niet in de eerste plaats ziet als schuld tegenover mensen, van wie velen al niet meer in leven zijn, maar vooral tegenover de Koning van de Kerk.
Immers, vooral zijn Naam is hierdoor oneer aangedaan en door het slijk gehaald. Bij een kerkelijke en christelijke schuldbelijdenis mag toch worden verwacht dat hier oog voor is. Nu dit ontbreekt, mist deze verklaring' naar mijn overtuiging helaas de nodige diepte en blijft ze aan de oppervlakte..
Overigens haast ik me hieraan de vraag toe te voegen in hoeverre wij, .vrijgemaakten, niet mede schuldig zijn aan het blijven voortbestaan van de breuk. Dat we óórzaak zijn van de breuk kan ik vooralsnog nog steeds niet inzien. Maar was er bij ons tijdens en na de breuk een geest van ootmoedigheid? Hoezeer waren de broeders en zusters aan gene zijde van de kloof echt onvergetelijk voor ons? Hoe sterk is er in gebeden geworsteld om herstel van de eenheid? Maten wij ons toch al niet heel gauw een houding aan van: wij zijn trouw gebleven, wij hebben het juiste inzicht? En spraken wij niet al te neerbuigend en veroordelend over 'die synodalen'?
Is in onze kerkelijke pers het kwade 'van de overkant' niet steeds weer breed uitgemeten, terwijl aan het goede achteloos voorbij werd gegaan? Heerste zo bij ons niet een geest van zelfrechtvaardiging?
En zijn wij zo niet zelf mee-schuldig geworden aan de zonden van de kerk?
Laten we de HEERE bidden dat Hij in zijn barmhartigheid ons weer tot elkaar terug leidt op Zijn weg.